‘Apen bijvoorbeeld — primaten — en Neanderthalers …?’ Louis maakte een kappend gebaar met zijn hand. ‘Het is alleen maar speculatie, het is niet iets dat we hoeven te weten.’
‘Akkoord.’ De poppenspeler kauwde onder het praten op een blok groente uit zijn autokeuken. ‘De ellipsvormige route van de Pionier was meer dan driehonderd lichtjaren lang. Tijdens één zo’n reis was er tijd genoeg voor ingrijpende veranderingen, hoewel die zeldzaam waren. De maatschappij waarin Frill leefde was heel stabiel.’
‘Waarom is ze er zo zeker van dat de hele Ringwereld weggezakt is in chaos? Hoe groot is het gebied dat ze hebben verkend?’
‘Heel klein, maar groot genoeg. Frill heeft gelijk. De cziltang brone zal nooit meer worden gerepareerd. De hele Ringwereld moet nu barbaars geworden zijn.’
‘Hoe?’
‘Prill probeerde me uit te leggen wat hier is gebeurd. Haar is het weer verteld door een van de leden van de bemanning van de Pionier. Hij had de zaak natuurlijk overgesimplificeerd. Misschien was het allemaal al jaren voor het vertrek van de Pionier op haar laatste omloop begonnen …’
Er waren tien bewoonde werelden geweest. Toen de Ringwereld klaar was, waren ze verlaten om verder te bestaan zonder de aanwezigheid van de mens.
Stel je zo’n wereld eens voor:
Het land is overdekt met steden in alle stadia van ontwikkeling.
Misschien hadden ze wel geen achterbuurten meer, maar ergens zijn die er nog wel, al was het alleen maar uit historisch belang. Overal kun je de bijprodukten van een beschaving vinden: gebruikte verpakkingen, kapotte machines, beschadigde boeken of filmcassettes of rollen, alles wat alleen met verlies opnieuw kan worden gebruikt of verwerkt, en ook een heleboel dingen waarvoor het tegendeel geldt. De zeeën zijn honderdduizenden jaren lang gebruikt als vuilnisvat. Tegen het eind dumpten ze er onbruikbare radioactieve eindprodukten van kernsplitsingsprocessen in.
Is het dan zo vreemd wanneer het leven in de zee zich aanpast aan de nieuwe omstandigheden?
Is het dan zo vreemd wanneer nieuwe levensvormen tot ontwikkeling komen die zich voeden met dat afval?
Dat is een keer op Aarde gebeurd,’ zei Louis Wu. ‘Een soort gist dat polyethyleen lustte. Het vrat de plastic verpakkingen van de schappen in de supermarkt. Het is nu dood. We hebben polyethyleen eraan moeten geven.’
Stel je eens tien van dat soort werelden voor.
Bacteriën kwamen tot ontwikkeling die zinklegeringen, plastics, verf, isolatiemateriaal, recent afval en afval dat al duizenden jaren geleden was geproduceerd, konden eten. Het zou allemaal niets gegeven hebben als de stuwschepschepen er niet waren geweest. De stuwschepschepen kwamen vrij vaak langs de oude werelden. Daar zochten ze naar levensvormen die waren vergeten of die zich niet hadden aangepast aan de Ringwereld. Ze brachten ook andere dingen mee terug: souvenirs, kunstvoorwerpen die waren vergeten of waarvan het vervoer alleen maar was uitgesteld. Vele musea waren nog steeds niet compleet, omdat de ongelooflijk kostbare stukken een voor een naar de Ringwereld moesten worden gebracht.
Een van de stuwschepen bracht een schimmelsoort mee die de structuur kon vernietigen van een hooggeleider, die veel werd gebruikt bij ingewikkelde machines.
De schimmel werkte langzaam, was jong en primitief en stierf in het begin snel weer af. Diverse variëteiten kunnen op de Ringwereld zijn terechtgekomen voor er eindelijk een goed aansloeg. Omdat de schimmel zo langzaam werkte, ging het schuwschepschip niet kapot tot lang na de landing. De cziltang brone van de ruimtehaven ging pas kapot toen bemanningsleden en personeel van de ruimtehaven de schimmel met zich mee hadden genomen, naar binnen, de Ringwereld in. De krachtstraalontvangers begaven het pas toen de pendels die door de elektromagnetische kanonnen op de randmuur schoten het over de hele Ringwereld hadden verspreid.
‘Krachtstraalontvangers?’
‘Energie wordt therma-elektrisch opgewekt op de schaduwvlakken, en vandaar naar de Ringwereld gekaatst. De krachtstraal zelf is waarschijnlijk beveiligd tegen defecten. We hebben er niets van gemerkt toen we de Ringwereld naderden. Hij moet zichzelf hebben uitgeschakeld toen de ontvangers niet meer functioneerden.’
‘Maar het is toch wel mogelijk om een andere hooggeleider te maken?’ zei Spreker. ‘Wij kennen minstens twee moleculaire grondstructuren, en op allebei zijn allerlei varianten mogelijk om ze geschikt te maken voor gebruik bij diverse temperaturen.’
‘Er zijn er minstens vier,’ zei Nessus. ‘Je hebt volkomen gelijk, de Ringwereld had de Val van de Steden moeten overleven. Een jongere, krachtiger maatschappijvorm had die ramp ook overleefd. Maar denk nu eens na over de moeilijkheden waarvoor ze zich gesteld zagen.
Een groot deel van hun leiders was dood, verpletterd onder de neerstortende gebouwen toen de energie uitviel.
Zonder energie konden ze niet veel experimenteren om andere hooggeleiders te vinden. Opgeslagen energie werd meestal geconfisceerd en verbruikt door lieden met politieke macht, of om beschaafde enclaves in stand te houden, in de hoop dat iemand anders iets aan de noodtoestand deed. De fusiemotoren van de stuwschepschepen waren onbereikbaar: de cziltang brones werkten met hooggeleiders. Mensen die iets hadden kunnen uitrichten, konden niet bij elkaar komen: de computer die het elektromagnetische kanon bediende werkte niet meer, en het kanon zelf had geen energie.’
‘Omdat een paard een hoefijzer verloor, viel een koninkrijk,’ zei Louis.
‘Ik ken het verhaal. Helemaal identiek is deze situatie niet,’ zei Nessus. ‘Ze hadden er iets aan kunnen zijn doen. Er was energie voor handen om vloeibaar helium te condenseren. Een krachtaalontvanger repareren zou geen zin hebben gehad omdat de krachtstralen zelf niet meer werkten, maar een cziltang brone had aangepast kunnen worden aan een metalen hooggeleider, gekoeld met vloeibaar helium. Een cziltang brone had de ruimtehavens weer toegankelijk gemaakt, en daarna had men naar de schaduwvlakken kunnen vliegen, en daar de krachtstralen weer in werking kunnen stellen, zodat andere met vloeibaar helium gekoelde hooggeleiders aangepast konden worden aan de krachtstraalontvangers.’
‘Maar,’ ging Nessus verder, ‘dit alles had opgeslagen energie vereist, en die werd gebruikt om de straatverlichting brandende te houden, of de overgebleven zwevende gebouwen niet te laten neerstorten of om eten te koken en in te vriezen. En zo viel de Ringwereld dus definitief.’
‘En wij erbij,’ zei Louis Wu.
‘Ja. We hadden geluk dat we Halrloprillalar tegen zijn gekomen. Ze heeft ons een nodeloze reis bespaard. We hoeven niet langer verder te gaan naar de randmuur.’
Louis’ hoofd stak één keer, heel gemeen. Hij zou last van hoofdpijn krijgen.
‘Geluk,’ zei Spreker-tot-Dieren. ‘Zo. Als dit nu geluk is, waarom ben ik dan niet blij? We zijn ons doel kwijt, onze laatste magere hoop om nog te ontsnappen. Onze cyclettes zijn schroot. Een lid van het gezelschap is vermist in deze doolhof van een stad.’
‘Dood,’ zei Louis Wu. Toen ze hem niet-begrijpend aankeken, wees hij naar het halfduister. Teela’s cyclette sprong bijna meteen in het oog: hij hing in de lichtstraal van de koplampen van een van de andere drie.
‘We zullen voortaan ons eigen geluk moeten maken,’ zei hij.
‘Ja. Je zult nu wel beseffen, Louis, dat Teela’s geluk sporadisch is. Dat kan niet anders. Anders zou ze niet aan boord van de Leugenaar zijn geweest. Anders zouden we niet op de Ringwereld zijn neergestort.’ De poppenbaas wachtte even, en voegde er toen aan toe: ‘Het spijt me voor je, Louis.’
‘Ze zal worden gemist,’ gromde de Kzin.
Louis knikte. Zou hij niet meer moeten voelen? Maar het incident in de Oogstorm had op de een of andere manier verandering gebracht in zijn gevoelens voor Teela. Ze had toen nog minder menselijk geleken dan Spreker of Nessus. Ze was een mythe. Spreker en Nessus waren concreet.