Выбрать главу

Ten slotte zette hij de desintegrator af. Het gat zag er groot genoeg uit voor hen drieën en de cyclettes erbij.

Wat vlug, dacht hij. En vroeg zich af hoe snel het graven zou zijn gegaan met allebei de stralen aan. Maar dan zou er een elektrische stroom ontstaan, zoals Spreker het zo eufemistisch had uitgedrukt. En op het ogenblik was hij niet op zoek naar zoveel opwinding.

Teela en Spreker waren van hun cyclettes gestapt. Het grootste deel van Sprekers lichaam was nu van haar ontdaan. Een groot stuk oranje bevond zich nog op de plek waar hij zat, en een brede oranje streep liep dwars over zijn ogen. Elders was de naakte huid roodviolet doorschoten, en er waren tientallen diepe rode kloven te zien. Teela was hem aan het sprayen met iets dat wit schuimde waar het het lichaam raakte.

De stank van verbrand haar en vlees weerhield Louis ervan om te dichtbij te komen. ‘Het is gebeurd,’ zei hij.

De Kzin keek op. ‘Ik kan weer zien, Louis.’

‘Goed zo!’ Daar had hij zich zorgen over gemaakt.

‘De poppenspeler heeft mijn cyclette voorzien van medische apparatuur en geneesmiddelen van het leger, die veel en veel beter zijn dan wat de burger bij ons kan krijgen. Hij had geen toegang moeten hebben tot militaire voorraden.’ De Kzin klonk boos. Misschien verdacht hij Nessus wel van omkoperij, en misschien had hij wel gelijk ook.

‘Ik ga Nessus oproepen,’ zei Louis. En hij liep om het tweetal heen. De Kzin was nu van top tot teen gehuld in wit schuim. Hij stonk helemaal niet meer.

‘Ik weet waar je bent,’ zei hij tegen de poppenspeler.

‘Prachtig. Waar ben ik dan, Louis?’

‘Achter ons. Je maakte een bocht om ons heen zodra je uit het gezicht was verdwenen. Teela en Spreker weten het niet. Die kunnen niet denken zoals een poppenspeler denkt.’

‘Verwachten ze soms dat een poppenspeler de weg voor hen verkent?’

‘Misschien is het maar beter dat ze dat blijven denken. Hoe groot is de kans dat ze me toestemming geven om me weer bij hen te voegen?’

‘Nu nihil. Later misschien. Ik wil je even vertellen waarom ik je heb opgeroepen …’ En hij deed de poppenbaas verslag van het incident met de zonnebloem. Hij vertelde juist in detail hoe zwaar Spreker was gewond, toen Nessus’ platte gezicht buiten bereik van de intercomcamera schoot.

Louis wachtte een paar ogenblikken, maar toen de poppenspeler niet te voorschijn kwam, verbrak hij de verbinding. Hij was er zeker van dat Nessus niet erg lang katatonisch zou blijven. Daarvoor sprong hij te zinnig en te voorzichtig met zijn leven om.

Er waren nog tien uur daglicht over. Het drietal wachtte in de geul die Louis had gegraven tot het donker zou worden. Spreker sliep. Ze hadden hem getweeën naar de geul gebracht, en hem toen laten inslapen met een spray uit de meditas van de Kzin. Het witte spul had zich verdicht tot het aanvoelde als een kussen van schuimrubber.

‘De enige Kzin van elastiek,’ zei Teela.

Louis probeerde te slapen. Een tijdje doezelde hij half. Een keer werd hij half wakker, en zag helder daglicht en de scherpe schaduwen van de helling die over hem heenvielen. Hij bewoog even en viel toen weer in slaap.

En werd later met het koude zweet op zijn voorhoofd wakker. Schaduwen! Als hij rechtop was gaan zitten om te kijken, was hij levend gebraden!

Maar de wolken waren weer terug en vormden opnieuw een veilige beschutting tegen de moordlust van de zonnebloemen.

Ten slotte werd het aan één horizon duister. Toen de hemel donker werd, stond Louis op en maakte de anderen wakker.

Ze vlogen onder de wolken. Het was van essentieel belang dat ze de zonnebloemen bleven zien. Als het dag werd terwijl ze nog boven zonnebloemen vlogen, zouden ze zich een hele dag schuil moeten houden.

Af en toe liet Louis zijn cyclette wat langer zakken om beter te kunnen kijken. Een uur lang vlogen ze zo voort … en toen werd het tapijt van zonnebloemen dunner. Er kwam een stuk waar zonnebloemen schaars waren, half-volgroeide exemplaren tussen de zwartgeblakerde resten van een pas verbrand bos. Hier scheen gras te concurreren met de zonnebloemen.

Toen waren er geen zonnebloemen meer.

En Louis kon eindelijk slapen.

Hij sliep als een dode. Toen hij wakker werd, was het nog nacht. Hij keek om zich heen en zag een lichtje schitteren, voor hem uit, aan de draaiwaartse kant.

Versuft als hij was, dacht hij dat het wel een vuurvliegje zou zijn dat in de sonische capsule terechtgekomen was, of net zo iets even raars. Maar het lichtje was er nog steeds toen hij zich in zijn ogen had gewreven.

Hij drukte op de oproepknop voor Spreker.

Het lichtje kwam steeds dichterbij, werd ook steeds helderder. Tegen de duisternis van het nachtelijke landschap van de Ringwereld was het even helder alsof het het zonlicht weerkaatste. Geen zonnebloem. Niet ’s nachts.

Het zou een huis kunnen zijn, dacht Louis. Maar waar zou je je verlichting vandaan moeten halen? En een huis zou trouwens in een flits voorbij zijn geschoten. Met de kruissnelheid van de cyclettes was je in tweeëneenhalf uur aan de andere kant van het Noordamerikaanse continent op Aarde.

Het licht gleed rechts langs hen heen, en nog steeds had Spreker niet gereageerd op Louis’ oproep.

Louis maakte zijn cyclette uit de formatie los. Hij grinnikte in het duister. Achter hem was de vloot, nu bestuurd door Spreker (die net zolang had volgehouden tot hij zijn zin kreeg) nog maar twee cyclettes sterk. Louis dacht even na over welke van de twee van Spreker moest zijn en vloog erheen.

Schokgolven en de sonische capsule, vage contouren in het door de wolken verzwakte licht van de Boog, een netwerk van rechte lijnen die op één punt bij elkaar kwamen: Sprekers cyclette, en daarin Sprekers silhouet, dat wel gevangen leek in een Euclidisch spinneweb.

Louis was gevaarlijk dichtbij toen hij zijn zoeklicht aan en meteen weer uitdeed. In het duister zag hij het silhouet opeens tot leven komen. Hij stuurde zijn cyclette voorzichtig tussen de Kzin en de stip licht.

Weer zette hij zijn zoeklicht aan en uit.

Spreker zette zijn intercom aan. ‘Ja, Louis, ik zie het nu. Een verlicht iets, dat ons voorbij gaat.’

‘Laten we er dan naar gaan kijken.’

‘Goed.’ Spreker zette koers naar het licht.

Ze draaiden er in het donker omheen, als nieuwsgierige visjes om een zinkende bierfles. Het was een tien verdiepingen hoog kasteel dat driehonderd meter boven de grond zweefde, en het was helemaal verlicht, als het instrumentenpaneel van een oud raketschip. Eén enkele ruit, enorm groot en zo gebogen dat het tegelijkertijd wand en plafond was, gaf uitzicht op een ruimte ter grootte van een concertzaal. In de ruimte bevond zich een verhoogde ronde tafel, met een labyrint van eettafeltjes eromheen. Boven de tafels was er vijftien meter ruimte, leeg, afgezien van een vrije-vorm sculptuur in spandraad.

Het kwam altijd weer als een verrassing hoeveel ruimte ze hadden gehad op de Ringwereld. Op Aarde zou het een misdaad zijn om een voertuig van wat voor type dan ook te gebruiken zonder autopiloot. Een wagen die neerstortte zou altijd iemand doden, waar hij ook terechtkwam. Hier: duizenden kilometers wildernis, hele gebouwen die boven steden hingen, en ruimte voor gasten van vijftien meter lang.

Er was een stad onder het kasteel. Er was geen lichtje te bekennen. Spreker schoot er overheen als een neerduikende havik, verkende de gebouwen haastig in het blauwe licht van de Boog. Toen berichtte hij de twee anderen dat de stad veel weg had van Zigna-muklikkijk.

‘We kunnen na zonsondergang een nader onderzoek instellen,’ zei hij. ‘Ik geloof dat deze stadskern wel eens belangrijker zou kunnen zijn, en na de val van de beschaving niet is beroerd door vreemde handen.’

‘Het moet zijn eigen krachtbron hebben,’ zei Louis. ‘Ik vraag me af waarom. Dat ging niet op voor de gebouwen in Zigna-muklikklik.’