Выбрать главу

Hij bleef er echter niet te lang bij stilstaan; hij had geen tijd voor afleiding. Hij sneed de buidel van de man af onder het trekkoord. Het gewicht van de munten die in zijn hand rolden en die hij snel in zijn zak stak vertelde hem dat het geen goud was, waarschijnlijk ook geen zilver, maar een afgesneden buidel en verdwenen geld zouden de indruk wekken dat de man was overvallen. Hij ging rechtop staan en trok zijn handschoen weer aan en even later beende hij weer verder over de modderige straat, zijn dolk dicht tegen zich aan en zijn ogen alert. Hij ontspande zich pas toen hij een straat van de dode man verwijderd was, en zelfs toen nog niet helemaal. De meeste mensen die over de moord hoorden zouden geloven dat de man inderdaad was overvallen, maar degene die de man gestuurd had zou dat natuurlijk niet. Hij was hem al vanaf het paleis gevolgd, wat betekende dat hij gestuurd was, maar door wie? Hij was er vrij zeker van dat als iemand van het Zeevolk hem dood wilde hebben, ze dat zelf wel zouden hebben gedaan. De Kinne zaten hem dwars, maar ze leken zich rustig en op de vlakte te houden. Het was waar dat mensen die zich oefenden in het onopgemerkt blijven de meest waarschijnlijke soort waren die een huurmoordenaar zouden inzetten, maar hij had nooit meer dan drie woorden met hen gewisseld en hij had zeker nooit geprobeerd hen aan te raken. De Aes Sedai leken waarschijnlijker, maar hij wist zeker dat hij niets had gedaan om hun argwaan te wekken. Toch kon elk van hen haar eigen redenen hebben om hem dood te willen zien. Je wist het nooit met de Aes Sedai. Birgitte Trahelion was een dom vrouwmens die dacht dat ze iemand uit een verhaal was, misschien zelfs de echte Birgitte, als die al ooit had bestaan. Misschien dacht ze dat hij een bedreiging voor haar positie vormde. Ze was dan misschien een lichtekooi, zoals ze in die broek van haar door de gangen liep te wiegen, maar ze had kille ogen. Die zou zonder blikken of blozen iemand laten omleggen. De laatste mogelijkheid baarde hem de meeste zorgen. Zijn eigen meesters waren niet erg goed van vertrouwen en waren zelf ook niet altijd te vertrouwen. En vrouwe Shiaine Avarhin, die hem nu zijn bevelen gaf, was degene die hem deze nacht had laten opdraven. Terwijl iemand hem volgde, mes in de hand. Hij geloofde niet in toeval, wat men ook over die Altor beweerde.

Hij dacht er even over om terug te keren naar het paleis. Hij had goud verstopt; hij kon zich makkelijk een weg naar buiten kopen of een van de poorten laten openen zodat hij eruit kon. Maar dat zou betekenen dat hij de rest van zijn leven over zijn schouder zou moeten kijken, dat iedereen in de buurt zijn moordenaar zou kunnen zijn. Niet zo heel anders dan hoe hij nu leefde. Behalve dat hij dan zeker wist dat er vroeg of laat iemand gif in zijn soep zou doen of een mes tussen zijn ribben zou steken. Bovendien was die sloerie Birgitte met haar harde ogen de meest waarschijnlijke dader. Of een Aes Sedai. Of misschien had hij toch die Kinne beledigd. Maar het was altijd de moeite waard om voorzichtig te zijn. Hij greep het heft van de dolk met zijn vingers. Zijn leven was nu goed, met voldoende gemakken en vrouwen die onder de indruk waren of bang genoeg om medewerking te verlenen aan de gardekapitein, maar een leven op de vlucht was nog altijd beter dan hier en nu te sterven. Het was niet eenvoudig om de juiste straat, laat staan het juiste huis, te vinden – de ene nauwe zijstraat leek sprekend op de andere in het donker – maar hij lette goed op en bonsde uiteindelijk op de voordeuren van een hoog, beschaduwd huis dat eruitzag of het toebehoorde aan een rijke maar discrete handelaar. Hij wist dat dat niet zo was. Avarhin was een piepklein Huis, volgens sommigen uitgestorven, maar er was nog één dochter over en Shiaine had geld. Een van de deuren ging open en hij stak zijn linkerhand op om zijn ogen te beschermen tegen het plotselinge, felle licht. In zijn rechterhand had hij zijn dolk in de aanslag. Hij gluurde door zijn vingers en herkende de vrouw bij de deur, in de eenvoudige donkere kleding van een bediende. Niet dat hem dat ook maar in het minst geruststelde.

‘Geef me eens een kus, Falion,’ zei hij terwijl hij naar binnen stapte. Hij graaide wellustig naar haar. Met zijn linkerhand, natuurlijk. De vrouw met het lange gezicht duwde zijn hand weg en sloot de deur stevig achter hem. ‘Shiaine heeft zich afgezonderd met een bezoeker in de voorste zitkamer boven,’ zei ze kalm, ‘en de kok is in haar slaapkamer. Verder is er niemand in huis. Hang je mantel op het rek. Ik zal haar zeggen dat je er bent, maar misschien moet je wachten.’

Hanlon liet zijn hand bungelen. Ondanks haar leeftijdloze gezicht was Falion op zijn hoogst aantrekkelijk te noemen, en zelfs dat was misschien overdreven, met haar kille ogen en haar koele handelswijze. Ze was nauwelijks het soort vrouw dat hij graag knuffelde, – maar ze werd blijkbaar gestraft door een van de Uitverkorenen. Hij werd geacht deel uit te maken van die straf, en dat veranderde de zaak. Tot op bepaalde hoogte. Hij had er geen moeite mee om een vrouw aan te raken die geen keus had, en Falion had zeker geen keus. Haar kleren spraken de waarheid; ze deed het werk van vier of vijf vrouwen in haar eentje, bediende en keukenmeid en spitdraaister, ze sliep waar ze kon en deinsde telkens terug wanneer Shiaine fronsend naar haar keek. Haar handen waren ruw en rood van het wassen en schrobben van de vloeren. Maar ze zou haar straf wel overleven, en het laatste wat hij wilde was een Aes Sedai met grieven tegen Daved Hanlon. Niet nu de omstandigheden best zouden kunnen veranderen voor hij de kans had een mes in haar hart te steken. Het was echter gemakkelijk geweest een regeling met haar te treffen. Ze had een praktische instelling. Wanneer er anderen in de buurt waren zat hij aan haar wanneer hij de kans kreeg en als er tijd was, nam hij haar mee naar haar kamertje onder de dakspanten. Dan gooiden ze het beddengoed overhoop en gingen in de kou op het smalle bed zitten om gegevens uit te wisselen. Omdat zij erop stond bezorgde hij haar dan wat blauwe plekken, voor het geval Shiaine haar wilde controleren. Hij hoopte dat ze zich zou herinneren dat ze er zélf op had gestaan.

‘Waar zijn de anderen?’ vroeg hij terwijl hij zijn mantel afdeed en die aan het met luipaarden besneden rek hing. Het geluid van zijn laarzen op de vloertegels weerkaatste tegen de hoge zoldering van de voorhal. Het was een mooie ruimte, met geverfde gipsen deklijsten en meerdere rijk gedecoreerde wandkleden op bewerkte panelen die glimmend waren gepoetst. De ruimte werd goed verlicht door staande spiegellampen met voldoende verguldsel voor het koninklijk paleis zelf, maar hij mocht branden als het er veel warmer was dan buiten. Falion trok een wenkbrauw op toen ze de dolk in zijn hand zag en hij stak hem met een dunne glimlach weg. Hij kon hem sneller weer trekken dan iemand voor mogelijk zou houden, en zijn zwaard bijna even snel. ‘De straten zijn ’s nachts vol rovers.’ Ondanks de kilte deed hij zijn handschoenen uit en stopte ze achter zijn zwaardriem. Anders zou het misschien lijken of hij dacht dat hij in gevaar was. De borstplaat zou genoeg moeten zijn, als het ergste gebeurde.