Haar gebiedende toon en armgebaar waren bestemd voor haar wapenknechten, die hun handen op het gevest van hun zwaarden hadden gelegd en naar Nasin loerden. De man werd begeleid door dertig of veertig man met het Zwaard en de Ster van Huis Caeren, en ze zouden zonder aarzelen iedereen doden die een bedreiging vormde voor hun Hoogzetel. Sommigen hadden hun zwaarden al half getrokken. Ze zouden haar natuurlijk niets doen. Nasin zou hen stuk voor stuk ophangen als ze zelfs maar een blauwe plek had. Licht, ze wist niet of ze daarom moest lachen of huilen. ‘Ben je nog steeds bang voor die jonge sukkel Jarid?’ vroeg Nasin, en stuurde zijn paard achter haar aan. ‘Hij heeft geen recht om je steeds te blijven achtervolgen. De betere man heeft gewonnen en hij moet dat maar eens erkennen. Ik zal hem uitdagen!’ Met een hand die er zelfs in de strakke rode handschoen benig uitzag, greep hij onhandig naar zijn zwaard, dat hij waarschijnlijk in geen twintig jaar meer had getrokken, ik maak hem af als een hond omdat hij je angst aanjaagt!’
Elenia stuurde Morgenwind behendig bij hem vandaan zodat ze in een cirkel rond Janie reden, die zich verontschuldigde tegen Nasin en net deed of ze aan de kant wilde gaan terwijl ze hem juist in de weg liep. In gedachten bestelde Elenia al wat extra borduurwerk voor de gewaden die ze voor haar ging kopen. Gestoord als hij was, kon Nasin in een oogwenk van honingzoete woorden overgaan tot lichamelijke betastingen, alsof ze het laagste soort taveernemeid was. Dat kon ze niet verdragen, niet weer, en zeker niet in het bijzijn van anderen. Al rondlopend dwong ze zichzelf ongerust te glimlachen, hoewel de glimlach haar eerlijk gezegd meer moeite kostte dan de ongerustheid. Als die ouwe gek Jarid zou dwingen hem te vermoorden, dan zou alles verloren zijn! ‘Je weet toch dat ik het niet kan verdragen als mannen om mij strijden, Nasin.’ Ze hijgde een beetje en haar stem klonk angstig, maar ze probeerde dat niet te verbergen. Hijgen en angst waren toepasselijk genoeg. ‘Hoe zou ik van een man kunnen houden die bloed aan zijn handen heeft?’ De belachelijke man keek fronsend langs zijn lange neus en ze begon zich af te vragen of ze misschien te ver was gegaan. Hij was zo gek als een maartse haas, maar niet op elk gebied. Niet altijd, ik had me niet gerealiseerd dat je zo... gevoelig was,’ zei hij uiteindelijk. Zonder op te houden om Janie heen te rijden. Zijn afgeleefde gezicht klaarde op. ‘Maar ik had het moeten weten. Ik zal er van nu af aan aan denken. Jarid mag blijven leven. Zolang hij je maar niet lastig valt.’ Plotseling leek hij Janie op te merken, en met een geërgerde blik hief hij een vuist hoog in de lucht. De mollige vrouw zette zich zichtbaar schrap voor de klap, maar ze ging niet opzij. Elenia knarste met haar tanden. Zijden borduursel! Ongeschikt voor een bediende, maar Janie had het verdiend.
‘Heer Nasin, ik heb u óveral gezocht!’ riep de klagende stem van een vrouw uit, en het rondcirkelen werd gestaakt. Elenia slaakte een zucht van verlichting toen Arymilla met haar gevolg kwam aanrijden in de schemering, en moest een vlaag van woede onderdrukken omdat ze zo opgelucht was. In overdadig geborduurde groene zijde, met kant onder haar kin en langs haar polsen, was Arymilla mollig om niet te zeggen dik. Ze had een nietszeggende glimlach en bruine ogen die altijd groot waren van geveinsde belangstelling. Ze miste het verstand om het verschil te kunnen zien tussen dingen die wel en niet haar belangstelling vereisten, maar ze was net slim genoeg om te weten dat ze voor bepaalde dingen belangstelling zou moeten hebben, en ze wilde niet dat iemand dacht dat ze iets had gemist. De enige echte zorg die ze had was haar gemak en het inkomen dat daarvoor moest zorgen en de enige reden dat ze de troon wilde hebben was dat de koninklijke schatkisten nog meer gemak konden bieden dan de inkomsten van een Hoogzetel. Haar gevolg was groter dan dat van Nasin, al bestond het slechts voor de helft uit wapenknechten met de Vier Manen van haar Huis. De anderen waren grotendeels meelopers en hielenlikkers, lagere heren en vrouwen van kleinere Huizen en anderen die Arymilla’s voeten wilden kussen voor een plaatsje in de buurt van de machthebber. Ze vond het geweldig als mensen haar aanbaden. Naean was er ook, aan de rand van de groep met haar wapenknechten en haar dienares en ogenschijnlijk weer koel en beheerst. Maar ze bleef zorgvuldig uit de buurt van Jak Lounalt, een magere man met een kenmerkende Tarabonse sluier over zijn enorme snor en een rond hoofddeksel dat de kap van zijn mantel op een belachelijke manier omhoogdrukte. Hij lachte ook te veel. Hij zag er nauwelijks uit als iemand die een ander met slechts een paar snoeren op zijn knieën kon brengen.
‘Arymilla,’ zei Nasin verward. Hij keek fronsend naar zijn vuist alsof hij verbaasd was dat die in de lucht stak, en legde zijn hand op zijn zadelknop. Hij glimlachte breed naar die domme vrouw. ‘Arymilla, mijn liefste,’ zei hij warm. Niet met het soort warmte dat hij vaak ten opzichte van Elenia tentoonspreidde. Om de een of andere reden was hij er half van overtuigd dat Arymilla zijn dochter was, en zijn lievelingsdochter ook nog. Eenmaal had Elenia hem langdurig met de vrouw horen spreken over haar ‘moeder’, zijn vrouw die bijna dertig jaar geleden was gestorven. Het lukte Arymilla zelfs ook nog wat terug te zeggen, al had ze voor zover Elenia wist Miedelle Caeren nooit ontmoet.