En daarom had Louis met alle geweld willen landen.
‘Kijk nou es wat een schitterend slim plan het is! Jij zou een geweldige god zijn. Van een menselijk standpunt uit bezien ben je verdomd indrukwekkend — wat dat betreft zul je me gewoon moeten geloven, want het is écht zo.’
‘Waarom hebben we Nessus nodig?’
‘Voor de tasp, voor beloning en straf. Als god scheur je een twijfelaar aan stukken en repen, en eet je die op. Dat is de straf. Om iemand te belonen maak je gebruik van de tasp.’
‘Kunnen we niet zonder de tasp?’
‘Maar het is zo’n pracht manier om de gelovigen te belonen. Een schok van puur genot, recht naar de hersens. Geen bijverschijnselen. Geen kater. Ze zeggen dat een tasp beter is dan seks!’
‘Ethisch staat het me niets aan. De inheemse bevolking is maar menselijk hier, maar toch zou ik ze niet graag een verslaving aan een tasp bezorgen. Het zou genadiger zijn om ze te doden. In ieder geval werkt de tasp alleen maar tegen Kzinti, niet tegen mensen.’
‘Ik geloof dat je daarin ongelijk hebt. Ik ken Nessus. Of zijn tasp werkt op ons allebei, of hij heeft twee tasps. Ik zou hier niet zijn als hij geen manier had om mensen naar zijn hand te zetten.’
‘Je speculeert nogal wild.’
‘Zullen we hem oproepen en het vragen?’
‘Nee.’
‘Wat is er verkeerd aan om hem op te roepen?’
‘Het zou doelloos zijn.’
‘Dat was ik vergeten. Je bent niet nieuwsgierig.’ Aapjes-nieuws-gierigheid was bij de meeste bekende rassen niet erg sterk ontwikkeld.
‘Speelde je op mijn nieuwsgierigheid? Zo. Je probeerde me een bepaalde kant op te krijgen. Louis, de poppenspeler mag op eigen gelegenheid naar de randmuur. Tot dan blijft hij alleen.’
En voor Louis antwoord kon geven sprong de Kzin op en verdween in een struik elleboogwortel. Het maakte op even doeltreffende wijze een eind aan het gesprek alsof hij een intercom had afgezet.
Teela Browns wereld was om haar heen ingestort. Ze zat gierend te snikken, een hoopje ellende in een orgie van zelfmedelijden. Ze had een prachtig plekje gevonden om verdrietig te zijn.
De hoofdkleur was donkergroen. De begroeiing was weelderig en boven haar zo dik dat het licht van de zon werd gebroken en verstrooid. Maar meer naar beneden werd de plantengroei wat minder, zodat je gemakkelijk kon lopen. Het was een somber paradijs voor liefhebbers van de natuur.
Vlakke verticale rotswanden, permanent nat gehouden door een waterval, rezen op rond een diepe heldere poel. Teela bevond zich in de poel. Het vallende water overstemde het geluid van haar snikken bijna helemaal, maar de rotswanden versterkten het weer tot het wel leek of ze in een douchecabine stond te snikken, en de hele Natuur met haar mee huilde.
Ze had Louis Wu niet gezien.
Zelfs Teela Brown zou na een ongeluk dat haar tot schipbreukeling op een vreemde wereld maakte, niet ver gaan zonder haar eerstehulp-uitrusting. Het was een kleine platte doos aan haar riem, die was voorzien van een zoekcircuit. Louis had het signaal ervan gevolgd tot hij bij Teela’s kleren kwam, die in een hoopje op een vlakke plaat graniet aan de rand van de poel lagen. Donkergroen licht; het geluid van de waterval, en het galmende geluid van Teela’s snikken. Ze zat bijna onder het vallende water, op een steen of iets dergelijks, want haar armen en schouders waren boven water. Haar hoofd was voorovergebogen, en haar donkere haar hing voorover en bedekte haar gezicht.
Het had weinig zin om te wachten tot ze naar hem toekwam. Louis trok zijn kleren uit en legde ze naast de hare. Hij fronste zijn voorhoofd toen hij merkte hoe fris de lucht was, haalde zijn schouders op en dook het water in.
Meteen besefte hij zijn vergissing.
Als hij rondzwierf door de ruimte kwam Louis meestal geen werelden van het type van de Aarde tegen. En de werelden waarop hij landde waren meestal even beschaafd als de Aarde zelf. Louis was niet stom. Als het in hem was opgekomen zich eerst eens af te vragen wat de temperatuur van het water zou zijn …
Maar dat had hij niet.
Het water was smeltwater van de sneeuwkappen van de hogere bergen. Louis probeerde te gillen van de kou, maar zijn gezicht bevond zich al onder water. Hij had verstand genoeg om niet adem te halen.
Zijn hoofd kwam weer boven water. Hij spetterde en hijgde van de kou en omdat hij buiten adem was.
Toen begon hij het lekker te vinden.
Hij wist hoe hij moest watertrappen, al had hij dat geleerd in water dat heel wat warmer was. Hij bleef boven water, trapte ritmisch met zijn benen, voelde de stromingen van de neerstortende waterval over zijn huid strijken.
Teela had hem gezien. Ze zat onder de waterval, bewoog zich niet, wachtte. Louis zwom naar haar toe.
Hij zou in haar oren moeten schreeuwen om haar iets te kunnen zeggen. Excuses en liefdevolle woorden zouden misplaatst geweest zijn. Maar hij kon haar wel aanraken.
Ze dook niet weg. Maar ze boog haar hoofd, en haar haar verborg haar weer. Haar afwijzing was bijna telepathisch intens. Louis respecteerde dat.
Hij zwom in het rond, en gebruikte spieren die behoorlijk verkrampt waren geraakt na achttien uur op een vlieg cyclette. Het water was heerlijk. Maar na verloop van tijd hield de gevoelloosheid op, en begon het wat pijn te doen en Louis kwam tot de conclusie dat hij om een longontsteking vroeg als hij nog langer door ging.
Hij raakte Teela’s arm aan en wees naar de oever. Dit keer knikte ze en volgde hem.
Ze gingen naast de poel liggen, rillend van de kou, in elkaars armen, de thermo-overalls open geritst en om hen heen als dekens. Langzaam werden hun lichamen weer wat warmer.
‘Het spijt me dat ik gelachen heb,’ zei Louis.
Ze knikte, aanvaardde het feit dat hij haar zijn excuses aanbood, zonder hem te vergeven.
‘Het was écht grappig, weet je. De poppenspelers, de lafbekken van het heelal, die het lef hebben om mensen en Kzinti te fokken alsof het twee runder rassen zijn! Ze moeten hebben geweten wat voor risico’s ze namen.’ Hij wist dat hij te veel praatte, maar hij moest het uitleggen, moest zijn gedrag rechtvaardigen. ‘En kijk nou es wat ze hebben uitgevoerd! Een meer voor rede vatbare Kzin proberen te krijgen was niet zo’n slecht idee. Ik weet iets af van de Mens-Kzin oorlogen, en ik weet dat de Kzinti vroeger behoorlijk rauwe klanten waren. Sprekers voorouders zouden Zigna-muklikklik tot de grond, tot de Ringvloer toe hebben verwoest. Spreker hield zich in.’
‘Maar mensen fokken met meer geluk dan anderen …’
Jij denkt dat ze een fout maakten door me te maken tot wat ik ben.’
‘Driggit, denk je soms dat ik je probeer te beledigen? Ik probeer te zeggen dat het een amusante gedachte is. En dat de poppenspelers het doen is nog grappiger. En dus lachte ik.’
‘Verwacht je dat ik nu meegiechel?’
‘Dat zou te ver gaan.’
‘Oké.’
Ze haatte hem niet omdat hij had gelachen. Ze wilde worden getroost, ze wilde geen wraak. Ze wilde warmte, en die was er in de overalls en in twee lichamen dicht naast elkaar.
Louis begon Teela’s rug te aaien. Ze raakte er wat minder gespannen door.
‘Ik wil de expeditie graag weer bij elkaar krijgen,’ zei hij na een paar minuten. Hij voelde haar verstijven. ‘Dat idee staat je niet aan, hè?’
‘Nee.’
‘Nessus?’
‘Ik haat hem! Ik haat hem! Hij heeft mijn voorouders gefokt als — als beesten!’ Ze werd iets kalmer. ‘Maar Spreker zou hem toch uit de hemel schieten als hij probeerde terug te komen. Dus het is allemaal in orde.’
‘Als ik Spreker nu eens zover kreeg dat hij Nessus zich weer bij ons liet voegen?’
‘Hoe kun je dat dan?’
‘Als ik het nou es kon.’