‘Zullen we van reisdoel veranderen?’
‘Kunnen we niet. De ruimtehaven is nog steeds onze beste kans.’
‘O ja?’
‘Ja, driggit! Hoe groot de Ringwereld ook is, het is een kolonie-wereld. En op een koloniewereld concentreert de beschaving zich altijd om de ruimtehaven heen.’
‘Omdat er ruimteschepen van de moederwereld komen, met nieuws over technologische uitvindingen. We gaan van de veronderstelling uit dat de Ringwerelders hun thuiswereld hebben verlaten.’
‘Maar er kunnen toch nog steeds schepen binnenkomen?’ zei Louis koppig. ‘Van die verlaten werelden! Van eeuwen geleden! Stuwrobots zijn onderworpen aan de relativiteit, aan de uitrekking van de tijd.’
Waar jij op hoopt zijn oude ruimtevaarders die de oude vaardigheden proberen door te geven aan wilden die ze zijn vergeten,’ zei Spreker. ‘En misschien heb je wel gelijk ook. Maar ik krijg nu wel genoeg van dit oord, en de ruimtehaven is erg ver. Wat kan ik je nog meer laten zien op het kaartscherm?’
‘Hoe ver zijn we gekomen na ons vertrek van de plek waar de Leugenaar uiteindelijk terecht is gekomen?’ vroeg Louis opeens. ‘Ik heb je al verteld dat ik het landingsspoor dat we hebben getrokken niet heb kunnen vinden. Jouw gissing is even nauwkeurig als de mijne. Maar ik weet wel hoever we nog te gaan hebben. Van het kasteel naar de randmuur is het ongeveer driehonderdduizend kilometer.’
‘Een heel eind … Maar je moet de berg toch hebben gezien?’
‘Nee.’
‘De grote. Vuist-van-God. We zijn zo ongeveer op de helling er van terechtgekomen.’
‘Nee.’
‘Dat staat me niet aan. Spreker, kunnen we op de een of andere manier uit de koers zijn geraakt? Je zou Vuist-van-God gewoon moeten hebben kunnen vinden door op de kaart naar stuurboord terug te gaan.’
‘Maar dat heb ik niet gedaan,’ zei Spreker met een resoluutheid die verried dat hiermee de zaak wat hem betrof was afgedaan. ‘Wil je nog iets zien? Er zijn bijvoorbeeld lege stukken. Waarschijnlijk zijn die alleen maar het gevolg van slijtage in de band, maar ik vroeg me af of het geen geheime oorden op de Ringwereld zouden kunnen zijn die zo aan nieuwsgierige blikken worden onttrokken.’
‘Maar we zouden er zelf heen moeten gaan om te zien hoe de zaak in elkaar zit.’
Spreker draaide zich opeens om naar de dubbele deur, zijn oren als waaiers uitgespreid. Zonder iets te zeggen liet hij zich op handen en voeten zakken, en sprong.
Louis knipperde met zijn ogen. Wat kon dat nu weer teweeggebracht hebben. En toen hoorde hij het…
Gezien haar leeftijd was de machinerie van het kasteel heel stil geweest. Nu hoorde hij een zacht gezoem buiten de dubbele deuren. Spreker was uit het gezicht verdwenen. Louis trok zijn flitslicht-laser en liep behoedzaam achter hem aan.
Hij vond de Kzin bovenaan de trap. Hij stak zijn wapen weg en samen keken ze toe hoe Teela naar boven kwam glijden.
‘Ze gaan alleen maar naar boven,’ zei ze. ‘Niet naar beneden. En tussen de eerste verdieping en de zesde doen ze het helemaal niet.’
Louis stelde de voor de hand liggende vraag. ‘Hoe zorg je ervoor dat ze bewegen?’
‘Je pakt gewoon de leuning beet en duwt ’m naar voren. Op die manier doet-ie het niet als je je niet eerst stevig hebt verankerd. Veiliger. Ik kwam er maar toevallig achter.’
‘Ja, dat zal wel. Vanochtend heb ik tien trappen geklommen. Hoeveel heb jij d’r gedaan voor je dit ontdekte?’
‘Geeneen. Ik was net op weg naar boven om m’n ontbijt te gaan halen toen ik over de eerste trede struikelde en naar de leuning graaide.’
‘Precies. Het klopt weer es.’
Teela keek gekwetst. ‘Het is mijn schuld niet als je …’
‘Sorry. Ben je toen je ontbijt nog gaan halen?’
‘Nee. Ik heb gekeken naar de mensen die onder ons heen en weer lopen. Wist je dat er een groot plein net onder het gebouw is?’
Sprekers oren gingen wijd open. ‘Is het werkelijk? En het is niet verlaten?’
‘Nee. Ze komen van alle kanten aanlopen, de hele ochtend al. Er moeten er nu wel honderden zijn.’ Ze glimlachte als de dageraad. ‘En ze zingen.’
Er waren brede nissen in alle gangen van het kasteel. Elk van deze alkoven was voorzien van kleedjes en banken en tafeltjes, blijkbaar om ervoor te zorgen dat een groep wandelaars de maaltijd kon gebruiken wanneer en waar ze maar wilden. In één ‘eethoek’, vlak bij de ‘kelderverdieping’ van het kasteel, was een lang raam, dat een hoek van negentig graden had, zodat het deel uitmaakte van wand én vloer.
Louis hijgde een beetje van het tien trappen omlaag moeten lopen. De eettafel fascineerde hem. De bovenkant leek wel gebeeldhouwd, maar de aangebrachte contouren hadden een vorm en waren over de tafel verspreid op een manier die soepborden, slabakjes, of houders voor de onderkant van een mok suggereerde. Tientallen, misschien wel honderden jaren gebruik hadden duidelijke sporen achtergelaten op het harde witte materiaal.
‘Je zou geen borden gebruiken,’ zei Louis, hardop denkend. ‘Je zou het voedsel opdienen in de uithollingen, en de tafel later afspuiten.’
Het leek niet zo fris, maar …? ‘Ze zullen wel geen vliegen of muggen of wolven hebben meegebracht. Waarom dan wel bacteriën?’
‘Onschadelijke bacteriën,’ beantwoordde hij zijn eigen vraag. ‘Voor in het darmkanaal. En als één soort muteerde, de gastheer aanviel …’ Er zou dan natuurlijk allang geen immuniteit tegen een ziekte meer bestaan. Was de Ringwereld-beschaving op die manier ten onder gegaan? Elke beschaving heeft een bepaald minimum aan leden nodig, anders zakt ze ineen.
Teela en Spreker besteedden geen aandacht aan hem. Ze zaten in de knik van het raam geknield en keken omlaag. Louis liep hen toe.
‘Ze zijn nog steeds bezig,’ zei Teela. En dat waren ze inderdaad.: Louis schatte dat zo’n duizend mensen naar hen opkeken. Ze zongen niet meer.
‘Ze kunnen écht niet weten dat we hier zijn,’ zei hij.
‘Misschien vereren ze het gebouw wel,’ suggereerde Spreker. ‘Maar dan nog kunnen ze dat niet elke dag doen. We zijn te ver van de rand van de stad vandaan. Ze zouden de velden niet kunnen bereiken.’
‘Misschien zijn we toevallig gearriveerd op een bijzondere dag, de heilige dag.’
‘Misschien is er gisteravond wel iets gebeurd,’ zei Teela. ‘Iets bijzonders. Wij bijvoorbeeld, als iemand ons toch heeft gezien. Of dat spul daar.’ Ze wees.
‘Daar heb ik ook al over nagedacht,’ zei Spreker. ‘Hoe lang valt het al?’
‘Van het ogenblik dat ik wakker ben geworden vanochtend, en :? wie weet hoe lang daarvóór al. Draad van de schaduwvlakken, kilometers draad. Waarom denk je dat het hier terecht is gekomen?’
Louis dacht aan de negen miljoen kilometer tussen twee schaduwvlakken … aan een hele negen miljoen kilometer lange draad,. losgerukt door de kracht van de botsing met de Leugenaar … met de Leugenaar neervallend naar de Ringwereld zelf, op bijna dezelfde koers. Het was nauwelijks verbazingwekkend dat ze nu over een stuk van dat enorme stuk draad waren gestruikeld.
Maar hij was niet in de stemming voor lange verklaringen. ‘Toeval,’ zei hij.
‘Als de architecten van de Ringwereld nu eens vandaag zouden verschijnen,’ zei de Kzin langzaam, ‘omlaag zwevend uit dit zwevende kasteel, dan zou men eerder begrijpend knikken dan verbaasd zijn. Louis, zullen we dat idee van jou over god-met-zijn-acolieten eens in de praktijk brengen?’
Louis keek naar de Kzin, zag de bekende roze-met-lavendel huid, het kussentje haar dat er speciaal scheen te groeien om op te zitten, het domino masker in oranje bont over de ogen, deed zijn ;y mond open om antwoord te geven, en rolde het volgende ogenblik amechtig van het lachen over de vloer.
Toen hij bijgekomen was, een paar minuten later, zei hij, nog nahikkend: ‘Ik bedoelde een soort oorlogsgod. Jij bent nou gewoon niet indrukwekkend genoeg om voor god te spelen. Niet tot je weer haar hebt.’