Daarna hadden ze door het kasteel gedwaald. Overal hadden ze weelderig versierde, prachtig ontworpen trappen gezien. Maar bewegen deden ze niet. Nergens waren er roltrappen, liften, glij-trottoirs, valkokers. Misschien hadden de trappen zelf ooit bewogen.
Daarom was het drietal van lieverlee steeds lager gekomen, omdat dat gemakkelijker ging dan klimmen. Onderin het kasteel hadden ze de slaapkamer gevonden.
Eindeloze dagen slapen in cyclette-stoelen, gemeenschap hebben als de vloot weer eens landde, als hij landde, dat alles had ervoor gezorgd dat Teela en Louis Wu er geen weerstand aan hadden kunnen bieden. Ze hadden Spreker verlaten, en hij had zijn speurtocht alleen voortgezet.
Wie weet wat hij nu allemaal had gevonden.
Louis leunde op een elleboog. De dode hand kwam langzaam weer tot leven. Hij zorgde ervoor geen abrupte bewegingen ermee te maken. Dat gebeurt nooit met slaapplaten, dacht hij, maar wat de drigg … het is in ieder geval een bed …
Een glazen wand van de slaapkamer kwam uit op een lege bak waar vroeger water in gezeten moest hebben. De witte botten van een bandersnatch, lege ogen in een lepelvormige schedel, keken hem aan, gevat in een raam van glazen wanden en een glazen vloer.
De wand ertegenover, ook al doorzichtig, bood uitzicht op de stad, driehonderd meter lager.
Louis draaide zich drie keer om en liet zich van de rand van het bed vallen. De vloer was zacht, bedekt met een bontvacht waarvan de kleur en het uiterlijk op verontrustende wijze leken op de baard van een Ringwerelder. Louis liep naar het raam en keek naar buiten.
(Iets beïnvloedde wat hij zag, net een miniem geflikker op een 3-D scherm. Hij besefte het niet eens bewust. Maar ergerlijk was het wel.)
Onder een witte, detailloze hemel, vertoonde de stad alle nuances van grijs. Het grootste deel van de gebouwen was hoog, maar een handjevol was hoog genoeg om de andere klein te laten lijken. Een paar waren er zelfs hoger dan de onderkant van dit zwevende kasteel. Er waren andere zwevende gebouwen geweest. Louis kon de littekens nog zien, brede gaten in het gezicht van de stad, waar duizenden tonnen steen te pletter waren geslagen. Maar dit ene droom kasteel had zijn eigen onafhankelijke energievoorziening gehad. En een slaapkamer die groot genoeg was voor een behoorlijke orgie. En een reusachtige ruit waardoorheen een sultan zijn domein in ogenschouw kon nemen, zijn onderdanen kon zien als de mieren die ze waren.
‘Dit oord moet zeer hubris-bevorderend zijn geweest,’ zei Louis Wu.
Iets trok zijn aandacht. Iets dat heen en weer bewoog aan de andere kant van het raam.
Draad. Een stuk was op een uitstekende lijst terechtgekomen, maar er kwam meer en meer uit de hemel zetten. Grove draad. Hij kon de twee einden over de rand naar beneden zien hangen, tot aan de stad toe. Het draad moest al net zo lang vallen als hij uit het raam keek. En hij had zich er net aan geërgerd dat hij iets zag dat hij niet goed kon thuisbrengen.
Louis wist niet waar het draad vandaan kwam, en het kon hem ook niet zoveel schelen. Het was iets moois. Hij lag naakt op zijn rug op het kamerbrede tapijt en keek hoe het draad langs zijn raam gleed. Hij voelde zich veilig en uitgerust, misschien wel voor het eerst sinds een röntgenlaser de Leugenaar had getroffen.
Het draad zakte eindeloos omlaag, uit een grijswitte hemel kwam lus na lus naar de aarde. Het was zo dun dat het af en toe onzichtbaar werd. Hoe lang? Hoeveel sneeuwvlokken zijn er in een sneeuwstorm?
Opeens herkende hij het.
‘Leuk je weer te zien,’ zei hij. Maar hij was wel geschokt. Schaduwvlakdraad. Het had ze hierheen gevolgd.
Louis klauterde vijf trappen op om te zien of hij iets te eten kon vinden.
Hij verwachtte uiteraard niet dat de keuken zou werkei. Hij zocht naar de banketzaal, maar vond in plaats daarvan de keuken.
Dat vormde een bevestiging van gedachten die hij al eerder had gehad. Een autocraat is geen autocraat zonder bedienden, en er waren hier heel wat bedienden geweest. De keuken was enorm groot. Er moest een half regiment meester-koks in hebben gewerkt, ieder met zijn eigen bedienden om de opgediende schotels naar de banketzaal te brengen, de vuile borden mee terug te nemen, allerlei dingetjes te doen.
Er waren bakken waarin verse vruchten hadden gezeten, en groenten, en waar nu stof en pitten en verdroogde vellen en schimmel in zaten. Er was een koelkamer waar karkassen gehangen hadden, maar die nu leeg en warm was. Er was een vrieskast, die nog steeds werkte. Op de planken lag voedsel, en een deel ervan zou nog eetbaar kunnen zijn, maar dat risico was Louis niet bereid te nemen.
Er waren geen blikken.
Uit de kranen kwam geen water.
Behalve de vrieskast was er geen machine die meer complex was dan een deurkruk. Geen temperatuurindicators, geen tijdklokken op de ovens. Niets dat het equivalent kon zijn van een gewone broodrooster. Draden hingen boven het fornuis, er zaten wat korreltjes vuil aan. Vuil? Verse kruiderij? Geen kruidenflesjes?
Louis keek één keer om zich heen voor hij wegging. Anders was de waarheid hem misschien ontgaan.
Dit vertrek was niet altijd een keuken geweest.
Wat dan? Een voorraadkamer? Een 3-D kamer? Waarschijnlijk het tweede. Een wand was volkomen glad, en in één kleur geschilderd, en de verf zag er nieuwer uit dan op de andere wanden, en er waren beschadigingen op de vloer waar waarschijnlijk stoelen en banken waren verwijderd.
Zo zo. Het was dus een ontspanningszaal geweest. Misschien was later de wandprojector kapotgegaan, en wist niemand meer hoe hij moest worden gerepareerd. Later was met de autokeuken hetzelfde gebeurd.
En daarom was de 3-D kamer omgebouwd tot een keuken-met-handbediening. Als niemand meer wist hoe je een autokeuken moest repareren, moest dat soort primitievere keukens veel zijn voorgekomen. Voedsel was met vliegwagens van de grond naar het kasteel getransporteerd.
En toen de vliegwagens het begaven, één voor één …? Louis liep het vertrek uit.
Ten slotte wist hij de banketzaal dan toch te vinden, en de enige betrouwbare voedselbron in het kasteel. Daar ontbeet hij met een blok uit de keukenschuif van zijn cyclette.
Hij kauwde net de laatste hap weg toen Spreker binnenkwam. De Kzin moest halfverhongerd zijn geweest. Hij liep meteen naar zijn cyclette, draaide drie natte donkerrode blokken en slokte ze in negen happen naar binnen. Pas toen draaide hij zich om en keek naar Louis.
Hij was niet langer spookachtig wit. Ergens tijdens de nacht had het genezende schuim dat werkje afgerond en was afgevallen. Zijn huid was glanzend roze en zag er gezond uit (als roze een gezonde huidskleur was voor een Kzin), met een paar ribbels grijs littekenweefsel, en een uitgebreid netwerk van paarse aderen.
‘Kom mee,’ gelastte de Kzin. ‘Ik heb een kaartenkamer gevonden.’
De kaartenkamer
De kaartenkamer bevond zich helemaal bovenin het kasteel, in overeenstemming met het belang van het vertrek. Louis hijgde behoorlijk van de klim. Hij had de grootste moeite gehad om Spreker bij te houden. De Kzin rende niet, maar hij liep wel harder dan een mens kon lopen.
Louis was net boven aan de laatste trap toen Spreker door een dubbele deur voor hen stapte.
Door het gat zag Louis een horizontale strook gitzwart, twintig centimeter breed, en een meter van de grond. Hij keek er voorbij, zocht naar een soortgelijke strook ertegenover, maar dan lichtblauw met donkerblauw geblokt, en die was er.
Bingo.
Louis bleef in de deuropening staan en nam de details in zich op. De miniatuur-Ringwereld was bijna even groot als het vertrek zelf, en dat was rond en had een diameter van zo om en nabij de veertig meter. Middenin de hoepel stond een rechthoekig scherm op een zware stellage, het scherm zelf van de deur afgewend, maar het was wel duidelijk dat het kon draaien.
Hoog aan de muren hingen tien draaiende bollen. Ze waren niet allemaal even groot, en ook de snelheid waarmee ze draaiden was verschillend, maar ze waren allemaal wel van de karakteristieke kleur van een wereld als de Aarde: diepblauw met warrelende witte glazuur. Onder elke bol stond een kegelvormige deelkaart. ‘Ik heb hier de nacht doorgebracht met werken,’ zei Spreker. Hij stond achter het scherm. ‘Ik moet je een heleboel dingen laten zien. Kom hier.’