Выбрать главу

‘Kan Teela Brown ons horen?’

‘Nee, natuurlijk niet. Naar de drigg met jou, Nessus! Wéét je eigenlijk wel wat je haar hebt aangedaan?’

‘Als je wist dat haar ego zou worden gekwetst, waarom zei je dam eigenlijk iets?’

Louis kreunde. Hij had een probleem opgelost, en de oplossing meteen onthuld. Het was niet in hem opgekomen, het zou nooit in hem zijn opgekomen, dat de oplossing beter verborgen had. kunnen blijven. Zo dacht hij niet.

‘Heb je je gedachten laten gaan over hoe we de expeditieleden:‘. weer kunnen verenigen?’

‘Ja,’ zei Louis, en verbrak de verbinding.

Daar mocht de poppenbaas even over zweten.

Het land helde weer omlaag en werd weer groen.

Ze vlogen over een tweede zee, en over een brede driehoekige rivierdelta. Maar de bedding was droog, en de delta ook. Veranderingen in de windrichting moesten de bron van het water hebben:’ doen opdrogen.

Toen Louis wat lager ging vliegen werd het duidelijk dat alle‘. grillige, kronkelige kanalen die samen de delta vormden permanent door het land waren getrokken. De kunstenaars van de Ringwereld hadden het niet genoeg gevonden om de rivier zijn eigen bedding te laten kiezen. En daarin hadden ze gelijk gehad: op de Ringwereld was de laag aarde daarvoor niet diep genoeg. Het aanleggen van een kunstmatige delta was noodzakelijk geweest. Maar de lege kanalen waren lelijk. Louis tuitte afkeurend zijn mend en vloog verder.

Tussenspel met zonnebloemen

Niet al te ver voor hen uit zag hij bergen.

Louis had de hele nacht en een flink stuk van de ochtend gevlogen. Hij wist niet zeker hoe lang. De roerloze zon, recht boven hem, was een psychologische val; hij comprimeerde de tijd of rekte hem uit, en Louis wist niet zeker welk van de twee het was. Emotioneel gezien was hij op dit ogenblik helemaal niet meer bij de zaak betrokken. Hij was de andere cyclettes bijna vergeten. Alleen boven een eindeloos, veranderend terrein vliegen was niet anders dan alleen in een enkelschip voorbij de bekende sterren vliegen. Louis Wu was alleen met het universum, en het universum was een stuk speelgoed voor Louis Wu. De belangrijkste vraag in zijn leven was geworden: is Louis Wu nog wel tevreden met zichzelf?’

Het kwam als een schok toen een gezicht met oranje bont boven het dashboard verscheen.

‘Je zult wel moe aan het worden zijn,’ zei de Kzin. ‘Wil je dat ik het van je overneem?’

‘Ik zou liever landen. Ik begin stijf te worden.’

‘Land dan maar. Ik laat mijn cyclette gekoppeld.’

‘Ik wil mijn gezelschap aan niemand opdringen.’ Toen Louis het zei, besefte hij dat hij het nog meende ook. De stemming van eenzame-piloot-tussen-de-sterren was maar al te gemakkelijk weer in hem opgekomen.

‘Denk je dat Teela je zal ontlopen? Misschien heb je daar wel gelijk in: ze heeft niet met mij willen spreken, al deel ik haar besef van schaamte en schande.’

‘Je neemt het te zwaar op. Nee, wacht, zet de intercom nou niet uit.’

‘Ik wil alleen zijn, Louis. De bladeter heeft mij op een afschuwelijke manier te schande gezet.’

‘Maar dat was zo lang geleden! Nee, niet afzetten, heb medelijden met een eenzame oude man. Heb je naar het landschap gekeken?’

‘Heb je de kale stukken ook gezien?’

‘Ja. Hier en daar heeft erosie de rotsen weggevreten, zodat de onvernietigbare Ringvloer bloot is gekomen. Iets moet de wind patronen helemaal in het honderd hebben gegooid, heel lang geleden. Dat soort erosie vindt niet van vandaag op morgen plaats, zelfs niet op de Ringwereld.’

‘Precies.’

‘Louis, hoe kon een beschaving van deze grootte, van deze macht, ooit ten val komen?’

‘Ik weet het niet. We moeten beseffen dat we er zelfs geen slag. naar kunnen slaan, zeker wij niet. Zelfs de poppenspelers hebben nooit het technologische niveau van de Ringwereld geëvenaard. Hoe kunnen wij dan zeggen door wat voor oorzaak ze kunnen zijn teruggeworpen tot het stenen vuistbijl niveau?’

‘We moeten meer van de bevolking te weten zien te komen,’ zei Spreker-tot-Dieren. ‘Wat we tot dusver hebben gezien, wijst erop dat ze de resten van de Leugenaar onmogelijk kunnen verplaatsen. We moeten anderen zoeken die dat wel kunnen.’

Dat was de opening waarop Louis had zitten wachten. ‘Ik heb daar een paar gedachten over — een doeltreffende manier om de inboorlingen aan te spreken, zo vaak we maar willen.’

‘Ja?’

‘Ik wil liever eerst landen voor we erover praten.’

‘Land dan maar.’

Bergen vormden een hoge, stoere keten, dwars over de route van de drie cyclettes. De toppen, en de passen ertussen glansden met een parelmoerige gloed die Louis herkende. De wind had over die toppen en er tussendoor gefloten en de rotsen weggeslepen, zodat de Ringvloer zichtbaar was geworden.

Louis liet de cyclettes zakken naar zacht glooiende heuvels. Zijn doel was de mond van een zilveren riviertje dat uit de bergen tevoorschijn kwam en in het bos verdween, een eindeloos lijkend bos, dat over de heuvels lag uitgespreid als een groene mantel.

Teela verscheen boven het dashboard. ‘Wat ben je aan het doen?’ snauwde ze.

‘Ik ga landen, want ik heb genoeg van vliegen. Maar hang niet op, ik wil graag m’n excuses aanbieden.’

Ze verbrak de verbinding.

Dat had ik kunnen verwachten,’ zei Louis in zichzelf, maar zonder veel overtuiging. In ieder geval zou ze nu meer zin hebben om te luisteren, nu ze wist dat een verontschuldiging op komst was.

‘Ik heb het idee gekregen toen ik al dat gepraat aanhoorde over “god spelen”,’ zei Louis. Helaas was Spreker de enige die luisterde. Teela was van haar cyclette geklommen, had hem één laaiende blik toegeworpen, en was weggebeend, het bos in.

Spreker knikte met zijn grote ruige oranje kop. Zijn oren maakten kleine beweginkjes, net kleine Chinese waaiers tussen nerveuze vingers.

‘We zijn redelijk veilig op deze wereld,’ zei Louis, ‘zolang we in de lucht blijven. Er is geen twijfel over mogelijk dat we onze bestemming kunnen bereiken. We zouden waarschijnlijk de randmuur wel kunnen bereiken zonder te hoeven landen, als dat nodig mocht blijken, of we zouden alleen kunnen landen waar de Ringvloer zichtbaar is. Er is geen roofdier dat het redt op dat spul. Maar we kunnen niet veel te weten komen zonder te landen. We willen van dit uit zijn krachten gegroeide stuk speelgoed af, en daartoe hebben we de hulp van de mensen van de Ringwereld nodig. Het ziet er nog steeds naar uit dat iemand de Leugenaar zeshonderdduizend kilometer lang dwars door het landschap zal moeten zeulen.’

‘Kom ter zake, Louis. Ik heb lichaamsbeweging nodig.’

‘Tegen de tijd dat we de randmuur bereiken zullen we een hoop méér van de Ringwerelders af dienen te weten dan nu.’

‘Dat valt niet te ontkennen.’

‘Waarom zouden we niet voor goden spelen?’

Spreker aarzelde. ‘Bedoel je dat werkelijk letterlijk?’

Tuurlijk. We zijn in de wieg gelegd voor de rol van Ringwereld architect. We hebben de vaardigheden en de vermogens die zij hadden niet, maar wat we wel hebben moet godachtig genoeg overkomen op de mensen die ons bezig zien. Jij mag de god zijn …’

‘Dank je.’

Teela en ik zijn acolieten. Van Nessus zou een goeie geketende demon te maken zijn.’

Sprekers nagels gleden uit zijn handen. Hij zei: ‘Maar Nessus is niet in ons gezelschap, en zo zal het ook blijven.’

‘Daar zit ’m de kneep. In …’

‘Ik ben niet bereid hierover in discussie te treden, Louis.’

‘Jammer nou. We hebben hem nodig om dat plannetje van mij te laten slagen.’

‘Dan moet je dat plannetje maar laten voor wat het is.’

Louis was nog steeds niet helemaal zeker van die nagels. Kon Spreker ze intrekken en te voorschijn laten komen, of was het een onwillekeurige uiting? In ieder geval zag hij ze nog steeds. Als ze via de intercom met elkaar hadden gesproken, dan zou Spreker nu zeker al de verbinding hebben verbroken.