Выбрать главу

‘Nóg een antwoord waar ik niet om heb gevraagd.’ Ze schudde haar hoofd en bleef in de vlammen staren. ‘Maar misschien kan daar iets aan gedaan worden. Hoe ver ben je met het winnen van Elaynes... genegenheid?’ vroeg ze kuis.

‘Verder dan toen ik in het paleis aankwam,’ gromde hij terwijl hij woest naar haar rug keek. Hij deed zijn best de mensen die de Uitverkorene boven hem plaatste nooit te beledigen, maar zij daagde hem uit. Hij zou dat nekje als een tak kunnen breken! Om zijn handen iets te doen te geven, vulde hij een van de bekers en hield die in zijn hand, ook al was hij niet van plan een slok te nemen. Er lag al één dode man in de kamer en hij had geen zin om er naast te gaan liggen. ‘Maar ik moet zorgvuldig te werk gaan. Ik kan haar moeilijk in een hoek drukken en uit haar gewaad kietelen.’

‘Nee,’ zei Shiaine met gedempte stem. ‘Zij is nauwelijks het soort vrouw aan wie jij gewend bent.’ Lachte ze nu? Vermaakte hij haar? Hij moest zich beheersen om de wijnbeker niet op de grond te smijten en haar te wurgen.

Plotseling draaide ze zich om. Hij knipperde met zijn ogen toen ze zorgvuldig haar mes weer in de schede liet glijden. Hij had haar het bloedding niet eens zien trekken! Hij nam een slok wijn zonder erbij na te denken en verslikte zich bijna toen hij besefte wat hij had gedaan.

‘Hoe zou je het vinden als Caemlin werd geplunderd?’ vroeg ze. ‘Best, als ik een goede compagnie achter me had en vrij baan had naar de stadspoorten.’ De wijn was veilig. Twee bekers, dat betekende dat zij het ook had gedronken, en als hij de beker van de dode man had opgepakt zat er niet meer genoeg gif in om een muis ziek te maken, is dat wat je wilt? Ik kan even goed bevelen opvolgen als ieder ander.’ Dat deed hij alleen als de kans groot was dat hij ze zou overleven, of als ze van de Uitverkorene afkomstig waren. Je kunt beter voor een stommeling sterven dan de Uitverkorene ongehoorzaam zijn. ‘Maar soms helpt het om meer te weten dan “ga daarheen en doe dat”. Als je me zou vertellen wat je in Caemlin zoekt, kan ik je misschien helpen het sneller te vinden.’

‘Natuurlijk.’ Ze lachte haar tanden bloot terwijl haar ogen zo koud bleven als bruine stenen. ‘Maar vertel me eerst eens waarom er bloed op je handschoen zit?’

Hij glimlachte terug. ‘Een voetsoldaat met pech, Vrouwe.’ Misschien had zij de man gestuurd, misschien niet, maar hij voegde haar keel toe aan de lijst ‘door te snijden’. En hij zou Marillin Gemalfin ook toevoegen. Tenslotte was een eenzame overlevende de enige die kon vertellen wat er gebeurd was.

16

Onderwerp van Onderhandelingen

Kort na zonsopgang bevond een deel van Tar Valon zich nog in de schaduw, maar de sneeuw die alles bedekte, glinsterde helder. Achter de hoge witte muren vol prachtige torens en vaandels leek de stad zelf licht uit te stralen. Egwene zat op haar ruin en bevond zich op de rivieroever ten noorden van de stad, maar de stad leek verder weg dan hij in werkelijkheid was. De Erinin was hier meer dan twee mijl breed en de Alindrelle Erinin en de Osendrelle Erinin aan weerszijden van het eiland waren half zo breed. Het leek alsof Tar Valon zich in een groot meer bevond, onbereikbaar ondanks de enorme bruggen die zó hoog boven het water uitstaken dat schepen er met gemak onderdoor konden. De Witte Toren, een ivoorwitte zuil die duizelingwekkend hoog boven het stadshart uit reikte, vervulde haar met heimwee. Niet naar Tweewater, maar naar de Toren. Dat was nu haar thuis. Haar aandacht werd getrokken door een rookpluim, een vage zwarte lijn aan de overzijde van de stad die haar deed grijnzen. Daishar stampte met zijn hoef in de sneeuw, maar een aai langs zijn nek was genoeg om de ruin weer rustig te krijgen. Zijn berijdster had wel meer nodig om rustig te worden. Heimwee was de minste van haar problemen. Het viel volstrekt in het niet bij de rest.

Met een zucht liet ze de teugels op de voorste zadelboog rusten en hief het koperen kijkglas op. Haar mantel gleed van haar schouder af, maar ze negeerde de kou en schermde met haar handschoen de voorste lens af tegen het felle zonlicht. De stadswallen kwamen op haar af. Ze vestigde haar aandacht op de hoge gebogen havendammen van de Noordhaven die zich tegen de stroom in uitstrekten. Jvlensen liepen met vastberaden tred achter de kantelen van de haven, maar ze kon van deze afstand nauwelijks de mannen en de vrouwen onderscheiden. Toch was ze blij dat ze haar gestreepte stola niet om had en dat haar gezicht door een kap verhuld werd, voor het geval dat iemand een sterker kijkglas had dan zij. De brede opening van de door mensenhanden gemaakte haven werd versperd door een enorme ijzeren ketting die een paar voet boven het wateroppervlak gespannen was. Aan de kleine stipjes op het water, duikvogels die voor de haven vissen vingen, kon men de grootte van de ketting afleiden. Er waren twee mannen nodig om één schakel op te tillen. Een roeiboot kon nog onder de versperring door, maar verder kon geen vaartuig erlangs zonder toestemming van de Witte Toren. De ketting was uiteraard bedoeld om vijanden buiten te houden. ‘Daar zijn ze, Moeder,’ mompelde heer Garet en ze deed het kijkglas omlaag. Haar generaal was een stevige man in een eenvoudige borstplaat met daaronder een eenvoudige bruine jas, zonder ook maar enig spoor van verguldsel of borduurwerk. Zijn gezicht zag er breed en verweerd uit en zijn leeftijd maakte dat hij een geruststellende kalmte uitstraalde. Je hoefde maar naar Garet Brin te kijken om te weten dat hij bij het zien van de Doemkrocht zijn angst zou onderdrukken en gewoon aan de slag zou gaan. En andere mannen zouden hem volgen. Hij had al op meerdere slagvelden bewezen dat je hem moest volgen als je wilde winnen. Een goede man om achter je te hebben. Haar ogen volgden zijn pantserhandschoen die stroomopwaarts wees.

Om een landtong waren net vijf, zes – nee, zeven – rivierschepen in het zicht verschenen die door het water van de Erinin ploegden. Ze waren erg groot voor rivierschepen, één had drie masten waarvan de driehoekige zeilen bol stonden. Lange riemslagen kliefden door het blauw-groene water om nog wat harder te kunnen gaan. Aan de vaartuigen was een brandend verlangen naar snelheid af te lezen, alsof men niet kon wachten om Tar Valon te bereiken. De rivier was hier diep genoeg om binnen roepafstand van de oever te kunnen varen, maar deze schepen voeren achter elkaar in een rij, zo veel mogelijk in het midden van de Erinin als de wind toeliet. Matrozen in de masten hielden de oever in de gaten, maar niet vanwege zandbanken. Ze hadden in feite niets te vrezen zolang ze buiten boogbereik bleven. Het is waar dat ze vanaf de plaats waar ze op haar paard zat al deze schepen in brand kon steken, of simpelweg gaten in hun rompen kon slaan en ze tot zinken brengen. Dat kon allemaal in een handomdraai. Maar als ze dat deed, zou een aantal opvarenden zeker verdrinken. De stroming was sterk, het water ijskoud en het was een flink stuk naar de oever voor degenen die konden zwemmen. Zelfs één dode zou inhouden dat ze de Kracht als wapen gebruikt had. Ze probeerde te leven alsof ze al gebonden was door de Drie Geloften, en het waren de Geloften die deze schepen beschermden tegen haar of een andere zuster. Een zuster die bij de Eedstaf gezworen had, kon zichzelf niet eens dwingen de stromen te verweven, tenzij ze zichzelf ervan kon overtuigen dat de schepen haar leven bedreigden. Maar de schippers en hun bemanningen hechtten daar kennelijk geen geloof aan.

Naarmate de rivierschepen dichterbij kwamen, klonk er ondanks de afstand een vaag geroep. De uitkijken op de masten wezen naar haar en Garet en het werd al snel duidelijk dat ze dachten dat ze een Aes Sedai met haar zwaardhand was. De schippers namen het zekere voor het onzekere en even later ging het tempo van de riemslagen omhoog. Het ging slechts een fractie sneller, maar de roeiers werkten zich ervoor in het zweet. Een vrouw op het halfdek van het voorste schip, waarschijnlijk de schipper, zwaaide met haar armen alsof ze nog sneller wilde. Een paar mannen renden over het dek om touwen aan te trekken of ze te laten vieren zodat de hoek van de zeilen veranderde, maar Egwene zag dat het niet veel uithaalde. Naast de matrozen waren er nog meer mannen op het dek en de meeste daarvan stonden bij de reling, een paar hadden zelf ook kijkglazen. Sommigen leken de afstand te meten die nog afgelegd moest worden voordat de veilige haven bereikt was.