Выбрать главу

Voor hen verrichtten drie in elkaar grijpende wielen een ingewikkelde vuurdans. Trillend licht sprong en flikkerde. Hoog op een pilaar verscheen een naakt meisje, gedrapeerd in een levende gloed. Ze wenkte, smeekte, een muezzin die de gelovigen riep naar het huis der lusten. Haar lichaam was onwaarschijnlijk vrouwelijk; haar borsten waren vooruitpriemende heuvels, haar billen reusachtige globes. Niemand werd zo geboren. Ze moest veranderd zijn door doktoren…

Een lid van onze club, dacht Lona. Toch geeft ze er niets om. Ze zit daar voor iedereen te kijk en heeft er plezier in om haar steentje bij te dragen. Hoe vindt ze het zo, om vier uur in de ochtend? Kan het haar schelen?

Burris stond gefixeerd naar het meisje te staren.

‘Het is gewoon maar vlees,’ zei Lona. ‘Waarom ben je zo gefascineerd?’

‘Dat is Elise daarboven!’

‘Je vergist je, Minner. Ze kan niet hier zijn, en zeker niet daarboven.’

‘Ik zeg je dat ’t Elise is. Mijn ogen zijn scherper dan de jouwe. Je weet nauwelijks hoe ze eruit ziet. Ze hebben iets met haar lichaam gedaan, ze hebben haar op de een of andere manier opgevuld, maar ik weet dat ’t Elise is!’

‘Ga dan naar haar toe.’

Hij stond op zijn plaats vastgenageld. ‘Ik zei niet dat ik dat wilde.’

‘Je dacht ’t alleen maar.’

‘Nu ben je jaloers op een naakt meisje op een pilaar?’

‘Je hield van haar voordat je me kende.’

‘Ik heb nooit van haar gehouden,’ schreeuwde hij en de leugen spreidde zich uit op zijn voorhoofd.

Uit duizend luidsprekers klonk een lofzang op het meisje, op het park, op de bezoekers. Al het geluid smolt samen tot één enkele vormloze brei. Het meisje was nu aan het dansen, gooide haar benen omhoog, wild zwaaiend. Haar naakte lichaam glom. Het opgezwollen vlees trilde en schudde. Ze was een en al vleselijkheid.

‘Het is Elise niet,’ zei Burris ineens, en de betovering brak.

Hij liep weg terwijl zijn gezicht steeds somberder werd; hij Stond stil. Overal om hen heen stroomden de bezoekers naar de pilaar, nu het centrale punt van het park, maar Lona en Burris bewogen zich niet. Ze stonden met hun rug naar de danseres toe. Burris schokte alsof hij getroffen was en vouwde zijn armen over zijn borst. Hij zonk neer op een bank, met zijn hoofd gebogen.

Dit was geen aanstellerij of vervelendheid. Hij was ziek, besefte ze.

‘Ik voel me zo moe,’ zei hij hees. ‘Alle kracht is uit me weg. Ik voel me duizend jaar, Lona!’

Ze hoestte toen ze zich naar hem overboog. Plotseling stroomden de tranen uit haar ogen. Ze viel naast hem neer op de bank, snakkend naar adem. ‘Ik voel me hetzelfde. Uitgewrongen.’

‘Wat gebeurt er?’

‘Iets dat we inademden met die rit? Iets dat we gegeten hebben, Minner?’

‘Nee. Kijk naar mijn handen.’

Ze beefden. De kleine tentakels hingen er slap bij. Zijn gezicht zag grijs.

En zij: het was alsof ze vanavond honderd kilometer had gelopen. Of honderd baby’s had gebaard.

Toen hij ditmaal voorstelde om het amusementspark te verlaten, bekvechtte ze niet met hem.

Zesentwintig

Vorst te middernacht

Op Titan gingen ze uit elkaar en zij verliet hem. Burris had het al dagen aan zien komen en was totaal niet verrast. Het kwam als een soort opluchting voor hem.

De spanning was sinds de Zuidpool alleen maar toegenomen. Hij wist niet goed waarom, behalve dat ze niet bij elkaar pasten. Maar ze waren elkaar voortdurend naar de keel gevlogen, eerst op een heimelijke manier, later openlijk maar overdrachtelijk en uiteindelijk letterlijk. Dus ze ging van hem weg.

Ze brachten zes dagen door op Luna Tivoli. Iedere dag was hetzelfde ingedeeld. Laat opstaan, een copieus ontbijt, wat rondkijken op de maan en vervolgens naar het park. Het terrein was zo groot dat er steeds nieuwe ontdekkingen gedaan konden worden, maar op de derde dag vond Burris dat ze dwangmatig op hun schreden terugkeerden en op de vijfde was hij volkomen ziek van Tivoli. Hij probeerde verdraagzaam te zijn omdat Lona zo’n zichtbaar plezier had. Maar geleidelijk werd zijn geduld minder en ze maakten ruzie. Elke nacht was de ruzie heviger dan die van de nacht daarvoor. Soms losten ze het conflict op met een hevige, zwetende passie en soms in slapeloze nachten vol gepieker.

En altijd, tijdens of net na de ruzie, kwam dat gevoel van vermoeidheid, dat ziekmakende, destructieve verlies van weerstand. Zoiets was Burris nog nooit overkomen. Het feit dat het meisje tegelijkertijd door die schokken werd aangegrepen maakte het dubbel vreemd. Ze zeiden niets tegen Aoudad en Nikolaides, die zij zo nu en dan aan de rand van de menigte zagen staan.

Burris wist dat de hevige woordenwisselingen een steeds breder wordende wig tussen hen indreven. In minder stormachtige momenten betreurde hij dat, want Lona was teder en lief en hij stelde haar warmte op prijs. Dat alles vergat hij echter in zijn woede-uitbarstingen. Dan scheen ze hem leeg en nutteloos en gekmakend toe, een last die nog bij al zijn andere lasten kwam, een onnozel en onwetend en vervelend kind. Hij zei haar dat allemaal, eerst zijn bedoelingen verbergend achter verzachtende metaforen, later de naakte woorden in haar gezicht slingerend.

Er moest wel een breuk komen. Ze putten zichzelf uit, vermorsten hun levenssappen in deze veldslagen. De momenten van liefde lagen nu verder uiteen. Veel vaker ontstond bitterheid.

Op de willekeurig bepaalde ochtend van hun willekeurig bepaalde zesde dag op Luna Tivoli zei Lona: ‘Laten we de rest afzeggen en nu naar Titan gaan.’

‘We worden verondersteld hier nog vijf dagen te blijven.’

‘Wil je dat dan echt?’

‘Nou, om eerlijk te zijn… nee.’

Hij was bang dat dit weer een fontein van boze woorden tevoorschijn zou roepen en het was nog te vroeg op de dag om daaraan te beginnen. Maar nee, dit was haar ochtend van opofferende gebaren. Ze zei: ‘Ik geloof dat ik er genoeg van heb en ’t is geen geheim dat jij dat hebt. Dus waarom zouden we dan nog blijven? Titan is waarschijnlijk veel opwindender.’

‘Waarschijnlijk wel.’

‘En we zijn hier zo lelijk tegen elkaar geweest. Een verandering van omgeving zou moeten helpen.’

Dat zou ’t zeker. Elke barbaar met een dikke portemonnee kon zich veroorloven een kaartje naar Luna Tivoli te kopen, en het zat er vol met boerenkinkels, dronkaards en rauwdauwen. Het trok een publiek dat veel omvangrijker was dan de managersklasse van de Aarde. Maar Titan was selecter. Alleen de welgestelde elite behoorde tot haar clientèle, degenen voor wie het uitgeven van tweemaal het jaarloon van een arbeider aan een korte reis triviaal was. Dergelijke mensen zouden tenminste de hoffelijkheid hebben om met hem om te gaan alsof zijn vervormingen niet bestonden. De huwelijksreizigers van Antarctica sloten hun ogen voor alles wat hen problematisch voorkwam en hadden gewoon gedaan alsof hij niet bestond. De klanten van Luna Tivoli hadden hem in zijn gezicht uitgelachen en zijn anderszijn bespot. Maar op Titan zouden aangeboren goede manieren een koele onverschilligheid voor zijn verschijning dicteren. Kijk neer op de vreemde man, glimlach, babbel elegant, maar toon nooit met woord of daad dat je je bewust bent dat hij vreemd is: dat was stijl. Van de drie wreedheden dacht Burris dat hij die laatste prefereerde.

Hij nam Aoudad terzijde bij de gloed van vuurwerk en zei: ‘We hebben er hier genoeg van. Boek ons voor Titan.’

‘Maar jullie hebben —’

‘— nog vijf dagen. Die willen we niet. Zie dat we hier wegkomen naar Titan.’

‘Ik zal zien wat ik kan doen,’ beloofde Aoudad.

Aoudad had ze zien ruziemaken. Burris voelde zich er bedrukt door, en wel om redenen die hij verachtelijk vond. Aoudad en Nikolaides waren Cupido’s voor hun geweest en op de een of andere manier voelde Burris zich verantwoordelijk om zich te allen tijde te gedragen als een betoverende minnaar. Vaag had hij ’t gevoel dat hij Aoudad tekort deed wanneer hij tegen Lona snauwde. Wat kan ’t me verdomme schelen dat ik Aoudad tekort doe? Aoudad beklaagt zich niet over de ruzies. Hij biedt niet aan om te bemiddelen. Hij zegt geen woord.