‘Ik denk,’ zei Charlie een beetje stijfjes, ‘dat we beter kunnen beginnen.’
Ze liepen om het gebouw Wetenschap heen en namen de ondergrondse naar Geneeskunde. Philos voerde Charlie door de nu welbekende horizontale catacomben en door de duizelingwekkende hoogten van het reusachtige gebouw. Ze kwamen door een grote hal die er uit zag als een stationswachtkamer, waar het zachte gezang van wachtende Ledomieten klonk. Charlie werd in het bijzonder getroffen door twee hetzelfde geklede Ledomieten, die elk een slapend kind op hun schoot hadden, en een tweede de borst gaven. ‘Waar wachten zij op?’ vroeg hij.
‘Heb ik je niet verteld dat iedereen hier eens in de achtentwintig dagen voor een onderzoek komt?’
‘Waarom?’
‘Waarom niet? Ledom is erg klein en wij hebben nog niet eens achthonderd inwoners. Niemand woont hier meer dan twee uur lopen vandaan. Wij hebben alle mogelijkheden, dus — waarom niet?’
‘Is zo’n onderzoek erg grondig?’
‘Bijzonder.’
Bij de bovenste verdieping van het gebouw stopten ze voor een deurspleet. ‘Palm hem maar open.’
Charlie deed het maar er gebeurde niets. Daarna legde Philos zijn handpalm tegen de deur en hij ging open. ‘Mijn privé-kantoor,’ zei hij.
‘Waarom is het afgesloten?’ vroeg Charlie, die, vooral in de Kinderafdeling, nergens sloten had gezien.
Philos trok hem naar binnen en de deur viel dicht. ‘Wij hebben heel weinig taboes in Ledom,’ vertelde hij. ‘Maar je mag geen besmettelijk materiaal laten slingeren.’ Hij zei het of het een grapje was. ‘Maar weinig Ledomieten zouden zich hier druk over maken.’ Hij wees op enkele tot het plafond reikende boekenkasten en een wandrek met op elkaar gestapelde, transparante kubusjes. ‘Wij zijn sterk betrokken met de toekomst, en al deze zaken doen er niet veel meer toe. Toch... ‘Mens ken uzelf’... Maar het zou een heleboel mensen doodongelukkig maken als ze zichzelf goed kenden.’
Hij liep naar het rek met kubussen, raadpleegde een index en haalde er een kubus uit. Er stond een rijtje rode cijfers op, die hij controleerde aan de hand van de index. Daarna ging hij op een lage bank zitten en haalde uit een van de als met een toverformule verschijnende nissen in de muur een apparaat. Het was een komvormige helm op een flexibele arm. ‘De cerebrostilus,’ zei hij. Daarna liet hij Charlie de binnenkant van de kom zien, waarin een stuk of zes rubberen knoppen stonden. ‘Het zijn geen elektroden, en je voelt er niets van.’
Hij pakte de genummerde kubus, stopte die in een kastje aan de bovenkant van de helm en sloot het deurtje. Daarna ging hij liggen en drukte de helm tegen zijn hoofd. Het instrument schoof even heen en weer, alsof het zich oriënteerde. Eindelijk stond het stil en Philos ontspande zich. Hij lachte tegen Charlie en zei: ‘Nu moet je me enkele seconden verontschuldigen.’ Hij sloot zijn ogen en raakte een knopje op de rand van de helm aan. Het knopje werd ingedrukt en zijn hand viel krachteloos weg.
Een diepe stilte.
Het knopje klikte en op hetzelfde moment deed Philos zijn ogen weer open. Hij liet de helm zakken en ging rechtop zitten. Op zijn gezicht was geen spoor van vermoeidheid of inspanning te zien. ‘Dat heeft niet lang geduurd, hè?’
‘Wat heb je gedaan?’
‘In dat blokje zit een verhandeling over bepaalde aspecten van homo sap. Ik heb hem wat bijgewerkt, want er zijn dingen waarvan jij zegt dat je ze liever niet wilt weten, en bovendien dacht ik dat je het beter door mij ingeprent kon krijgen dan uit een onpersoonlijk leerboek.’
‘Je bedoelt dat je die aantekeningen zomaar kunt veranderen?’
‘Met een beetje ervaring en concentratie wel ja. Laten we beginnen.’ Charlie keek naar de helm en aarzelde. ‘Kom,’ lachte Philos. ‘Het doet geen pijn en het zal je dichter bij huis brengen.’
Moedig ging Charles liggen. Philos zette de helm op zijn hoofd en Charlie voelde hoe de rubber knopjes zijn schedel aanraakten. De helm bewoog en kwam tot rust. Philos pakte zijn hand en bracht die naar het knopje. ‘Druk het in als je gereed bent. Eerder zal er niets gebeuren.’ Hij deed een stap achteruit. ‘Ontspan je.’
Charlie keek naar hem. Er was verlegenheid noch medelijden in die vreemde donkere ogen, alleen een hartelijke, bemoedigende blik.
Hij drukte op het knopje.
Herb loopt door de tuin en vraagt zich af hoe hij die plaat bij Smith ter sprake kan brengen zonder te zeggen dat Jeanette boos is.
Smitty is in een bed met goudsbloemen bezig. Hij komt zodra hij Herb ziet overeind en lost het probleem op met de woorden: ‘Kom eens! Ik moet je wat laten zien.’
Naast elkaar lopen Herb en Smitty naar binnen. Ze gaan de trap af en komen in de kamer. Het is een mooie kamer. De kachel lijkt op een grammofoon en de grammofoon op een radiator. De wasmachine lijkt op een televisietoestel en de TV op een theetafel. De bar lijkt op een bar en de hele hap is gemaakt van knoestige boomstammen.
Boven de bar hangt een mooi ingelijste tekst in gothische letters, die moeilijk te lezen zijn en onderaan, in kleine lettertjes, is vaag vermeld dat dit het werk is van een Middeleeuwse filosoof:
Een Goede Vrouw (volgens een oude Philosoof) is als een Aal in een emmer met 500 Slangen, en als een man het geluk heeft die ene Aal uit al die Slangen te vissen, heeft hij toch niet meer dan een natte Aal bij de Staart.
Herb was er op voorbereid Jeanettes verontwaardiging te delen, maar de tekst overrompelt hem zodat hij begint te brullen, terwijl Smith op de achtergrond staat te grinniken. Dan vraag Herb wat Tilly er van vindt.
‘Vrouwen,’ zegt Smitty waardig, ‘zijn allemaal even bekrompen.’
Nadat Charlie de knop had ingedrukt, leek de tijd even stil te staan. Hij kon niet zeggen of er uren, minuten of seconden voorbij waren toen het knopje weer klikte. Philos stond over hem heen gebogen en glimlachte. Hij voelde zich of hij lange tijd verdiept was geweest in een interessante brief van een vriend.
‘Wel, allemachtig!’ zei hij verbaasd.
Charlie Johns, begon ‘de brief’, je kunt in deze zaak niet objectief zijn, maar, alsjeblieft, probeer het.
Je kunt niet objectief zijn omdat je vanaf je kindertijd geïndoctrineerd, bepreekt, beïnvloed en vastgelegd bent. Je komt uit een tijd en een plaats waarin de mannelijkheid van de man en de vrouwelijkheid van de vrouw — en hun verschil — de belangrijkste zaken waren.
Maar in de grond zijn er meer overeenkomsten dan verschillen tussen man en vrouw.
Een long is een long en een nier is een nier, zowel bij een man als bij een vrouw. Je kunt misschien aanvoeren dat het beenderstelsel van de vrouw lichter is en haar hoofd kleiner enz., maar het is niet onmogelijk dat dit in al die duizenden jaren juist zo door de man gefokt is. Het komt trouwens veelvuldig voor dat vrouwen langer, sterker en zwaarder zijn dan mannen. Vele mannen hebben bovendien een breder bekken dan vrouwen.
Wat de secundaire seksuele karakteristieken betreft, staat het alleen statistisch vast dat er veelbetekende verschillen voorkomen: vrouwen hebben soms meer lichaamshaar dan mannen en vele mannen hebben een hogere stem dan vrouwen. Het zal je niet onbekend zijn dat er zelfs bij de geslachtsorganen afwijkingen van de norm voorkomen. Het is niet mijn bedoeling om je aan te praten dat deze dingen normaal zijn — niet na de vierde maand voor de geboorte tenminste — maar wel, dat deze verschijnselen al sinds de prehistorie in de natuur voorkomen. De endocrinologie kent een aantal zeer interessante feiten. Zowel mannen als vrouwen kunnen mannelijke en vrouwelijke hormonen produceren, maar zodra deze productie uit zijn evenwicht wordt gebracht krijg je drastische veranderingen. In enkele maanden tijds heeft een dame dan een baard en geen borsten en een man kan een volle boezem krijgen. Deze grove, extreme voorbeelden dienen natuurlijk alleen ter illustratie. Er zijn vrouwelijke atleten geweest die sterker en sneller waren dan het gros van de mannen en die niettemin toch ‘echte’ vrouwen waren. En mannen die vrouwenkleren ontwierpen — over het algemeen beter dan die vrouwen zelf — en toch ‘echte’ mannen waren. Men zegt: vrouwen moeten lang haar hebben. Maar de achttiende-eeuwse ridders hadden ook lang haar en droegen bovendien brokaat en kant. Vrouwen moeten rokken dragen. Maar dat doen de Schotten, de Griekse evzone, Chinezen en Polynesiërs ook en toch hebben deze mannen niets vrouwelijks. Overal zie je steeds weer verschuivingen. Voor jullie Eerste Wereldoorlog, bijvoorbeeld, werden sigaretten en polshorloges als typisch vrouwelijk bestempeld, maar twintig jaar later gebruikte de man ze ook. Vooral in Midden Europa, waar men geschokt en geamuseerd was omdat de Amerikaanse boeren koeien melkten en kippen voerden, iets dat in Europa uitsluitend door vrouwen werd gedaan. In alle landen en in alle culturen is altijd de nadruk gelegd op het verschil tussen mannen en vrouwen, soms zelfs op walgelijke wijze.