Выбрать главу

Teela liet haar cyclette recht onder het kasteel door schieten. Op de intercom werden haar ogen groot van verbazing, en ze riep: ‘Louis! Spreker! Jullie moeten hier eens naar komen kijken!’ Zonder er bij na te denken gleden ze achter haar aan. Louis schoot net naast haar langs toen hij zich opeens bewust werd van de verpletterende massa boven zijn hoofd.

De onderkant was voorzien van hele series ramen, en de onderkant was hoek, hoek, hoek. Het kasteel was op geen enkele manier aan de grond te zetten. Wie had het gebouwd, en hoe, zonder bodem? Beton en metaal, een asymmetrisch ontwerp, en wat de drigg hield het in de lucht? Louis’ maag protesteerde, en hij klemde zijn kaken op elkaar en bleef naast Teela hangen, onder een zwevende massa ter grootte van een behoorlijk interstellair passagiersschip.

Teela had een wonder gevonden: een verzonken zwembad, in de vorm van een badkuip en felverlicht. De glazen onderkant en de glazen zijkanten vormden de buitenzijde van het gebouw; afgezien van één wand die grensde aan een bar, of een woonvertrek, of … het was moeilijk te zeggen, door twee dikke lagen transparant materiaal heen.

Het zwembad stond droog. Op de bodem lag één groot skelet, dat wel leek op dat van een bandersnatch.

‘Ze hadden grote huisdieren,’ speculeerde Louis.

‘Is dat geen bandersnatch van Jinx? Mijn oom was jager,’ zei Teela. ‘Hij liet zijn trofeeënkamer inrichten binnen het skelet van een bandersnatch.’

‘Er zijn bandersnatchi op vele werelden,’ zei Louis. ‘Het waren voedseldieren van de Slavendrijvers. Ik zou niet erg verrast zijn als ik ze door het hele melkwegstelsel aantrof. De vraag is: wat maakte, of wat was de reden, dat de Ringwerelders ze hierheen brachten?’

‘Versiering,’ suggereerde Teela.

‘Ben je nou dol?’ Een bandersnatch zag eruit als een kruising tussen Moby Dick en een rupstractor.

Maar waarom ook niet? dacht Louis. Waarom zouden de bouwers van de Ringwereld geen tien, geen honderd sterrenstelsels kunnen hebben nageplozen op dingen waarmee ze hun kunstmatige wereld konden bevolken? Ze hadden gehypothetiseerd dat ze stuwschep-fusieaandrijvingen hadden gehad. En het kon toch niet anders of elk levend wezen op de Ringwereld was van ergens anders vandaan hierheen gebracht. Zonnebloemen. Bandersnatchi. Wat nog meer?

Vergeet het maar. Ze moesten recht naar de randmuur, en geen poging doen om een onderzoek naar iets in te stellen. Ze hadden al een afstand afgelegd die gelijk stond aan zes keer de omtrek van de Aarde. Finagle’s vuist, wat was er een hoop te zien!

Vreemd leven. (Tot nu toe ongevaarlijk.)

Zonnebloemen. (Spreker vlammend in het felle licht, krijsend in de intercom.)

Zwevende steden. (Die dood en verderf zaaiend neerstortten.) Bandersnatchi. (Intelligent en gevaarlijk. Hier zouden ze niet anders zijn. Bandersnatchi muteerden niet.)

En de dood? De dood was altijd hetzelfde, overal.

Weer draaiden ze om het kasteel heen, en keken of ze een opening konden vinden. Ramen zagen ze wel, in alle mogelijke vormen: rechthoekig, achthoekig en bellen en dikke platen in de vloer, maar ze waren allemaal dicht. Ze vonden een landingsklep voor vliegende voertuigen, met een grote deur die als een ophaalbrug kon worden neergelaten om er voertuigen op te laten landen, maar, net als een ophaalbrug, was de deur opgehaald, en dicht. Ze zagen ook een tientallen meters hoge wenteltrap, waarvan het onderstuk los in de lucht hing. Door onbekende oorzaken was het geheel verwrongen tot een massa doorgesneden balken en gebroken treden. De bovenkant zat vast aan de onderzijde van het kasteel, maar aan de bovenzijde liep de spiraal van de trap uit in een deur die er zeer gesloten uitzag.

‘Finagle hale ze! Ik ga een raam rammen,’ zei Teela.

‘Stop!’ zei Louis. Hij geloofde stellig dat ze dat zou doen ook. ‘Spreker, pak de desintegrator. Zorg dat we naar binnen kunnen komen.’

In het licht dat uit het grote raam kwam, haalde Spreker de desintegrator van de Slavendrijvers te voorschijn.

Louis wist hoe het ding werkte. Voorwerpen binnen een straal waarvan de breedte regelbaar was, kregen, opeens, een positieve lading die krachtig genoeg was om ze uit elkaar te scheuren. De poppenspelers hadden er een tweede straal bijgemaakt, die diende om de lading van het proton te onderdrukken. Louis had die tweede straal niet gebruikt om het gat te graven, en hij wist da het ook hier niet nodig zou zijn om ze allebei tegelijk te gebruiken. Hij had kunnen raden dat Spreker er toch gebruik van zo maken.

Twee punten, een paar centimeter van elkaar, op het grote acht hoekige raam kregen opeens een tegenovergestelde lading, met een potentiaal verschil ertussen.

De lichtflits was verblindend. Louis kneep zijn ogen stijf dicht tegen het licht en de pijn. Het gedaver van de donder kwam tegelijkertijd, en was oorverdovend, zelfs door de sonische capsule heen. In de dreunende stilte die erop volgde, voelde Louis hoe grove deeltjes in een dikke laag op zijn nek en zijn schouders terechtkwamen. Hij hield zijn ogen dicht.

‘Je moest ze zo nodig allebei gebruiken,’ zei hij.

‘Het apparaat werkt heel goed. We zullen er veel aan hebben.’

‘Veel plezier op je verjaardag met je kadootje. Maar richt het kadootje niet op papa, anders wordt papa heel boos.’

‘Geen misplaatste scherts, Louis.’

Zijn ogen hadden zich wat hersteld. Toen Louis om zich heen keek zag hij dat miljoenen minuscule stukjes glas op hem en zijn cyclette terecht waren gekomen. De sonische capsule moest ze eerst hebben tegengehouden en daarna hebben doorgelaten, waarna ze in een dikke laag op elk horizontaal oppervlak terecht waren gekomen.

Teela gleed al de concertzaal in. Ze vlogen haar achterna …

Louis werd langzaam wakker. Hij voelde zich geweldig. Hij lag op zijn arm, op iets zachts. Zijn arm sliep.

Hij draaide zich om en deed zijn ogen open.

Hij lag in een bed en keek naar een hoog wit plafond. Een hard voorwerp onder zijn ribben bleek Teela’s voet te zijn.

Nou zeg! Ze hadden het bed gisteravond gevonden, een bed ter grootte van een minigolfbaan, in wat de kelders zouden zijn geweest in een minder ongewoon kasteel.

Maar toen hadden ze ook al andere wonderen gevonden.

Het kasteel was inderdaad een kasteel, en niet zomaar een duur elite-hotel. Een banketzaal met een glazen wand van vijftien meter hoog was verrassend genoeg. Maar de tafels stonden om een tafel in het midden heen, een tafel die rond was, en op een verhoogd stuk stond. De ring van tafels stond om een gebeeldhouwde stoel met een hoge rug heen, die zo groot was als een troon. Teela had met allerlei dingen geëxperimenteerd en ontdekt hoe ze de zetel tot halverwege het plafond kon laten stijgen, en hoe ze de stem van degene die in de zetel zat, kon versterken tot een donderend bevelend gebulder. De stoel kon draaien, en als dat gebeurde, draaide de sculptuur erboven mee.

De sculptuur was uitgevoerd in spandraad, heel licht, en bestond voor het grootste deel uit lege lucht. Het had abstract geleken tot Teela het had laten draaien. Toen was het heel duidelijk een portret.

Het in spandraad uitgevoerde hoofd van een volkomen haarloze man.

Was hij iemand geweest die hier thuis hoorde, en had hij behoord tot een groep die zijn gezicht en hoofdhuid kaalschoor? Of was het een lid geweest van een ras dat van een heel ander oord afkomstig was, ver hier vandaan op de Boog van de Ring? Misschien zouden ze het wel nooit te weten komen. Maar het gezicht was zeer zeker dat van een mens: knap, hoekig, het gezicht van iemand die gewend was te bevelen.

Louis keek naar het plafond en stelde zich het gezicht voor. Het geven van bevelen, het dragen van gezag had lijnen gesleten in het gezicht, en op de een of andere manier had de kunstenaar die lijnen weten te verwerken in het spandraad.

Dit kasteel was een regeringscentrum geweest. Alles wees daarop: de troon, de grote zaal, de unieke ramen, het zwevende kasteel zelf met zijn onafhankelijke energievoorziening. Maar wat voor Louis Wu de doorslag gaf, was het gezicht.