‘Een Gummidgie graaier scheurde een stuk uit me, van mijn schouder tot mijn navel, tien centimeter breed en een goeie centimeter diep. Zijn volgende uithaal had me in tweeën gehakt. Hij besloot om eerst op te eten wat hij al van me had, en ik moet zwaar vergif voor ’m geweest zijn, want hij rolde zich gillend tot een bal in elkaar en stierf.
En nu is er niets meer van te zien. Ik heb nergens op mijn lichaam een litteken.’
‘Arme Louis. Maar op mijn lichaam is ook niets te zien.’
‘Maar jij bent een statistische abnormaliteit, en verder ben je pas twintig.’
‘O.’
‘Mmm. Je bent zacht.’
‘Nog andere herinneringen die je niet meer ziet?’
‘Ik heb wel eens een fout gemaakt met een mijnstraal …’ Hij stuurde haar hand.
Wat later ging hij op zijn rug liggen, en Teela liet zich op hem en hem in haar glijden. Ze keken elkaar een lang, schitterend, ondraaglijk ogenblik aan voor ze begonnen te bewegen.
Een vrouw, gezien door de gloed van een langzaam broeiend orgasme, schijnt te glanzen met de glorie van een engel …
… Iets ter grootte van een konijn schoot tussen de bomen uit, draafde over Louis’ borst en verdween in het struikgewas. Een ogenblik later dook Spreker-tot-Dieren op de open plek op. ‘Neem me niet kwalijk,’ riep de Kzin en rende verder achter zijn prooi aan.
Toen ze weer bij elkaar kwamen, was het haar om Sprekers mond roodbespat. ‘Voor het eerst in mijn leven,’ zei de Kzin, kalm en tevreden, ‘heb ik gejaagd om mij voedsel te verschaffen, zonder andere wapens te gebruiken dan mijn tanden en klauwen.’ Maar hij volgde Nessus’ advies op en nam een breedspectrum allergietablet.
‘Het is tijd dat we het eens over de inheemsen hebben,’ zei Nessus.
Teela keek verbaasd. ‘Inheemsen?’
Louis legde het uit.
‘Maar waarom zijn we er zo snel vandoor gegaan? Hoe konden ze ons nu iets hebben gedaan? Waren het werkelijk ménsen?’ Louis beantwoordde de laatste vraag, omdat die hem ook had dwarsgezeten. ‘Ik zie niet hoe dat mogelijk is. Wat zouden mensen hier doen, zo ver van de bekende ruimte vandaan?’
‘Er is geen twijfel mogelijk,’ interrumpeerde Spreker hun gesprek. ‘Vertrouw je zintuigen nu maar, Louis. Misschien ontdekken we wel dat het een ander ras is dan dat van jou of Teela. Maar het zijn mensen.’
‘Waarom ben je daar zo zeker van?’
‘Ik ruik ze, Louis. De geur drong tot me door toen ik de sonische capsule afzette. Ver van ons vandaan, verspreid over een heel groot oppervlak, bevinden zich mensen. Vertrouw nu maar op mijn neus, Louis.’
Louis geloofde hem. De neus van de Kzin was de neus van een carnivoor die door jagen aan de kost kwam. ‘Parallelle evolutie?’
‘Nonsens,’ zei Nessus.
‘Best.’ Het menselijk lichaam was heel geschikt voor de werktuigbouwer/werktuiggebruiker die de mens was, maar niet echt veel beter dan andere soorten lichaamsbouw. Intelligentie zat in allerlei soorten lichamen.
‘We zijn aan het tijd verspillen,’ zei Spreker-tot-Dieren. ‘Het probleem is niet hoe er hier mensen zijn gekomen. Het probleem ligt in het eerste contact met ze. Voor ons zal iedere ontmoeting een “eerste contact” zijn.’
Louis besefte dat hij gelijk had. De cyclettes vlogen sneller dan de inheemsen het nieuws aan elkaar konden doorgeven, op wat voor manier ze dat ook deden. Als ze dat deden. Maar als ze semaforen hadden …
‘We moeten iets weten van hoe mensen zich gedragen als ze zich in deze wilde staat bevinden,’ ging Spreker verder. ‘Louis? Teela?’
‘Ik weet iets af van antropologie,’ zei Louis.
‘Dan ben jij onze woordvoerder als we mensen ontmoeten. Laten we hopen dat onze autopiloot een goede vertaling kan geven. We zullen de eerste mensen die we aantreffen aanspreken.’
Het leek wel of ze nog maar net in de lucht waren toen het bos plaatsmaakte voor een dambord van akkers. Een paar seconden later kreeg Teela de stad in het oog.
Hij leek op de steden die in afgelopen eeuwen op de Aarde hadden gestaan. Er waren een heleboel gebouwen van een paar verdiepingen hoog, aaneengeregen tot een ononderbroken massa. Een paar lange slanke torens staken boven de massa uit, met elkaar verbonden door smalle draaiende banen voor grondwagens, en dat was zeker iets dat niet een kenmerk was geweest van Aardse steden. Die hadden in die tijd gebruik gemaakt van heliports.
‘Misschien is onze speurtocht hier wel ten einde,’ zei Spreker hoopvol.
‘Ik durf met je te wedden dat er niemand meer woont,’ zei Louis. Hij raadde alleen maar, maar hij had het wel bij het rechte eind. Het werd duidelijk toen ze eroverheen vlogen.
In zijn glorietijd moest de stad van een indrukwekkende schoonheid zijn geweest. Eén ding zou de afgunst hebben opgewekt van elke stad in de bekende ruimte. Een groot aantal gebouwen had namelijk niet op de grond gerust, maar gezweefd in de lucht, met de grond en met andere gebouwen verbonden door middel van wagenbanen en lifttorens. Vrij van de last der zwaartekracht, vrij van verticale en horizontale beperkingen; de zwevende droomkastelen hadden allerlei vormen en afmetingen gehad.
Nu vlogen vier vliegcyclettes over de ruïnes. Bij het neerstorten had elk zwevend gebouw gebouwen eronder verpletterd, zodat ze niets zagen dan vergruizelde steen en gebroken glas en beton, verwrongen staal, en kromme wagenbanen en lifttorens die nog steeds ten hemel reikten.
Toen Louis het zag moest hij weer aan de inheemsen denken. Menselijke architecten bouwden geen luchtkastelen, daarvoor hadden ze een veel te indringend besef van veiligheid.
‘Ze moeten allemaal tegelijk naar beneden zijn gestort,’ zei Nessus. ‘Ik zie geen spoor van pogingen om iets te repareren. Ongetwijfeld een storing in de energie die ze in de lucht hield. Spreker, zouden Kzinti zulke dwaze dingen bouwen?’
‘Wij zijn niet zo dol op hoog wonen,’ zei de Kzin. ‘Misschien zouden mensen het wel doen als ze niet zo dol waren op hun leven.’
‘Methusalixer!’ riep Louis opeens. ‘Dat is het antwoord. Ze hadden geen methusalixer.’
‘Ja, dat zou ze minder beducht voor hun veiligheid kunnen maken. Ze zouden minder leven te beschermen hebben,’ speculeerde de poppenspeler. ‘Dat klinkt onheilspellend, nietwaar? Als ze hun eigen leven minder hoog aanslaan, dan zal dat voor het onze ook wel gelden.’
‘Je ziet problemen waar er voorlopig nog geen zijn.’
‘We weten het gauw genoeg. Spreker, zie je dat laatste gebouw, hoog, crèmekleurig, met die gebroken ramen …’
Ze waren er overheen gegleden terwijl de poppenspeler sprak. Louis, wiens beurt het was om de cyclettes te besturen, draaide om om nog eens te kijken.
‘Ja, ik had gelijk. Zie je dat. Spreker? Rook.’
Het gebouw was een op artistieke wijze gebogen en gesculptureerde pilaar van twintig verdiepingen. De ramen waren rijen zwarte ovalen. De meeste ramen van de begane grond waren afgesloten. Door de paar die open stonden stroomde dunne grijze rook met de wind mee.
De toren stond enkeldiep tussen huizen van een of twee verdiepingen. Een rij ervan was platgewalst door een rollende cilinder die uit de hemel moest zijn komen vallen. Maar de voortrollende massa was uiteengevallen tot losse brokken beton voor het die ene toren had bereikt.
De achterkant van de toren was meteen de rand van de stad. Er voorbij zagen ze alleen maar vierkante en rechthoekige stukken akkerland. Mensachtige figuurtjes kwamen de stad inrennen terwijl de cyclettes even bleven hangen en toen langzaam naar de grond zakten.
Gebouwen die er van hoog boven de grond intact hadden uitgezien waren vlak boven de grond duidelijk ruïnes. Niets was onbeschadigd. Het wegvallen van de stroomvoorziening en de rampen die ermee gepaard gingen, moesten generaties geleden al hebben plaatsgevonden. Ze waren gevolgd door vandalisme, regen, de kleine vernielingen die werden aangericht door kleine levensvormen, het metaal was gaan oxideren, en nog iets. Iets dat ervoor had gezorgd dat dorpshopen uit het prehistorische verleden bewaard waren gebleven, zodat later archeologen erin konden rondneuzen.