‘Ik weet niet waar Marillin is,’ zei ze over haar schouder toen ze zich omdraaide en haar rokken bijeen pakte om de trap op te lopen. ‘Ze is voor zonsondergang vertrokken. Murellin is in de stallen met zijn pijp. We kunnen praten zodra ik Shiaine heb verteld dat je er bent.’ Hij keek hoe ze de trap op liep en gromde. Murellin, een grote vent die Hanlon liever niet achter zich had, werd naar de stallen achter het huis verbannen wanneer hij zijn pijp wilde roken. Shiaine kon de geur van zijn ruwe tabak niet uitstaan en aangezien hij meestal een pot of zelfs een kan bier met zich meenam, zou hij voorlopig wel niet terugkomen. Marillin baarde hem meer zorgen. Zij was ook Aes Sedai, schijnbaar evenzeer onder het bevel van Shiaine als Falion was, of hijzelf, maar hij had geen afspraken met haar. Ook geen ruzie, maar hij vertrouwde in principe geen Aes Sedai, Zwarte Ajah of niet. Waar was ze naartoe? Om wat te doen? Wat een man niet wist kon hem het leven kosten, en Marillin Gemalfin besteedde veel te veel tijd aan dingen waar hij niets van wist. Hij was tot de slotsom gekomen dat er in Caemlin een heleboel gebeurde waar hij niets van wist. Het was hoog tijd dat hij daarachter kwam, als hij wilde overleven.
Toen Falion weg was liep hij vanuit de ijskoude voorhal rechtstreeks naar de keuken aan de achterzijde van het huis. De ruimte met de bakstenen muren was natuurlijk leeg – de kok wist wel beter dan uit haar kamer te komen zodra ze voor de nacht was weggestuurd – en het zwarte ijzeren fornuis en de ovens waren koud, maar door het vuurtje in de lange stenen haard was de keuken een van de weinige warme kamers in het huis. Vergeleken met de rest, tenminste. Shiaine was zuinig, behalve waar het op haar eigen gerief aankwam. Het vuur brandde hier alleen voor het geval ze warme wijn of een glas eiermelk wilde.
Hij was een keer of zes in dit huis geweest sinds hij naar Caemlin was gekomen, en hij wist in welke kasten de kruiden stonden en in welke bijkeuken de wijn stond. Altijd goede wijn. Shiaine beknibbelde niet op wijn. Niet als ze die zelf van plan was te drinken. Tegen de tijd dat Falion terugkeerde had hij een kan vol wijn, de honingpot en een schaaltje gember en kruidnagelen op de brede keukentafel gezet en een pook in het vuur gelegd. Als Shiaine zei ‘kom nu’, dan bedoelde ze ook ‘nu’, maar als ze een man wilde laten wachten kon het weleens daglicht worden voordat ze hem zou ontvangen. Deze bezoekjes beroofden hem altijd van zijn slaap; Drakenvuur op die vrouw! ‘Wie is de bezoeker?’ vroeg hij.
‘Hij heeft geen naam genoemd, niet tegen mij,’ zei Falion, terwijl ze de deur naar de hal opensperde met een stoel. Iets van de spaarzame warmte kon zo ontsnappen, maar ze kon Shiaine zo wel horen roepen. Of misschien wilde ze zorgen dat de andere vrouw hen niet kon afluisteren. ‘Een magere man, lang en hard, met het uiterlijk van een soldaat. Een officier met een vrij hoge rang, misschien een edele aan zijn manieren te zien, en met een Andoraanse tongval. Hij lijkt intelligent en voorzichtig. Zijn kleren zijn eenvoudig maar kostbaar en hij draagt geen ringen of andere juwelen.’ Ze keek fronsend naar de tafel, draaide zich om naar een van de hoge open kasten naast de deur en zette een tweede tinnen kom naast de beker die Hanlon had klaargezet. Het was niet in hem opgekomen om er twee te pakken. Het was erg genoeg dat hij zijn eigen wijn moest klaarmaken. Aes Sedai of niet, zij was de bediende. Maar ze pakte een stoel en duwde het schoteltje met kruiden van zich af alsof ze verwachtte dat hij haar zou bedienen.
‘Shiaine had gisteren twee bezoekers die minder voorzichtig waren dan deze kerel,’ ging ze door. ‘Een, ’s morgens, had de Gouden Evers van Sarand op de manchetten van zijn handschoenen. Hij dacht waarschijnlijk dat niemand ze zou opmerken, als hij er al aan had gedacht. Een gezette, blonde man van middelbare leeftijd die overal zijn neus voor optrok, een compliment maakte over de wijn alsof hij verrast was om hier goede wijn aan te treffen, en die wilde dat Shiaine me liet afranselen omdat ik onvoldoende respect toonde.’ Zelfs dat zei ze op koele, afgemeten toon. De enige keer dat ze enige vurigheid had getoond was toen Shiaine haar met een riem had geslagen. Toen had hij haar wel horen janken. ‘Een man van het platteland die zelden in Caemlin is geweest maar denkt dat hij weet hoe zijn meerderen zich gedragen, zou ik zeggen. Je herkent hem aan een wrat op zijn kin en een halvemaanvormig litteken naast zijn linkeroog. De kerel van ’s middags was klein en donker, met een scherpe neus en oplettende ogen, geen littekens of andere opvallende kenmerken voor zover ik zag, al droeg hij een ring met een vierkante granaat aan zijn linkerhand. Hij zei niet veel, wilde niets loslaten in dat kleine beetje dat ik kon horen, maar hij had een dolk met de Vier Manen van Huis Marne op het gevest.’
Hanlon vouwde zijn armen over elkaar en leunde tegen de zijkant van de haard. Zijn gezicht was onbewogen, ook al had hij zin om te fronsen. Hij was zeker dat het de bedoeling was dat Elayne de troon zou bestijgen, maar wat er daarna gebeurde was hem een raadsel. Ze was aan hem beloofd. Of ze een kroon droeg wanneer hij haar nam maakte hem geen snars uit, al zou het wat extra’s toevoegen – het inrijden van die langbenige merrie zou hem evenveel genoegen hebben gedaan als ze een boerendochter was geweest, vooral na haar vernederende woorden van vandaag in het bijzijn van al die vrouwen! Maar als Shiaine praatte met Sarand en Marne betekende dat misschien dat ze niet gekroond zou worden. Misschien was hij, ondanks alle beloften dat hij met een koningin zou kunnen stoeien, geplaatst waar hij was zodat hij haar kon vermoorden, als haar dood een bepaald voordeel voor Shiaine zou opleveren. Of eigenlijk voor de Uitverkorenen die haar opdrachten gaven. Moridin heette de kerel, een naam die Hanlon nog nooit in dit huis had gehoord. Dat zat hem niet dwars. De man was zo brutaal om zichzelf een Uitverkorene te noemen, maar Hanlon was niet dom genoeg om hem erop aan te spreken. Het zat hem wel dwars dat hijzelf waarschijnlijk niet meer was dan een wapen. Zolang het wapen zijn werk deed, maakte het niet uit of het daarbij brak. Het was beter om het heft vast te houden dan het lemmet.
‘Is er goud over tafel gegaan?’ vroeg hij. ‘Heb je iets gehoord?’
‘Dan zou ik dat wel hebben gezegd,’ antwoordde ze dunnetjes. ‘En zoals overeengekomen, is het nu mijn beurt om vragen te stellen.’ Het lukte hem zijn ergernis te verbergen achter een verwachtingsvolle blik. Die domme vrouw vroeg altijd naar de Aes Sedai in het paleis of degenen die ze de Kinne noemde, of over het Zeevolk. Domme vragen. Wie was vriendelijk tegen wie en wie niet. Wie spraken heimelijk met elkaar, wie vermeden elkaar. Wat hadden ze gezegd. Alsof hij niets beters te doen had dan in de gangen rond te hangen en hen te bespieden. Hij loog nooit tegen haar – de kans dat ze de waarheid zou ontdekken was te groot, zelfs al was ze opgesloten in dit huis; ze was tenslotte Aes Sedai – maar het werd steeds moeilijker om iets te verzinnen wat hij al nog niet had verteld en ze stond erop dat hij nieuws bracht als hij wat van haar wilde weten. Toch had hij wel een paar dingetjes te vertellen vandaag, over een deel van het Zeevolk dat vertrok en dat iedereen in het paleis vandaag zo schichtig was alsof ze ijspegels in hun kraag hadden. Daar zou ze het mee moeten doen. Wat hij wilde weten was belangrijk, geen stom geroddel.
Maar voor ze haar vragen kon stellen ging de buitendeur open. Murellin was groot genoeg om bijna de hele deuropening te vullen, maar toch blies er een ijzige wind naar binnen waardoor het vuur danste en er gloeiende vonken de schoorsteen in vlogen. Hij gaf geen teken dat hij de kou voelde, maar zijn bruine tuniek was ogenschijnlijk even dik als twee mantels. Bovendien had de man niet alleen de afmetingen van een os, hij was ook even slim als een os. Hij zette zijn grote houten beker met een knal op tafel, haakte zijn duimen achter zijn riem en keek Hanlon misprijzend aan. ‘Zit je aan mijn vrouw?’ mompelde hij.
Hanlon schrok. Niet uit angst voor Murellin, niet met die klungel aan de andere kant van de tafel. Waar hij van schrok was dat de Aes Sedai uit haar stoel sprong en de wijnkan van tafel griste. Ze smeet de gember en kruidnagelen in de kan, voegde een schep honing toe en draaide de kan rond alsof ze zo alles kon mengen. Toen pakte ze met een punt van haar schort de pook uit het vuur en stak die in de wijn zonder te controleren of hij al heet genoeg was, en al die tijd keek ze geen ogenblik naar Murellin.