Выбрать главу

‘Dat noem ik nog eens een vondst,’ zei Charlie verrukt. ‘Maar waarom heb je altijd een spiegel bij je? Kun je jezelf er ook in zien?’

‘Nee,’ antwoordde Philos met datzelfde samengetrokken gezicht, waarop hij een lachje tevoorschijn probeerde te brengen. ‘We hebben dit gewoon ter verdediging. Wij Ledo-mieten maken zelden ruzie en dit is een van de redenen.

Kun jij jezelf woedend en onlogisch voorstellen (met het laatste woord bedoelde hij dwaas en onvergeeflijk) wanneer je plotseling jezelf ziet zoals anderen je zien?’

‘Het lijkt me inderdaad een koude douche,’ gaf Charlie toe. ‘Daarom vragen wij ook eerst toestemming voor we het gebruiken. Dat is een kwestie van beleefdheid Dat is zo oud als mijn soort menselijkheid en misschien ook de jouwe. Men vindt het niet leuk om zichzelf ongevraagd te zien.’

‘Jullie hebben hier een hele speelgoedwinkel,’ zei Charlie bewonderend. ‘Kan ik overigens de kritiek doorstaan?’

Philos bekeek hem van top tot teen en zijn gezicht scheen zich nog meer samen te trekken. ‘Uitstekend,’ zei hij tenslotte. ‘Je hebt goed gekozen. Zullen we gaan?’

‘Wat is er toch met je?’ vroeg Charlie. ‘Als er iets aan mijn uiterlijk mankeert, kun je het beter nu zeggen.’

‘Als je het vraagt,’ antwoordde Philos aarzelend en Charlie merkte dat hij zijn woorden uiterst voorzichtig koos. ‘Ben je erg dol op die... eh... hoed?’

‘Helemaal niet. Eerst kon ik hem niet van mijn hoofd krijgen en naderhand vergat ik hem.’

‘Wacht maar even,’ zei Philos. Hij deed de kast open en pakte iets dat er uit zag als een laarzentrekker. ‘Raak hem hier mee aan.’

Charlie deed het en het zwarte ding viel op de vloer. Hij gaf er een schop tegen zodat het weer in de kast vloog en vroeg: ‘Wat is dit?’

‘Deze de-stator? Die inactiveert de biostatische kracht van het materiaal.’

‘Door die biostatische kracht sluiten al die kleren vanzelf?’ ‘Ja. Het is namelijk geen dood materiaal. Vraag het Seace maar, ik begrijp het zelf niet helemaal.’

Charlie keek hem aandachtig aan: ‘Er is iets, Philos. Zeg het maar.’

Ofschoon het onmogelijk leek, trok Philos’ gezicht zich nog meer samen. ‘Liever niet. De laatste keer dat iemand om je lachte, schopte je hem door Mielwis’ kamer.’

‘Dat spijt me. Ik was toen een beetje overspannen. Vertel op.’

‘Weet je wat je op je hoofd had?’

‘Nee.’

‘Een queue.’

Gierend van het lachen gingen ze naar Mielwis.

* * *

‘Die vrouwen nemen de tijd,’ zegt Smith.

‘Die proberen elkaar met kegelen te vloeren.’

‘Een dwaze dwaze tekstschrijver.’ Maar Smith wilde niet hatelijk zijn. Hij zit te lachen in zichzelf.

De stilte valt. Ze zijn uitgepraat. Herb weet dat Smith weet dat ze allebei weten dat de ander een onderwerp van gesprek zoekt. Herb vindt het krankzinnig dat mensen niet bij elkaar kunnen zitten zonder woorden uit te kramen, maar hij zegt het niet omdat Smith eens zou mogen denken dat hij weer ernstig is.

‘De omslagen gaan er weer uit,’ zegt Smith na een tijdje.

‘Ja. Moeten al die jongens hun broeken weer laten veranderen. Wat zou de kleermaker met al die omslagen doen? En de fabrikanten die er opeens mee blijven zitten?’

‘Niks.’

‘En ze kosten hetzelfde,’ zegt Herb, op de broeken zonderomslagen doelend.

‘O, ja.’

Stilte.

‘Heb jij veel no-ironkleren?’ vraagt Herb.

‘Een paar broeken. Zoals iedereen.’

‘Wie wast en droogt ze?’

‘Niemand,’ zegt Smith met enige verontwaardiging. ‘De stomerijen hebben nu een speciaal procédé.’

‘Waarom koop je dan no-ironspullen?’

Smith haalt zijn schouders op: ‘Waarom niet?’

Stilte.

‘Ouwe Farrel.’

Herb kijkt naar Smith en ziet Smith door zijn raam en door het raam van het huis schuin aan de overkant kijken. ‘Wat doet ie?’

‘Televisie kijken, denk ik. Wat een stoel!’

Herb staat op, loopt de kamer door. Hij zet een asbak op de tafel en komt weer terug. ‘Zo’n contourstoel, geloof ik.’

‘Ja, maar rood. Hoe kan hij nou een rode stoel in die kamer zetten?’

‘Wacht maar af, Smitty. Hij gaat moderniseren.’

‘Hè?’

‘Twee jaar geleden had hij immers die boerenrommel van boomstammen? En toen ineens die gekke grote groene stoel. Binnen een week: boem! Vroeg Amerikaans, zijn hele kamer.’

‘O, ja.’

‘Binnen een week, zeg ik je.’

‘Boem.’

‘Dat zei ik, ja.’

‘Hoe kan iemand tweemaal in drie jaar tijd moderniseren?’

‘Zal wel door zijn familie komen.’

‘Ken je hem?’

‘Ik? Gelukkig niet. Ik ben nooit bij hem thuis geweest. We groeten elkaar amper.’

‘Ik dacht dat hij nogal krap zat.’

‘Waarom?’

‘Auto.’

‘Hij geeft het misschien aan andere meubels uit.’

‘Vreemde mensen.’

‘Waarom?’

‘Tillie zag haar in de supermarkt zwarte melasse kopen.’

‘Allemachtig,’ zegt Herb. ‘Die rommel is een cultus op het ogenblik. Geen wonder van die auto. Het kan ze misschien niet eens schelen dat hun auto al achttien maanden oud is.’

Stilte.

‘Het wordt tijd dat ik de boel een keer verf.’

‘Ik ook,’ zegt Herb.

Buiten zijn witte lichten te zien. Smitty’s stationcar komt de oprijlaan op, rijdt de garage in en de lichten gaan uit. Autoportieren slaan dicht. Twee tegelijkertijd sprekende stemmen, die geen woord van elkaar missen. De deur gaat open en Tillie komt binnen. Jeanette komt binnen. ‘Hallo, jongens! Wat doen jullie?’

‘O, we zitten een beetje te praten,’ zegt Smith, terwijl hij een afwijzend gebaar met zijn hand maakt. ‘Mannenpraat.’

* * *

Zij liepen door de golvende gangen, stapten tweemaal in een bodemloze put en werden omhoog getrokken. Mielwis, in een kledingstuk van schuin om zijn lichaam gewonden, geel en purper gekleurd lint — om zijn linkerbeen naar links en om zijn rechter naar rechts — was alleen en knikte goedkeurend toen hij Charlies marineblauwe kleren zag.

‘Ik laat jullie alleen,’ zei Philos, aan wie Mielwis tot dan geen aandacht besteedde. Toen knikte hij vriendelijk. Charlie stak zijn hand op en Philos verdween.

‘Zeer taktvol,’ zei Mielwis waarderend. ‘Zoals Philos hebben we er maar één.’

‘Hij heeft erg zijn best voor mij gedaan,’ zei Charlie en ondanks zichzelf voegde hij er aan toe: ‘geloof ik...’

‘De goede Philos heeft me verteld dat je je veel beter voelt.’

‘Ik begin zo’n beetje te begrijpen hoe ik me voel,’ zei Charlie. ‘En dat is meer dan toen ik hier kwam.’

‘Het moet een verwarrende ervaring zijn geweest.’ Charlie keek hem oplettend aan. Hij had geen flauw idee hoe oud deze mensen waren en waarschijnlijk door de eerbied die deze betuigd werd, had hij de neiging om Mielwis ouder te schatten dan de anderen. ‘Je wilt dus een onderzoek naar ons instellen.’

‘Zeker.’

‘Waarom?’

‘Het is mijn kaartje naar huis.’ Zodra Charlie het had gezegd, wist hij dat deze woorden in het Ledoms vrijwel geen betekenis hadden. In zijn taal was het woord ‘kaartje’ inherent aan betalen, maar in het Ledoms had het meer verband met ‘etiket’ of ‘indexkaart’. ‘Ik bedoel,’ voegde hij er vlug aan toe, ‘als ik alles heb gezien wat je mij wilt tonen...’