Выбрать главу

Zijn stem was zacht en zangerig, bijna of hij verzen aan het reciteren was. De autopiloot vertaalde Louis’ woorden tot een soortgelijk zangerig geluid, al kreeg Louis de vertaling op normale gesprekstoon. Louis kon de andere schijven zachtjes horen fluiten en grauwen in de taal van Nessus en de Heldentaal.

Louis stelde vragen.

‘Neen, architect, we zijn geen bloeddorstig volk. Zelden slechts voeren wij oorlog. De schedels? Ze liggen overal waar je loopt in Zignamuklikklik. Ze hebben daar van de val van de stad af gelegen. Wij gebruiken ze bij wijze van versiering en om hun symbolische betekenis.’ Plechtig hief de man zijn hand op, de rug naar Louis, en liet het vogelsymbool zien.

En de hele menigte schreeuwde: ‘ — —!’

Het woord werd niet vertaald.

Het was de eerste keer dat iemand anders dan de man die steeds had gesproken iets had gezegd.

Louis had iets gemist, en hij wist het. Jammer genoeg was er geen tijd om zich daarover het hoofd te breken.

‘Laat ons een wonder zien,’ zei de woordvoerder. ‘We twijfelen niet aan uw macht. Maar wellicht komt u nimmer meer langs onze stad. Wij willen gaarne een herinnering hebben die wij kunnen doorgeven aan onze kinderen.’

Louis dacht na. Ze hadden al gevlogen als vogels; die truc zou geen tweede keer opgaan. Manna dan, uit de autokeuken? Maar zelfs Aardebewoners reageerden verschillend op hetzelfde voedsel. Het verschil tussen voedsel en afval was grotendeels cultureel bepaald. Sommigen aten sprinkhanen met honing, anderen geroosterde slakken, en wat voor de een kaas was, was voor de ander verrotte melk. Dat kon hij maar beter niet riskeren. De flitslicht laser dan?

Toen Louis zijn hand in de bagagezak van zijn cyclette stak, raakte de eerste rand van een schaduwvlak de rand van de zon. Duisternis zou zijn demonstratie nog indrukwekkender maken.

Met wijdopen diafragma en laag vermogen liet hij het licht eerst op de woordvoerder vallen, toen op de vier mederegeerders, en ten slotte op de gezichten van de menigte. Als ze onder de indruk waren dan wisten ze dat goed te verbergen. Louis liet niets blijken van zijn teleurstelling en richtte het licht hoger.

Het figuurtje dat hij zich tot doel had gekozen, stak uit het dak van de toren. Het was bijna een gemoderniseerde, surrealistische waterspuwer, zoals lang geleden de kerken op Aarde ze hadden gehad. Zijn wijsvinger verschoof, en de straal versmalde tot een potlooddunne streep groen licht. De waterspuwer had opeens een withete navel.

Louis wachtte op het applaus.

‘U vecht met licht,’ zei de man met de tatoeage. ‘Dat is toch zeker verboden!’

‘ — —!’ schreeuwde de menigte, en zweeg weer even plotseling. ‘Wisten het niet? Hoe kon u het niet weten? Hebt u dan niet de Boog opgericht ten teken van de Overeenkomst met de Mens?’

‘Welke boog bedoelt u?’

Het gezicht van de harige man was verborgen, maar zijn verbazing was duidelijk. ‘De Boog over de wereld, o Architect!’ Toen begreep Louis het pas. Hij schoot in de lach.

De harige man stompte hem onhandig in het gezicht.

De klap kwam niet hard aan, want de harige man was tenger gebouwd, en zijn handen waren fragiel. Maar het deed pijn. Louis was niet gewend aan pijn. De meeste mensen uit zijn eeuw hadden nooit meer pijn gevoeld dan wanneer je een teen stoot. Pijnstillende middelen waren daar te doeltreffend voor, en medische hulp was altijd dichtbij. Als je bij het skiën je been brak, ;. duurde de pijn meestal seconden, geen minuten, en de herinnering werd vaak weggedrukt als een onverdraaglijk trauma. Lang voor Louis Wu’s geboorte was kennis van vechtsporten als karate, judo, jiujitsu en boksen al illegaal. Louis Wu kon heel, heel slecht vechten. De dood kon hij onder ogen zien, maar pijn niet.

De klap deed pijn. Louis gilde en liet zijn flitslichtlaser vallen. Het publiek kwam op het viertal afgestormd. Tweehonderd harige mannen, dol van woede, werden duizend duivels, en het ging opeens helemaal niet zo leuk meer als even daarvoor.

De broodmagere woordvoerder had allebei zijn armen om Louis Wu heengeslagen, en hield hem met hysterische kracht vast. Louis, al even hysterisch, wrong zich in een krampachtige beweging los. Hij zat op zijn cyclette, zijn hand rustte al op de stijghendel, toen de rede het van de paniek won.

De andere cyclettes zaten aan de zijne gekoppeld. Als hij opsteeg, dan zouden zij hetzelfde doen, met of zonder hun passagiers. Louis keek om zich heen.

Teela Brown was al in de lucht. Ze keek naar beneden naar het gevecht, haar wenkbrauwen bezorgd gefronst. Ze had er niet aan gedacht te proberen of ze kon helpen.

Spreker was als een dolleman bezig. Hij had al een stuk of zes tegenstanders geveld. Terwijl Louis toekeek zwaaide de Kzin met zijn flitslichtlaser en verpletterde een schedel.

De harige mannen stonden in een aarzelende kring om hem heen. Langgevingerde handen probeerden Louis uit zijn stoel te trekken. En ze waren aan de winnende hand, al hield Louis met handen en voeten het zadel vast. Op het laatste ogenblik dacht hij er pas aan om zijn sonische capsule in te schakelen.

De inheemsen gilden toen ze weggedrukt werden.

Er zat nog steeds iemand op Louis’ rug. Louis trok hem los, liet hem vallen, zette de sonische capsule af en toen weer aan om hem weg te werken en keek om zich heen of hij Nessus zag.

De poppenbaas probeerde zijn cyclette te bereiken. De inheemsen schenen zijn vreemd uitziende lichaam te vrezen. Zijn weg werd maar door één man versperd; maar die man was wel gewapend met een metalen staaf uit een oude machine.

Toen Louis hen zag haalde de man al uit naar een hoofd van de poppenspeler.

Nessus’ hoofd ging met een ruk naar achteren. Hij draaide zich om op zijn voorbenen, zodat zijn rug naar het gevaar was gekeerd, maar hij ook zijn cyclette achter zich had.

De vluchtreflex van de poppenspeler had hem ten dode opgeschreven — tenzij Spreker of Louis hem op tijd te hulp konden komen. Louis deed zijn mond open om te schreeuwen, en de poppenspeler maakte zijn beweging af.

Louis deed zijn mond weer dicht.

De poppenspeler draaide zich opnieuw om, en vervolgde zijn weg naar zijn cyclette. Niemand probeerde hem tegen te houden. Zijn achterhoef liet bloedige sporen na op het opeengepakte vuil van het terrein.

Sprekers kring van bewonderaars was nog steeds buiten zijn bereik. De Kzin spuwde op de grond voor hun voeten — geen Kzinti gebaar, maar een menselijk — draaide zich om, en klom op zijn cyclette. Zijn flitslichtlaser zat tot aan de elleboog van zijn linkerhand onder het bloed.

De man die Nessus had proberen tegen te houden was blijven liggen waar hij in elkaar was gezakt. Om zijn lichaam vormde zich een grote plas bloed.

De anderen waren al in de lucht. Louis steeg op, achter ze aan. Op een afstand zag hij al wat Spreker aan het doen was, en hij riep: ‘Hou op! Dat is niet nodig.’

Spreker had het gewijzigde stuk graafgereedschap tevoorschijn gehaald, en zei: ‘Moet het dan nodig zijn?’

Maar hij had niet gedaan wat hij van plan was. ‘Niet doen,’ zei Louis smekend. ‘Het zou moord zijn. Hoe kunnen ze ons nu nog wat doen? Stenen naar ons gooien?’

‘Misschien gebruiken ze jouw flitslichtlaser wel tegen ons.’

‘Dat mogen ze helemaal niet. Er bestaat een taboe tegen.’

‘Dat zei die woordvoerder. Maar geloof jij hem?’

‘Ja.

Spreker borg het wapen weg en Louis slaakte een zucht van opluchting: hij had niet anders verwacht of de Kzin zou de stad met de grond gelijk hebben gemaakt. ‘Hoe zou zo’n taboe tot stand komen? Door een oorlog met energiewapens?’

‘Of door een bandiet die was gewapend met het laatste laserkanon van de Ringwereld. Jammer dat er niemand is aan wie we dat kunnen vragen.’

‘Je neus bloedt.’

Nu hij er zich rekenschap van gaf: Louis’ neus stak inderdaad pijnlijk. Hij koppelde zijn cyclette aan die van Spreker en begon medische spullen uit te pakken om er wat aan te doen. Onder hen woelde een kolkende, gefrustreerde lynchmenigte aan de rand van Zignamuklikklik.