Выбрать главу

‘Ik begrijp ’t,’ zei de Kzin. ‘Als de twee stralen naast elkaar vallen, ontstaat er een elektrische stroom.’

‘Precies.’

Denk je dat deze geïmproviseerde dingen voldoende zullen zijn’? Wie weet wat we allemaal tegenkomen. Daar is geen slag naar te: slaan.’

‘Dat is niet helemaal waar,’ zei Louis Wu. ‘Per slot van rekening is dit geen planeet. Als er een beest was dat de Ringwerelders. niet zo mochten, dan hebben ze dat naar alle waarschijnlijkheid thuisgelaten. Dus tijgers komen we niet tegen; en muskieten ook niet.’

‘En als de Ringwerelders nu eens van tijgers hielden?’ vroeg;! Teela.

Het was een goede vraag, al klonk hij wat gemaakt grappig. Wat wisten ze eigenlijk van de Ringwerelders af? Alleen dat ze afkomstig waren van een waterwereld die een zon van ongeveer het K9 type had. Dat hield in dat ze eruit konden zien als mensen, poppenspelers, Kzinti, grogs, dolfijnen, tand- of baardwalvissen, maar waarschijnlijk was dat allemaal niet.

‘We zullen banger zijn voor de Ringwerelders dan voor hun huisdieren,’ voorspelde Spreker. ‘We moeten alle wapens die we kunnen vinden meenemen. Ik wil jullie verzoeken mij het bevel over de expeditie te geven tot we, zoals hopelijk gebeuren zal, de Ring hebben verlaten.’

‘Ik heb de tasp.’

‘Dat ben ik niet vergeten, Nessus. Misschien zie je de tasp als iets waarmee je een absoluut vetorecht hebt. Ik raad je aan goed na te denken voor je hem gebruikt. Denk na, jullie, alle drie!’ De Kzin stond over hen heen gebogen, een halve ton tanden en klauwen en oranje vacht. ‘We zijn allemaal intelligent, of worden verondersteld dat te zijn. Denk eens goed na in wat voor toestand we ons op dit ogenblik bevinden! We zijn aangevallen. Ons schip is half vernield. We moeten een nog onbekende afstand afleggen, door onbekend terrein. De macht van de Ringwerelders is ooit enorm geweest. Is hij nog steeds enorm, of maken ze gebruik van werktuigen die niet complexer zijn dan een speer die ze van een scherpgeslepen stuk bot hebben gemaakt?

Het is even goed mogelijk dat ze beschikken over transmutatie, totale conversiestralen, alles wat misschien nodig is geweest om dit te bouwen, dit …’ de Kzin keek om zich heen, naar de glasachtige bodem en de wallen zwarte lava, en misschien huiverde hij even, ‘… dit ongelooflijke stuk techniek.’

‘Ik heb de tasp,’ zei Nessus. ‘De expeditie is van mij.’

‘Ben je tevreden met onze successen? Ik wil je niet beledigen, ik heb niet de bedoeling je uit te dagen. Je moet mij aan het hoofd van deze onderneming stellen. Van ons vieren ben ik alleen getraind op oorlogvoering.’

‘Laten we wachten,’ stelde Teela voor. ‘Misschien komen we wel niets tegen waarmee we moeten vechten.’

Akkoord,’ zei Louis. Hij voelde er niets voor om onder leiding van een Kzin te staan.

‘Goed dan. Maar de wapens moeten we meenemen.’

Ze begonnen de cyclettes vol te laden.

Niet alleen de wapens moesten mee; er waren ook andere dingen. Kampeeruitrusting, apparaten om voedsel te testen en te reconstrueren, flesjes met extra voedselingrediënten, lichtgewicht luchtfilters.

Er waren ook communicatieschijven, bedoeld voor om de pols van een mens of een Kzin, of de nek van een poppenspeler. Ze waren vrij groot, en zaten niet erg lekker.

‘Waarom die dingen?’ vroeg Louis. Want de poppenspeler had ze al laten zien hoe het intercomsysteem dat in de vliegcyclettes was gemonteerd, werkte.

‘Ze waren oorspronkelijk bedoeld om contact op te nemen met de autopiloot van de Leugenaar, zodat we het schip konden oproepen als dat nodig was.’

Waar hebben we ze dan nu nog voor nodig?’

‘Om dingen voor ons te vertalen, Louis. Als we intelligente wezens tegenkomen, en dat is heel waarschijnlijk, dan hebben we de autopiloot nodig om wat ze zeggen voor ons te vertalen.’

‘O.’

Ze waren klaar. Er lag nog steeds apparatuur onder de romp van de Leugenaar, maar dat konden ze niet gebruiken: vrijeval uitrustingsstukken die ze alleen in de ruimte gebruikten, de drukpakken, en wat reserveonderdelen voor machines die door het afweermechanisme van de Ringwereld waren verdampt.

Louis was bekaf. Hij klom op zijn vliegcyclette en keek om zich heen of hij iets was vergeten. Hij zag Teela recht omhoog kijken, en zelfs door de nevel van uitputting voor zijn ogen zag hij nog de uitdrukking van hartgrondige afschuw op haar gezicht.

‘D’r is geen gerechtigheid meer,’ vloekte ze. ‘Het is nog steeds midden op de dag!’

‘Geen paniek. Ik …’

‘Louis! We zijn al meer dan zes uur aan het werk, dat weet ik zo zeker als wat! Hoe kan het dan nog steeds midden op de dag zijn?’

‘Maak je daar maar geen zorgen over. De zon gaat hier niet onder, weet je nog wel?’

‘Gaat niet onder?’ Haar hysterie was even vlug weer over als ze was begonnen. ‘O. Ja, natuurlijk gaat hij niet onder.’

‘We zullen eraan moeten wennen. Kijk nog eens naar boven: is dat niet de rand van een schaduwvlak, daar, tegen de zon aan.’ Iets had inderdaad een hap genomen uit de ronde schijf van de zon. Het licht werd zwakker terwijl ze stonden te kijken.

‘We moesten maar vertrekken,’ zei Spreker. ‘Als de duisternis invalt moeten we in de lucht zitten.’

De boog der hemelen

Vier vliegcyclettes stegen in een ruitformatie door het zwakker wordende licht van de dag omhoog. De naakte ringvloer viel onder hen weg.

Nessus had ze laten zien hoe ze gebruik moesten maken van de koppelcircuits. Nu waren de andere drie cyclettes geprogrammeerd om de handelingen te imiteren die Louis met de zijne verrichtte. Louis bestuurde ze alle vier tegelijk. In een contourstoel, net een massagestoel zonder de massageapparatuur, stuurde hij zijn cyclette met pedalen en knuppel.

Vier transparante miniatuurhoofden hingen als hallucinaties boven zijn dashboard. Een mooie sirene met ravenzwart haar, een woeste quasi tijger met ogen die maar al te oplettend waren, en twee gekuitziende eenhoofdige pythons. De intercom werkte volmaakt, het resultaat was vergelijkbaar met delirium tremens.

Toen de vliegcyclettes boven de zwarte lavahelling uit stegen, keek Louis naar de gelaatsuitdrukking van de anderen.

Teela reageerde als eerste. Haar ogen gleden van links naar rechts, en omhoog, en troffen daar grenzeloosheid aan waar ze tot dan steeds grenzen hadden gezien. Ze werden groot en rond, die ogen, en Teela’s gezicht lichtte op alsof de zon door een grijze wolkenmassa brak. ‘O, Louis!’

‘Wat een buitengewoon grote berg,’ zei Spreker.

Nessus zei niets. Zijn hoofden gingen omhoog en omlaag en draaiden nerveus rond.

De duisternis viel snel. Een zwarte schaduw schoot plotseling over de reusachtige berg, en was seconden daarna verdwenen. De zon was alleen nog maar een gouden randje, aangevreten door het duister. En iets nam vorm aan in de donker wordende hemel.

Een enorme boog.

De contouren ervan tekenden zich snel scherper af. Terwijl het land en de hemel donkerder werden, kwam de ware glorie van de Ringwereld tevoorschijn tegen de nacht.

De Ringwereld boog om zichzelf heen in strepen van lichtblauw, doorspikkeld met witte wolken, in smallere strepen bijna-zwart. Aan de onderkant was de boog heel breed, meer naar boven werd hij snel smaller, en bij het hoogste punt was hij niet meer dan een gebroken lijn van gloeiend wit en blauw. Op het hoogste punt zelf werd de boog doorsneden door de elders onzichtbare ringschaduwvlakken.

De vliegcyclettes schoten snel, maar zonder geruis, omhoog. De sonische capsule was een buitengewoon doeltreffende isolatie. Louis hoorde het geluid van de wind erbuiten niet. En daarom was hij des te meer ontsteld toen zijn privé-ruimtebel opeens galmde van een georkestreerde gil in muziek.