Выбрать главу

De bewoners van deze stad hadden haar niet herbouwd na de ramp. Ze waren ook niet weggetrokken. In plaats daarvan waren ze in de ruïnes blijven wonen.

En het afval van hun bestaan had zich om hen heen opgehoopt. Afval. Lege dozen. Stof dat door de wind werd aangevoerd. Oneetbare voedselresten, botten, en dingen die op Aarde ‘wortelloof’ en ‘aardappelschillen’ zouden hebben geheten. Kapot gereedschap. Het accumuleerde zich als de mensen te lui waren of te hard moesten werken om het weg te halen. Het accumuleerde, en de rommel werd zachter en mengde zich dooreen, en de massa zakte ineen onder zijn eigen gewicht en werd nog verder samengeperst door zware voeten, jaar na jaar, generatie na generatie. De oorspronkelijke ingang van de toren was er al onder begraven, zo hoog was de grond nu al geworden. Toen de cyclettes zich neerzetten op samengepakte aarde, drie meter boven wat vroeger een parkeerterrein voor grote grondvoertuigen was geweest, kwamen vijf mensachtige inheemsen plechtig en waardig door een raam op de eerste verdieping schrijden.

Het raam was een dubbel erkerraam, meer dan groot genoeg voor een dergelijke processie. De onderlijst en bovenlijst waren versierd met tussen de dertig en de veertig menselijk uitziende schedels. Louis kon geen duidelijke bedoeling zien achter die manier van schikken.

De vijf liepen naar de cyclettes toe. Toen ze dichtbij waren, aarzelden ze, zichtbaar onzeker over wie nu de leider was van het viertal. Zij zagen er ook menselijk uit, maar niet heel erg menselijk. Het was wel duidelijk dat ze tot een volkomen onbekend ras behoorden.

Ze waren alle vijf minstens vijftien centimeter korter dan Louis Wu. Waar hun huid zichtbaar was, was hij licht, bijna spookachtig wit naast Teela’s noordse roze of Louis’ donkere geelbruin. Hun romp was kort, hun benen waren lang. Ze liepen met hun armen op precies dezelfde manier gevouwen, en hun vingers waren bijzonder lang, en liepen spits toe, zodat ze stuk voor stuk een geboren chirurg zouden zijn geweest in de tijd dat de mens nog aan chirurgie deed.

Hun haar was nog eigenaardiger dan hun handen. Bij alle vijf functionarissen had het dezelfde kleur: asblond. Hun haar en baard waren gekamd, maar niet geknipt of bewerkt, en achter die baard ging op hun ogen na hun hele gezicht schuil.

Natuurlijk zagen ze er allemaal hetzelfde uit.

‘Ze zijn zo harig!’ fluisterde Teela.

‘Blijf zitten op jullie cyclettes,’ beval Spreker zacht. ‘Wacht tot ze bij ons zijn. Ga er dan af. We hebben toch allemaal onze cornmunicatorschijven bij ons?’

Louis had de zijne aan de binnenkant van zijn linkerpols. De schijven stonden in verbinding met de autopiloot van de Leugenaar. Ze zouden op deze afstand nog goed moeten werken, en de autopiloot zou elke nieuwe taal moeten kunnen vertalen.

Maar ze konden de drigg dingen op geen enkele manier uitproberen, alleen door ze in de praktijk te gebruiken. En al die schedels …

Andere inheemsen stroomden nu ook het ex-parkeerterrein op. De meesten bleven staan toen ze de confrontatie die zo meteen zou plaatsvinden zagen, zodat zich een menigte vormde, een soort halve cirkel, op behoorlijke afstand van waar het gesprek plaats zou vinden. Een normale menigte zou hebben geroezemoesd: speculerend gepraat, en gissingen en onenigheid. Deze menigte was onnatuurlijk stil.

Misschien dwong de aanwezigheid van het publiek de vijf functionarissen wel tot een beslissing. Ze liepen op Louis Wu toe … Ze zagen er in feite niet alle vijf hetzelfde uit. Hun lengte was niet hetzelfde. Allemaal waren ze mager, maar een was er bijna een skelet en een had bijna spieren. Vier waren gekleed in vormeloze, bijna kleurloze bruine gewaden, een vijfde in een gewaad van dezelfde snit — uit een zelfde soort deken misschien? — maar de kleur ervan was verbleekt roze.

De man die Louis aansprak, was de dunste van de vijf. De rug van zijn hand was versierd met een blauwe getatoeëerde vogel. Louis antwoordde.

De getatoeëerde man hield een korte toespraak. Dat was een gelukje, want de autopiloot had gegevens nodig om met vertalen te kunnen beginnen.

Louis gaf weer antwoord.

Weer nam de getatoeëerde man het woord. Zijn vier metgezellen volhardden in hun stilzwijgen. Hetzelfde gold, ongelooflijk genoeg, voor de menigte.

Niet lang daarna kwamen er woorden en stukken van zinnen uit de schijven …

Later bedacht hij dat hij had moeten begrijpen wat het stilzwijgen van de menigte betekende. Het was hun houding die hem misleidde. De grote halve cirkel van de menigte, dan de vier harige mannen in hun mantels, op een rij, en de man met de hand met de tatoeage, die praatte.

‘We noemen de berg Vuist-van-God.’ Hij wees recht naar stuurboord. ‘Waarom? Waarom niet, als u me niet kwalijk neemt, architect.’ Hij moest de grote berg bedoelen, die ze achter zich hadden gelaten, naast het schip, en die nu volkomen onzichtbaar was door de heiige lucht, en de enorme afstand die ze hadden afgelegd. Louis luisterde, en kwam van alles te weten. De autopiloot was een heel geslaagde vertaler. Langzaam vormde zich een beeld, een beeld van een boerendorp te midden van de puinhopen van wat ooit een machtige stad was geweest …

‘Het is waar, Zignamuklikklik is niet meer zo groot als de stad vroeger was. Maar toch zijn onze woningen veel beter dan wat wij voor onszelf zouden kunnen maken. Ook als een dak openstaat naar de hemel, dan toch blijven de lager gelegen delen tijdens een korte regenbui droog. De gebouwen van deze stad zijn gemakkelijk warm te houden. En in tijden van oorlog zijn ze gemakkelijk te verdedigen. en moeilijk plat te branden.

En daarom, architect, gaan wij weliswaar ’s ochtends onze akkers bewerken, maar ’s avonds keren wij terug naar onze woningen aan de rand van Zignamuklikklik. Waarom zouden wij ons inspannen om betere behuizingen te bouwen als de oude ons beter van dienst zijn?’

Twee angstaanjagende buitenwerelders, en twee bijna mensen, zonder baarden en onnatuurlijk lang, alle vier op vleugelloze metalen vogels, en uit hun mond kwam onverstaanbaar geluid, en uit metalen schijven kwamen dingen die ze verstonden … geen wonder dat de inheemsen ze hadden aangezien voor de bouwers van de Ringwereld. Louis deed niets om ze deze gedachte uit hun hoofd te praten. Uitleggen waar ze vandaan kwamen en waarom ze hier waren zou dagen hebben gekost, en ze waren hier om te leren, niet om te onderwijzen.

Deze toren, architect, is onze regeringszetel. We voeren van hieruit het bewind over meer dan duizend mensen. Zouden we een beter paleis kunnen bouwen dan deze toren? We hebben de bovenste verdiepingen afgesloten, zodat de delen die wij gebruiken warm blijven. Een keer hebben we de toren verdedigd door puin van de hoogste verdiepingen te werpen. Ik weet nog wel dat ons ergste probleem onze hoogtevrees was …

Toch verlangen wij naar de terugkeer van de dagen van weleer, toen onze stad duizendmaal duizend mensen bevatte, en gebouwen zweefden in de lucht. Wij hopen dat u zult besluiten die dagen terug te brengen. De ouden zeggen dat in de dagen van verwondering deze wereld zelf was gebogen in de vorm die hij heden ten dage bezit. U wilt zich misschien verwaardigen te zeggen of dit waar is?’

‘Het is waar,’ zei Louis.

‘En komen die dagen ook terug?’

Louis gaf een antwoord dat, hoopte hij, zowel bevestigend als ontkennend kon worden uitgelegd. Hij voelde, of giste, dat de ander teleurgesteld was.

De uitdrukking op het gezicht van de harige man was niet gemakkelijk te lezen. Gebaren zijn een soort code, en de gebaren die deze man maakte waren anders dan die van een beschaving van Aardse origine. Platinakleurig haar in dichte krullen bedekte het gehele gezicht, afgezien van de ogen, die bruin waren, en zacht. Maar in de ogen ligt niet veel uitdrukking, ondanks het populaire bijgeloof.