Het beeld werd vager: Spreker was aan de andere kant van het gat. Eén arm had hij voor zijn gezicht geslagen. De pels ervan rookte, was zwart verkoold.
Onder de wegglijdende zilveren vlek was een helle vlek te zien op het wolkendek … alsof Spreker van onderen werd gevolgd door een zoeklicht.
‘Spreker!’ riep Teela. ‘Kun je nog zien?’
Spreker hoorde het en haalde zijn arm van voor zijn gezicht weg. De oranje pels was in een brede streep over zijn ogen intact. Verder was hij as-zwart. Spreker opende zijn ogen, deed ze weer dicht, en weer open. ‘Ik ben blind,’ zei hij.
‘Spreker!’ riep Louis. ‘Koppel je cyclette aan mij. We moeten dekking zoeken.’
Spreker tastte rond op zijn dashboard. ‘Gebeurd. Louis, wat voor dekking?’ Zijn stem klonk dik en verwrongen van pijn. ‘Terug naar de bergen.’
‘Nee. We zouden te veel tijd verliezen, Louis. Ik weet waardoor ik ben aangevallen. Als ik gelijk heb, dan zijn we veilig zolang we wolken boven ons hebben.’
‘O ja?’
‘Je zult een onderzoek moeten instellen.’
Jij hebt medische verzorging nodig.
Inderdaad, maar eerst moet je een veilige landingsplaats vinden. Je moet een plek zoeken waar het wolkendek het dichtst is …’
Het was niet donker hier, onder de wolken. Er kwam wat licht doorheen, en er werd genoeg licht weerkaatst naar Louis Wu. Het was fel, dat licht.
Het land was een golvende vlakte. En het was geen Ringvloer-materie, maar aarde en begroeiing.
Louis zakte nog lager, zijn ogen dichtgeknepen tegen het licht. Eén soort plant, gelijkmatig verspreid over het land, van hier tot aan de oneindigheid-horizon. Elke plant had één bloem, en al die bloemen draaiden naar Louis Wu toe en volgden hem. Een reusachtig publiek, stil en oplettend.
Hij landde en stapte van zijn cyclette, naast een van de planten. De plant was een goede dertig centimeter hoog. De stengel was groen en bobbelig, de ene bloem was zo groot als het gezicht van een forsgebouwde man. De achterkant ervan was doorschoten met harde draden, die wel wat weg hadden van aderen of pezen, en de binnenkant was een gladde holle spiegel. Midden in de spiegel bevond zich een korte stok, die uitliep in een donkergroene bol.
Alle bloemen, zover hij kon kijken, waren op hem gericht. Hij baadde in het felle licht. Louis wist dat ze hem probeerden te vermoorden, en hij keek nogal slecht op zijn gemak naar de hemel, maar het wolkendek bleef constant.
‘Je had gelijk,’ zei hij in zijn intercom. ‘Het zijn Slavendrijver-zonnebloemen. Als het wolkendek er niet geweest was, dan waren we dood geweest zodra we over de bergen waren gekomen.’
‘Is er een plek waar we ons kunnen verbergen tegen het licht? Een grot, bijvoorbeeld?’
‘Ik geloof het niet. Het land is te vlak. De zonnebloemen kunnen het licht niet al te nauwkeurig concentreren op één punt, maar er is ook zo al genoeg licht.’
‘Drigg nog aan toe, wat is er toch met jullie tweeën,’ interrumpeerde Teela. ‘Louis, we moeten landen! Spreker lijdt verschrikkelijk veel pijn!’
‘Dat is zo, Louis. Ik lijd pijn.’
‘Dan ben ik ervoor dat we het maar moeten riskeren. Kom maar naar beneden, jullie. We moeten maar hopen dat het wolkendek ongebroken blijft.’
‘Goed zo!’ Teela’s intercombeeld kwam in actie.
Louis zocht een paar minuten tussen de planten. Zijn vermoeden werd bevestigd: niets anders leefde waar deze zonnebloemen groeiden. Er groeiden geen kleinere planten tussen de stengels. Niets vloog rond, en niets groef er gaten in de asgrijze grond. Op de planten zelf was niets te zien, geen schimmel, geen ongedierte, geen ziekten. Als een zonnebloem door een kwaal werd getroffen, werd hij altijd vernietigd door de andere.
De spiegelbloem was een verschrikkelijk wapen. Het voornaamste doel ervan was het concentreren van het licht van de zon op de groene fotosynthetische kern in het midden. Maar het licht kon ook worden geconcentreerd ter vernietiging van een plantenetend dier of een insekt. De zonnebloemen verzengden al hun vijanden. Alles wat leeft is de vijand van een plant die fotosynthese gebruikt, en alles wat leefde werd organische mest voor de zonnebloemen. ‘Maar hoe zijn ze hier terechtgekomen?’ zei Louis tegen zichzelf. Want zonnebloemen konden niet naast andere, minder exotische planten bestaan. Zonnebloemen waren daar te agressief voor. En daarom konden ze niet tot de flora van de originele planeet van de Ringwerelders hebben behoord.
De bouwers van de Ringwereld moesten in naburige sterrenstelsels op jacht zijn gegaan naar nuttige of decoratieve planten.
Misschien waren ze zelfs wel tot Zilverogen gekomen, in de menselijke ruimte. En ze moesten hebben gedacht dat de zonnebloemen decoratief genoeg waren om ze hier op de Ringwereld neer te zetten.
Maar ze zouden er wel voor hebben gezorgd dat ze bleven waar ze waren. De eerste de beste idioot zou nog wel zoveel hersens hebben gehad dat hij daaraan dacht. Geef ze bijvoorbeeld een stuk grond met een hoge, brede rand kaal Ringvloer-materiaal eromheen. Dat zou ze wel binnenhouden.
‘Maar dat gebeurde niet. Op de een of andere manier is er een zaadje uitgekomen. Niemand kan zeggen over een hoe groot oppervlak ze zich nu al hebben verspreid,’ zei Louis tegen zichzelf. En rilde. Dit moest de ‘heldere plek’ zijn die hij en Nessus voor zich hadden gezien. Zover het oog reikte, werd de heerschappij van de zonnebloemen door niets dat leefde aangevochten.
Mettertijd, als ze die tijd kregen, zouden de zonnebloemen de heersers worden van de Ringwereld.
Maar dat zou een heleboel tijd kosten. En de Ringwereld was groot. Groot genoeg voor alles. En nog wat.
Droomkasteel
Louis, in gedachten verzonken, besefte maar half dat de andere twee cyclettes naast de zijne landden. Hij werd ruw uit zijn gepeins gerukt toen Spreker blafte: ‘Louis! Haal de Slavendrijver desintegrator uit mijn cyclette en maak er een hol mee waarin we ons kunnen verbergen. Teela, kom hier en verzorg mijn verwondingen.’
‘Een hol om ons in te verbergen?’
‘Ja. We moeten ons ingraven als dieren en wachten tot het nacht wordt.’
‘}ah.’ Louis schudde zichzelf in gedachten heen en weer. Spreker had daar niet aan moeten hoeven denken, gewond als hij was. Het lag voor de hand dat ze het niet konden riskeren dat er een gat viel in het wolkendek. Om hen te doden hadden de zonnebloemen slechts één lichtpunt nodig. Maar ’s nachts …
Louis vermeed het naar Spreker te kijken terwijl hij de cyclette doorzocht. Eén blik op de Kzin was al genoeg geweest. Het grootste deel van het lichaam was zwartverbrand. Vloeistof lekte door de olieachtige as die zijn pels was geweest. Helderrood vlees was te zien in brede kloven in de huid. De stank van verbrand haar was alomtegenwoordig.
Louis vond de desintegrator: een soort geweer met een dubbele loop en een vloeibaar uitziende kolf. Het wapen ernaast bracht een zure grijns op zijn gezicht. Als Spreker hem had aangeraden om de zonnebloemen weg te branden met zijn flitslichtlaser, dan zou hij dat waarschijnlijk nog hebben gedaan ook, zo was hij uit zijn gewone doen.
Hij pakte het wapen en liep snel weg, een vreemd gevoel in zijn maag. Hij schaamde zich voor zijn zwakheid, hij voelde mee met de pijn van Sprekers wonden. Teela, die niets afwist van pijn, kon Spreker beter helpen dan Louis.
Louis richtte het wapen dertig graden omlaag. Hij had de helm van zijn drukpak opgezet. Hij had geen haast, en haalde dus maar één schakelaar over.
Het gat vormde zich snel. Louis kon niet zien hoe snel, want het stof omhulde hem helemaal zodra hij de desintegrator aanzette. Een kleine orkaan woei hem tegemoet van waar de straal de grond raakte. Louis moest zich schrap zetten tegen de wind.
In de kegel van de straal werd het elektron een neutraal partikel. Grond en rots, tot atomen uiteen gescheurd door de wederzijds afstotende kracht van de kernen, woeien om hem heen in een monatomische stofstorm. Louis was blij dat hij de helm had opgezet.