Vroeger had Louis geloof gehecht aan die stelling. Maar nu … ‘Misschien oversimplificeer je de zaken wel. De Ringwereld is groter dan we hebben kunnen beseffen. Volgens mij is er hier ruimte genoeg voor barbarendom én beschaving, en alles ertussen.’
‘Een beschaving vertoont de neiging zich uit te breiden, dat weet je toch, Louis.’
‘Jah.’
Ze zouden toch wel te weten komen wat dat heldere puntje te betekenen had. Ze vlogen er recht op af.
Een koffiekraantje was er niet.
Louis werkte net de laatste happen van zijn ontbijtblok weg toen hij twee groene lichtjes op zijn dashboard zag. Eerst had hij er geen idee van wat ze betekenden, tot hij zich herinnerde dat hij Teela en Spreker de afgelopen nacht uit de intercom had geschakeld. Hij haalde twee knoppen over en ze waren er weer.
‘Goede morgen,’ zei Spreker. ‘Heb je de dageraad gezien, Louis? Artistiek stimulerend.’
‘Zeker. Morgen, Teela.’
Teela gaf geen antwoord.
Louis keek wat beter. Teela was gefascineerd, betoverd, als iemand die het Nirwana heeft bereikt.
‘Nessus, heb je je tasp gebruikt op Teela?’
‘Nee, Louis. Waarom zou ik?’
‘Hoe lang is ze al zo?’
‘Hoe bedoel je, “zo”?’ zei Spreker. ‘Ze heeft de afgelopen tijd niet met een van ons gepraat, als je dat bedoelt.’
‘Ik bedoel haar gezicht, hoe ze kijkt, driggit!’
Teela’s gezicht op het dashboard staarde naar de oneindigheid, dwars door Louis’ hoofd heen. Ze was op een stille manier heel gelukkig.
‘Ze maakt een ontspannen indruk,’ zei de Kzin, ‘en ik geloof niet dat ze er slecht aan toe is. De fijnere nuances van de menselijke gelaatsuitdrukking …’
‘Laat maar zitten. Zet ons aan de grond, alsjeblieft. Ze heeft Plateau trance.’
‘Dat begrijp ik niet.’
‘Zet ons nou maar gewoon aan de grond.’
Ze vielen van anderhalve kilometer naar beneden, en Louis moest een tijdlang vrije val, met alle draaierige verschijnselen daarvan, doorstaan voor Spreker de stuwers weer aanzette. Hij keek naar Teela’s beeld om te zien hoe ze reageerde, maar hij zag niets. Ze keek sereen, onverstoorbaar. Haar mondhoeken gingen een klein beetje omhoog.
Louis zat wanhopig te piekeren terwijl ze vielen. Hij wist wel iets af van hypnose: hier en daar zo een beetje, dat krijg je wel binnen als je tweehonderd jaar lang 3-D kijkt. Als hij het zich nou maar wist te herinneren …
Groene en bruine tinten losten zich op tot velden en bos en de zilveren draad van een riviertje. Het was een sappig, wild land dat ze onder zich zagen, het soort land dat vlaklanders van het platteland verwachten op een koloniewereld. Een tragische misvatting.
‘Probeer ons in een dal neer te zetten,’ zei Louis. ‘Ik wil haar graag uit het gezicht van de horizon krijgen.’
‘Goed. Ik denk dat het het beste is als jij en Nessus de autopiloot uitzetten en zelf landen, na mij. Ik zal Teela wel voor mijn rekening nemen.’
De ruit van cyclettes viel uiteen en kwam weer samen. Spreker gleed naar bakboord en draaiwaarts, naar het riviertje toe dat Louis al eerder had gezien. De anderen gingen achter hem aan. Ze zakten nog steeds toen ze de rivier overstaken. Spreker vloog naar draaiwaarts om de loop ervan te kunnen volgen. Hij kroop nu vrijwel door de lucht, net boven de boomtoppen. Hij zocht naar een stuk oever dat niet schuilging achter bomen.
‘I)e planten lijken erg op die van de Aarde,’ zei Louis. Nessus en Spreker maakten instemmende geluiden.
Ze draaiden mee met een bocht in de rivier.
De inheemsen bevonden zich middenin een breed stuk van de rivier. Ze waren bezig met een visnet. Toen de rij cyclettes in zicht kwam keken de inheemsen op. Een lang ogenblik was alles wat ze deden het net loslaten, terwijl ze met hun mond open omhoog staarden.
Louis, Spreker en Nessus reageerden allemaal op dezelfde manier. Ze schoten rechtstandig naar boven. De inheemsen werden stippen, de stroom werd weer een kronkelende zilveren draad. Het malse, wilde bos vervaagde tot nuances groen en bruin.
‘Schakel jullie autopiloot in,’ beval Spreker, op onmiskenbare commandotoon. ‘Ik zal ons ergens anders aan de grond zetten.’ Hij moest de toon die hij nu aansloeg geleerd hebben — enkel en alleen om tegen mensen te gebruiken. De taken van een ambassadeur, zei Louis peinzend tegen zichzelf, waren wel veelomvattend. Teela had zo te zien van het hele voorval niets gemerkt.
‘Nou?’ zei Louis.
‘Het waren mensen,’ zei Nessus.
‘Ja, hè? Ik dacht dat het misschien een hallucinatie van mij kon zijn. Hoe komen mensen nou hier?’
Maar die vraag probeerde niemand te beantwoorden.
Vuist-van-God
Ze waren geland in een woest stuk land, omringd door heuvels. De namaak horizon werd gemaskeerd door de heuvels, de gloed van de Boog was in het daglicht onzichtbaar: het had een toneeltje op elke door mensen bewoonde planeet kunnen zijn. Het gras was eigenlijk geen gras, maar het was groen, en het lag als een tapijt over dingen die onder gras hadden moeten schuilgaan. Er was grond, en rotsen en struiken met groene bladeren, en de takken hadden bijna de goede vorm.
De flora, Louis had het al gezegd, leek akelig veel op die van de Aarde. Er waren struiken waar je struiken zou verwachten, lege plekken waar je lege plekken zou verwachten. Volgens instrumenten in de cyclettes waren de planten zelfs op moleculair niveau Aards.
Er was een plant waar je een mooie hegomheining van zou kunnen maken. Hij zag eruit als hout; maar hij groeide in een hoek van vijfenveertig graden omhoog, tot er een kroon bladeren kwam, dan ging hij weer in dezelfde hoek naar beneden, zette zich met een stel wortels in de grond vast, dan weer schuin naar boven … Louis had zo iets al eerder gezien, op Gummidgie, maar deze rij driehoeken was glanzendgroen en bastbruin, de kleuren van het leven op Aarde. Louis noemde het elleboogwortel.
Nessus liep heen en weer in het stuk bos, en verzamelde planten en insekten om ze te onderzoeken in het compacte laboratorium van zijn scooter. Hij had zijn vacuümpak aan: een transparante ballon met drie laarzen, en twee hand/mondschoenen. Niets dat op de Ringwereld leefde kon hem aanvallen zonder die barrière te doorbreken: geen roofdier, geen insekt, geen korreltje stuifmeel, geen spore, geen molecuul van een virus.
Teela Brown zat in het zadel van haar vliegcyclette, haar handen, iets te groot om werkelijk fijngebouwd te zijn, rustten licht op de bedieningsorganen. Haar mondhoeken waren iets omhoog gekruld. Ze zat in de houding waarin ze de acceleratie van de cyclette op kon vangen, ontspannen en toch alert, en de lijnen en vormen van haar lichaam waren even duidelijk te zien of ze een model was dat zat te poseren. Haar groene ogen keken door Louis Wu heen en door een barrière van lage heuvels, en zagen de oneindigheid bij de abstracte horizon van de Ringwereld.
‘Ik begrijp het niet,’ zei Spreker. ‘Wat is er nu eigenlijk met haar aan de hand? Ze slaapt niet, en toch is ze eigenaardig passief.’
‘Zelfhypnose,’ zei Louis Wu. ‘Het gaat vanzelf over.’
‘Ze is dus niet in gevaar?’
‘Niet meer. Ik was bang dat ze van haar cyclette af zou kunnen vallen, of iets idioots zou kunnen doen met haar bedieningsorganen. Op de grond is ze wel veilig.’
‘Maar waarom heeft ze zo weinig belangstelling voor ons?’ Louis probeerde het uit te leggen.
In de Asteroïdengordel van Sol brachten mannen hun halve leven door met het tussen de rotsen door sturen van hun éénmansschepen. Hun positie bepalen ze aan de hand van de sterren. Uren achtereen kan een mijnwerker uit de Gordel naar de sterren kijken: de felle witte bogen zijn de door fusiemotoren aangedreven éénmansschepen, de langzaam schuivende lichten zijn asteroïden in de buurt, en de vaste punten zijn sterren en melkwegstelsels. Een man kan zijn ziel verliezen te midden van de witte sterren. Veel later beseft hij misschien pas dat zijn lichaam de noodzakelijke handelingen heeft verricht, zijn schip heeft bestuurd, terwijl zijn geest door gebieden gleed die hij zich niet meer kan herinneren. De verre blik, noemen ze het. Het is gevaarlijk. Een man z’n ziel komt niet altijd terug naar zijn lichaam.