Выбрать главу

Toen hoorde ik plotseling de stem van Simoneau. Ongetwijfeld was hij juist binnengekomen.

"Zij zijn beneden," fluisterde hij.

"Goed, ze zijn niet al te vroeg," antwoordde juffrouw Gabin, eveneens op zachten toon. "Zeg dat ze boven komen, wij moeten er een einde aan maken".

"Ik ben bevreesd voor de droefheid der arme vrouw".

De oude vrouw scheen na te denken. Zij hernam:

"Luister eens, mijnheer Simoneau, goedschiks of kwaadschiks brengt gij haar naar mijn kamer...... Ik wil niet dat zij hier blijft. We doen er haar werkelijk een dienst mee...... In een oogwenk is dan alles gebeurd".

Die woorden vielen als hamerslagen op mijn hart. Simoneau was op Marguerite toegetreden en smeekte haar niet in de kamer te blijven.

"Bespaar u zelve toch dat verdriet", drong hij aan.

"Neen, neen," zei mijn vrouw, "ik blijf hier, tot het laatste oogenblik wil ik bij hem blijven. Denk er aan dat ik niets en niemand in de wereld heb dan hem en dat ik, als hij weg zal zijn, geheel alleen sta".

Zou Simoneau haar werkelijk vastgrijpen en meenemen? Een oogenblik later klonk een kreet.

Ik wilde overeind springen, woedend als ik was doch mijn lichaam gehoorzaamde mij niet. Ik lag zoo stil, zoo willoos, dat ik zelfs mijn oogen niet kon openen, om te zien wat er om mij heen geschiedde. De worsteling duurde voort, mijn vrouw hield zich aan de meubels vast, uitroepende:

"Heb medelijden, mijnheer, laat mij los, ik wil niet...."

Hij had haar ongetwijfeld zeer stevig in zijn armen want haar klachten werden zacht en teer als die van een kind. Toen voerde hij haar weg en ik stelde mij hem voor, groot en sterk, haar aan zijn borst drukkende en zij de armen om zijn hals geslagen, gebroken, zich aan hem overgevende, haar latende leiden waarheen hij wilde.

"Jongens, dat is niet zonder moeite gegaan!" mompelde juffrouw Gabin. "Nu die van de vloer is, vooruit met de rest!"

In mijn ijverzuchtige woede scheen mij die wegvoering een brutale aanranding en diefstal toe. Ik had Marguerite sedert den vorigen dag niet gezien, maar zoolang zij er was, hoorde ik tenminste haar stem nog. Nu was het echter gedaan, men had haar mij ontstolen, een man had haar meegevoerd voor ik nog onder den grond was gestopt. En in die andere kamer was hij met haar alleen, troostte hij haar, ja, misschien omhelsde hij haar wel. De deur werd opnieuw geopend, ik hoorde het geluid van zware stappen.

"Gauw wat, gauw wat", zei juffrouw Gabin. "Die dame zou terug kunnen komen".

Zij sprak tegen onbekende personen, die slechts met een soort gebrom antwoordden.

"Je begrijpt dat ik geen familielid ben; ik ben maar een buurvrouw. Ik verdien er niets mee, hoor! 't Is louter goedheid, dat ik mij met de zaak bemoei. En lang geen prettig zaakje...... Wat heb ik een nacht achter den rug! 't Was tegen vier uur zelfs koud. Enfin, ik ben altijd dom geweest op dat punt. Een mensch kan ook te goed zijn".

De kist werd naar 't midden van de kamer getrokken.

Het ontwaken kwam niet, ik was dus veroordeeld.

Mijn gedachten werden minder en ik gevoelde mij zoo afgemat, dat het mij zelfs een verlichting toescheen geen hoop meer te hebben.

"Men is niet zuinig geweest op het hout," zeide een norsche, krakende stem. "De kist is veel te lang".

"Wel", voegde een grappenmaker er aan toe, "dan kan hij er zijn gemak van nemen".

Ik was niet zwaar, iets wat hun zeer aangenaam was, daar zij drie trappen met mij moesten afdalen. Toen zij mij bij de schouders en de voeten opnamen, werd juffrouw Gabin plotseling boos.

"Zoo'n duivelsche meid!" riep zij uit, "die moet overal met haar neus bij zijn...... Wacht, ik zal je leeren door den kier van de deur te kijken".

't Was Dédé, die de deur een weinig geopend had en haar hoofd naar binnen stak. Zij wilde mijnheer in de kist zien leggen. Twee klappen weerklonken, gevolgd door een uitbarsting in tranen. Toen de moeder weer binnen trad sprak zij de mannen over haar dochtertje.

"Ze is pas tien jaar en overigens een goed kind, alleen wat nieuwsgierig...... Ik sla haar niet dikwijls, maar ze moet toch leeren gehoorzaam te zijn".

"Och," zei een der mannen, "zoo zijn alle kinderen.... Als ergens een doode is, zweven zij daar altoos om heen".

Men had mij recht uitgestrekt en ik kon mij voorstellen nog in mijn bed te liggen, als mijn rechterarm het niet benauwd gehad had. Dank zij mijn tengere gestalte lag ik overigens heel goed, verzekerde men. "Wacht", riep juffrouw Gabin, "ik heb zijn vrouw beloofd hem een kussen onder het hoofd te leggen".

De mannen hadden echter haast, zij frommelden het kussen onder mijn hoofd en smeten het laatste ruw neer. Een van hen zocht vloekend zijn hamer. Men had dien beneden laten liggen en moest hem dus gaan halen. Het deksel werd op de kist gelegd en 't was of een siddering mijn lichaam doorvoer toen twee hamerslagen den eersten spijker in het hout gedreven. Nu was 't gedaan, ik had geleefd. Snel volgde de eene spijker op den andere, de hamer klopte met regelmatige slagen. 't Was of men bezig was een kist met koopwaar in elkaar te hameren. De geluiden drongen nu slechts vaag en zacht tot mij door, op een vreemde wijze weerklinkende. Het laatste gezegde dat ik in de rue Dauphine opving, was dat van juffrouw Gabin:

"Zachtjes, voorzichtig! Pas vooral op bij den tweeden trapleuning, want die houdt niet".

Men droeg mij weg en ik kreeg de gewaarwording alsof ik in zee werd geworpen en de golven hoog om mij opspatten. Van dat oogenblik af zijn mijn herinneringen echter zeer onduidelijk.

't Eenige wat ik mij nog goed weet voor te stellen is, dat ik mij rekenschap trachtte te geven van den weg, dien men met mij nam. Ik was in Parijs totaal onbekend en wist ook niet waar het reusachtige kerkhof, waarvan men mij zoo dikwijls had gesproken, gelegen was. Toch prikkelde het mijn verstand nog om te weten of wij rechts of links gingen. De rouwkoets schokte nu en dan verbazend. Het gerol der rijtuigen om mij en het geschuifel der voetgangers, vormden een verward gedruisch dat vreemd in mijn kist weerklonk. Aan een rustpunt komende, werd ik gedragen, iets waaruit ik begreep, dat wij aan een kerk moesten zijn. Toen de rouwkoets zich opnieuw in beweging stelde, verloor ik ook zelfs het flauwste begrip van 't waar en waarheen.

Het gelui van klokken verkondigde mij echter dat wij weder een kerk passeerden en uit het zachte rijden en minder schudden van den koets maakte ik op dat wij een zandweg hadden ingeslagen. Ik was als een terdoodveroordeelde die ter executie wordt geleid, wezenloos en versuft, hopende dat het maar spoedig gedaan mag zijn en voor wien het laatste oogenblik maar niet komt.

Men stond stil en haalde mij uit den rouwkoets. Het gedruisch van het woelige leven had opgehouden, ik bemerkte dat ik op een stille plaats was, onder de boomen, de wijde hemel boven mijn hoofd. Enkele personen volgden zeker de kist, andere bewoners van het hotel, Simoneau enz.; hun gefluister drong nu en dan tot mij door. Er werd een psalm gezongen en een priester prevelde een en ander in 't Latijn. Een paar minuten gingen wij verder. Toen voelde ik dat ik plotseling daalde, de touwen schaafden rauw langs de kist. Dat was het einde. Een vervaarlijke schok, als een kanonschot, viel op mijn hoofd, een tweede op mijn voeten, een andere, nog heviger, op mijn buik. Ik vreesde dat mijn kist zou splijten. Toen viel ik in zwijm.

Hoe lang heb ik in dezen toestand doorgebracht? Ik weet het niet. Een eeuw en een seconde duren evenlang in 't eindeloos niets. Ik was niet meer. Langzamerhand echter drong vaag het bewustzijn dat ik nog bestond, weder op den voorgrond. Een nachtmerrie maakte zich los van den zwarten achtergrond, die mijn horizont afsloot. Mijn verbeelding schiep zich verschrikkelijke beelden en ik droomde wonderlijke droomen.

Ik verbeeldde mij dat mijn vrouw mij te Guérande ergens wachtte; ik had den trein genomen om haar te ontmoeten. Toen deze onder een tunnel doorging, weerklonk plotseling een geluid als een rollen van den donder. Een dubbele instorting had plaats gehad. Geen steen was op onzen trein neergevallen, de wagens waren ongeschonden gebleven; alleen de beide einden van den tunnel, voor en achter ons waren ingezakt en wij bevonden ons dus als 't ware te midden van hemelhooge bergen. Nu begon een lange en afgrijselijke doodstrijd. Geen hoop was er op ontzet; er zou wel een maand noodig zijn om den tunnel weer vrij te maken en dan zou dit nog niet kunnen geschieden dan met de uiterste voorzorgen en met behulp van reusachtige machines. Wij waren gevangen in een kelder zonder uitgang. Ons aller dood was slechts een kwestie van enkele uren.