Выбрать главу

Het leek opeens donkerder te worden, alsof er wolken voor de zon trokken. Er zouden hoe dan ook bij bosjes doden vallen, maar ze moest koste wat kost de Toren in leven houden. Als je geen goede keuze kon maken, moest je zorgen dat je de minst slechte maakte, ik heb genoeg gezien,’ zei ze zachtjes. Ze keek nog een laatste keer naar de rook aan de andere kant van de stad en liet toen Daishar omdraaien naar de bomen waar haar geleide op haar wachtte. Tweehonderd ruiters op de oever met borstplaten van gekookt leer of jassen met metalen schijven aan zouden zeker de aandacht trekken, maar Garet had haar ervan overtuigd dat deze mannen met hun lansen en korte bogen nodig waren. Die rookpluim aan de overkant duidde zonder enige twijfel op brandende wagens of voorraden. Het waren slechts speldenprikjes, maar ze kwamen elke nacht voor. Soms één keer, soms twee of drie keer, totdat iedereen ’s ochtends bij het opstaan eerst keek of er ergens rook te zien was. Het was nog altijd niet gelukt om de overvallers te pakken te krijgen. De achtervolgers werden verrast door spontane sneeuwbuien of ijskoude nachtwinden, of er lag opeens verse sneeuw op plekken waar hoefsporen te zien hadden moeten zijn. De overblijfselen van wevingen maakten duidelijk dat die lieden door Aes Sedai geholpen werden. Er was een kans dat Elaida aan deze kant van de rivier ook mannen en wellicht zusters had, en dus moest er voorzichtigheid betracht worden. Elaida zou weinig leuker vinden dan Egwene Alveren in handen krijgen. Dit was natuurlijk niet haar hele geleide. Behalve Sheriam, haar Hoedster, waren er deze ochtend nog zes andere Aes Sedai met haar uitgereden. Deze hadden allen hun zwaardhanden meegenomen en dus zaten er achter de zusters acht mannen met voortdurend van kleur veranderende mantels te wachten. Bewust van het mogelijke gevaar van overvallers en bewust van de enorme gespannenheid van hun Aes Sedai, hielden ze de bosjes in de gaten alsof er helemaal geen geleide was. De veiligheid van hun Aes Sedai was hun voornaamste zorg en die vertrouwden ze aan niemand anders toe. Sarin, een lange dikzak met een zwarte baard, zat zo dicht bij Nisao dat het leek alsof hij boven de kleine Gele zuster uittorende. Hoewel hij kleiner dan zij was, lukte het Jori ook om boven Morvrin uit te torenen. Hij was even breed als Sarin, maar erg klein, zelfs voor een Cairhienin. De drie zwaardhanden van Mijrelle stonden zo dicht om haar heen dat ze haar paard niet kon bewegen zonder een van hun paarden opzij te duwen. De slanke en mooie Setagana omringde Anaiya bijna in zijn eentje, wat Tervail met zijn lange neus en zijn gezicht vol littekens ook bij Beonin probeerde te doen. Carlinya had zoals de meeste Witten geen zwaardhand, maar ze bestudeerde de mannen alsof ze daar misschien wel verandering in wilde brengen. Tot voor kort had Egwene zich liever niet met deze zes vrouwen laten zien. Samen met Sheriam hadden ze allemaal om verschillende redenen trouw aan haar gezworen, en geen van hen wilde dat dit uitlekte. Via hen kon ze een zekere invloed op de gebeurtenissen uitoefenen, terwijl iedereen dacht dat ze slechts een speelpop was. Een piepjonge Amyrlin naar wie niemand luisterde en waar de Zaal van de Toren mee kon doen wat ze wilde. De Zaal kwam er al snel achter dat dat een illusie was toen ze hen zover kreeg om Elaida de oorlog te verklaren, wat eigenlijk het logische gevolg was van hun vlucht uit de Toren. Maar daarna maakten de Zaal en de Ajahs zich alleen maar zorgen over haar volgende stap en probeerden ze ervoor te zorgen dat het iets was wat hun goedkeuring had. De Gezetenen waren stomverbaasd toen ze hun voorstel aanvaardde om een adviesraad van zusters uit elke Ajah samen te stellen die haar bij zouden staan niet hun kennis en ervaring. Misschien dachten ze wel dat het succes van de oorlogsverklaring haar naar het hoofd gestegen was. Natuurlijk had ze Morvrin, Anaiya en de anderen opgedragen om te zorgen dat ze uitverkoren werden. Ze hadden nog net genoeg aanzien bij hun Ajahs om dat te laten lukken. Ze luisterde nu al een paar weken naar hun raad, al nam ze die niet altijd ter harte. Het was in ieder geval niet meer nodig om geheime ontmoetingen te organiseren of heimelijk berichten door te geven.

In de tijd dat Egwene naar de Toren had zitten staren, had iemand zich bij het gevolg gevoegd.

Sheriam had haar blauwe stola over haar mantel geslagen en het lukte haar om vanuit haar zadel een zeer formele buiging te maken. Ze kon af en toe ongelofelijk formeel zijn. ‘Moeder, Gezetene Delana wil u spreken,’ zei ze alsof Egwene de stevige Grijze zuster niet op haar gevlekte merrie had zien zitten. ‘Ze zegt dat het om een niet onbelangrijke kwestie gaat.’ Haar wat bittere toon verraadde dat Delana haar niet verteld had wat die kwestie was. Dat vond Sheriam vast niet leuk. Ze was erg gesteld op haar positie. ‘Onder vier ogen, alstublieft, Moeder,’ zei Delana, terwijl ze haar kap naar achteren deed en haar zilverkleurige haar te voorschijn liet komen. Ze had een zware stem voor een vrouw, maar daarin weerklonk niet de haast van iemand die belangrijke zaken wilde bespreken.

Haar aanwezigheid was enigszins verrassend te noemen. Delana steunde Egwene regelmatig in de Zaal van de Toren als Gezetenen onderling aan het twisten waren of een besluit wel of niet iets met de oorlog tegen Elaida te maken had. Als dat wel het geval was, moest de Zaal namelijk als een blok achter Egwenes bevelen staan. Zelfs de Gezetenen die de oorlog steunden, waren daar niet blij mee en dus werd er eindeloos gekibbeld. Ze wilden Elaida afzetten, maar als het erop aankwam, konden ze in de Zaal niets anders dan discussiëren. Toch was Delana’s steun eerlijk gezegd niet altijd even welkom. De ene dag was ze een typisch Grijze onderhandelaarster die consensus zocht, de andere dag had ze zulke provocerende argumenten dat ze elke Gezetene kwaad kreeg. Ze gooide ook op andere manieren de knuppel in het hoenderhok. Ze had nu al drie keer de Zaal verzocht om bekend te maken dat Elaida tot de Zwarte Ajah behoorde. Dit leidde steeds tot een ongemakkelijke stilte die pas eindigde als de zitting gesloten werd. Maar weinig zusters wilden de Zwarte Ajah openlijk bespreken. Delana was bereid alles te bespreken, van hoe ze 987 Novices van kleding moesten voorzien tot de vraag of Elaida stiekem aanhangers onder hen had. Ook van dit onderwerp kregen de meeste zusters de bibbers. De vraag was waarom ze zo vroeg uitgereden was, en alleen. Ze had Egwene tot nog toe niet benaderd zonder minimaal drie Gezetenen als gezelschap. Delana’s ogen onthulden even weinig als haar gladde Aes Sedai-gezicht. ‘Tijdens het terugrijden,’ zei Egwene tegen haar. ‘We willen graag alleen met elkaar praten,’ voegde ze eraan toe toen Sheriam haar mond opendeed. ‘Rij met de anderen achter ons aan, alsjeblieft.’ De Hoedster kneep haar groene ogen dicht in wat bijna woede leek. De bekwame en geestdriftige Hoedster had haar hoop op Egwene gevestigd en maakte er geen geheim van dat ze bij al Egwenes gesprekken aanwezig wilde zijn. Boos of niet, ze boog instemmend haar hoofd met een lichte aarzeling. Sheriam had niet altijd geweten wie van hen de leiding had, maar dat was nu wel duidelijk. Vanaf de Erinin liep het land langzaam op naar de enorme piek in het westen. Deze berg was zo groot dat je hem haast geen berg kon noemen. De Drakenberg zou zelfs ver boven de Rug van de Wereld uitsteken. In het relatief platte landschap rond Tar Valon leek het alsof de bergtop een deel van de hemel was. Helemaal als er een dunne rookpluim uit de puntige top te voorschijn kwam, zoals nu. Op die hoogte was het natuurlijk geen dunne rookpluim. De bossen hielden halverwege de Drakenberg al op en niemand had ooit in de buurt van de top weten te komen. Het gerucht ging dat de hellingen vol lagen met botten van mensen die het geprobeerd hadden. Waarom iemand zoiets zou willen proberen, wist niemand. Soms kwam de schaduw van de berg op het eind van de avond helemaal tot aan de stad. De mensen die hier woonden, waren eraan gewend dat de Drakenberg het uitzicht domineerde, net als ze eraan gewend waren dat de Witte Toren boven de stadsmuren uitstak en mijlenver te zien was. Ze waren er allebei altijd al geweest en zouden altijd blijven. Maar het volk had het drukker met oogsten en werken dan met bergen en ’ Aes Sedai.