Een van de lachende mannen zag dat Egwene naar hen keek en gaf de met modder besmeurde man een por. Deze kuiste vervolgens zijn taal een beetje en keek haar aan alsof het allemaal haar schuld was. Aangezien haar gezicht in haar kap verscholen was en haar stola opgevouwen in haar gordeltas zat, dachten ze dat ze een Aanvaarde of een bezoekster was. Regelmatig glipten vrouwen met bedekte gezichten het kamp in of uit, in zowel zijden kleren als wollen vodden.
Het was veiliger om naar een vreemde of een Aanvaarde te grijnzen dan naar een Aes Sedai. Het was vreemd om niemand te zien buigen.
Ze zat al van voor zonsopgang in het zadel. Een lekker warm bad was uitgesloten omdat het water een halve span ten westen van het kamp uit putten gehaald moest worden. Alleen de meest kieskeurige en egocentrische zusters lieten dat doen. Maar ook zonder bad zou ze blij zijn als ze haar voeten weer op de grond kon zetten. Of nog beter, op een voetenbankje. Daar kwam nog bij dat de kou negeren iets heel anders was dan je handen bij een gloeiende stoof opwarmen. Ook haar schrijftafel zou wel vol liggen met stapels papier. Gisteravond had ze Sheriam opgedragen haar de verslagen te brengen over het onderhoud van de wagens en de hoeveelheden voer voor de paarden. Het was saai werk, maar ze liet zich elke dag over verschillende onderwerpen informeren. Op die manier wist ze of wat men haar vertelde op feiten of op wensen berustte. En er waren altijd berichten van de ogen-en-oren. In tegenstelling tot het nieuws van de informanten van Siuan en Leane was het fascinerend om te lezen wat de Ajahs vonden dat de Amyrlin Zetel moest weten. Niet alleen interessant vanwege de berichten die elkaar tegenspraken, maar ook om te zien wat de Ajahs allemaal voor zich hielden. Ze werd zowel door gemak als plicht naar haar werkkamer getrokken, niet meer dan een gewone tent die door iedereen de Werkkamer van de Amyrlin genoemd werd. Maar dit was een uitgelezen gelegenheid om eens rond te kijken zonder dat alles snel in orde werd gemaakt voor haar komst. Ze trok haar kap een stukje naar voren om haar gezicht beter te bedekken en tikte zachtjes met haar hielen tegen Daishars flanken.
Er waren weinig mensen te paard, bijna alleen maar zwaardhanden. Hier en daar probeerde een stalknecht een paard door de sneeuwbrij te laten draven. Niemand herkende haar paard. De straten waren bijna leeg, maar op de op boomstammen getimmerde loopplanken was het een stuk drukker. De weinige mannen tussen de gestage stroom vrouwen liepen twee keer harder dan iedereen. Met uitzondering van de zwaardhanden probeerde elke man in de buurt van Aes Sedai zo snel mogelijk zijn zaken af te handelen. Bijna alle vrouwen hielden hun gezicht verborgen, maar de Aes Sedai waren makkelijk van de bezoeksters te onderscheiden, of ze nu een eenvoudige mantel droegen of een met borduursels en bont. Waar anderen zich een weg door de menigte moesten zien te banen, ging voor een zuster iedereen opzij. Er waren deze koude ochtend niet veel zusters op de been. De meeste zaten waarschijnlijk in hun warme tent. Alleen, of met zijn tweeën of drieën, te lezen of brieven te schrijven, of hun bezoek te ondervragen over het nieuws dat ze hadden ontvangen. Nieuws waarvan het nog maar de vraag was of ze dat met de rest van hun Ajah zouden delen, laat staan met buitenstaanders. Voordat de huidige verdeeldheid in de Toren bekend werd, dacht iedereen in de wereld dat Aes Sedai een hechte eenheid vormden. Maar in feite waren de Ajahs volledig onafhankelijk van elkaar en was de Zaal hun enige ontmoetingsplaats. De zusters waren zelf niet meer dan een verzameling kluizenaars die nooit meer zeiden dan nodig was, en dan alleen tegen vrienden. Of tegen een andere zuster met wie ze samenwerkten. Alles aan de Toren kon veranderen, maar Egwene was ervan overtuigd dat dit altijd hetzelfde zou blijven. Het had geen nut om te doen alsof Aes Sedai ooit iets anders waren geweest of zouden zijn dan een grote rivier die niet te stuiten was. Alle krachtige stromen waren diep verborgen en veranderden de loop van de rivier met onwaarneembare traagheid. Ze had snel een paar dammen in die rivier geplaatst om hier en daar een stroom om te leiden. Ze wist echter dat die bouwsels tijdelijk waren en dat die stromen vroeg of laat haar dammen weg zouden spoelen. Ze kon ze alleen maar zo veel mogelijk verstevigen en hopen dat ze het lang genoeg zouden houden.
Heel af en toe was er een Aanvaarde met de zeven gekleurde strepen op de kap van haar witte mantel in de menigte te zien, maar er waren vooral veel Novices in hun onversierde kleding van witte wol. Slechts een paar van de eenentwintig Aanvaarden in het kamp hadden gestreepte mantels. Ze trokken alleen hun gestreepte gewaden aan als ze Novices moesten lesgeven of als ze bij zusters waren. Er waren echter grote inspanningen verricht om ervoor te zorgen dat Novices altijd in het wit gekleed gingen, ook al hadden ze dan maar één stel schone kleren. Alle Aanvaarden probeerden op dezelfde sierlijke manier als Aes Sedai te lopen, wat een enkeling ondanks het op- en neergaan van de loopplanken bijna lukte. De Novices liepen daarentegen bijna even hard als de mannen en haastten zich om boodschappen af te leveren of waren in groepjes van zes of zeven op weg naar een les.
Aes Sedai hadden sinds de Trollok-oorlogen niet zoveel Novices gehad. In die tijd waren er trouwens veel meer Aes Sedai geweest. De chaos die de bijna duizend leerlingen veroorzaakt hadden, was pas te overzien toen ze in zogeheten ‘families’ ingedeeld waren. De naam was niet officieel, maar werd zelfs gebruikt door Aes Sedai die het maar niets vonden dat elke vrouw die zich aanmeldde werd aangenomen. Nu wist elke Novice waar ze om welke tijd moest zijn, en wisten de zusters waar de Novices waren. Om nog maar te zwijgen over het afgenomen aantal weglopers, iets wat Aes Sedai altijd al kopzorgen had gebaard. Aangezien honderden van die weggelopen vrouwen nog heel goed de stola konden verwerven, wilde geen enkele zuster ze kwijtraken. In ieder geval niet voordat er besloten was dat een vrouw werd weggezonden. Zo nu en dan waren er nog steeds vrouwen die wegglipten nadat ze hadden ingezien dat de lessen zwaarder waren dan gedacht, en de weg naar de stola langer. Maar weglopen leek minder een optie te worden als een vrouw in haar ‘familie’ vijf of zes zogenaamde nichten had op wie ze kon steunen. Egwene liet Daishar een stuk voor het grote paviljoen dat als Zaal van de Toren diende, een zijstraat in slaan. De loopplank voor de lichtbruine tent was leeg, want de Zaal was niet een plek waar je kwam als je er niets te zoeken had. De gordijnen aan de zijkant waren gesloten om aan te geven dat de Zaal in beraad was, en dus kon je niet van tevoren zien of er iemand naar buiten kwam. Elke Gezetene zou Daishar in één oogopslag herkennen en sommige Gezetenen kwam ze nog minder graag tegen dan anderen. Zoals Lelaine of Romanda, die haar gezag even makkelijk negeerden als dat ze elkaar bestreden. Of een van de Gezetenen die over de onderhandelingen begonnen waren. Ze kon niet geloven dat ze alleen maar zieltjes probeerden te winnen, want dan hadden ze het wel hardop gezegd. Maar de beleefdheidsvormen moesten in acht genomen worden, hoe graag ze iemand ook een draai om de oren wilde geven. Niemand kon zich echter onheus bejegend voelen als Egwene niemand zag. Achter een hoge tentdoek die een van de twee Reisterreinen afschermde, was een zilverachtig licht te zien. Even later kwamen twee zusters vanachter de tentflappen te voorschijn. Zowel Phaedrine als Shemari was te zwak om in haar eentje een Poort te weven, maar gekoppeld konden ze er waarschijnlijk net een maken die groot genoeg was om doorheen te lopen. Ze waren druk in gesprek met elkaar en maakten vreemd genoeg hun mantels vast. Egwene keek de andere kant op terwijl ze langsreed. Beide Bruine zusters hadden haar lesgegeven toen ze Novice was. Phaedrine leek nog altijd verbaasd te zijn dat Egwene Amyrlin was. Ze was zo dun als een reiger en in staat om door de smurrie te waden en te vragen of ze Egwene ergens mee van dienst kon zijn. Shemari, die met haar robuuste gezicht meer weg had van een Groene zuster dan van een boekenwurm, vertoonde altijd overdreven beleefd gedrag. Haar diepe kniksen pasten meer bij een Novice en kwamen altijd spottend over, hoe neutraal haar gezichtsuitdrukking ook was. Het was van haar bekend dat ze al een kniks maakte als ze Egwene honderd pas verderop zag. Ze vroeg zich af waar ze geweest waren. Ergens binnen misschien. In ieder geval op een plek waar het warmer was dan in het kamp. Niemand hield het komen en gaan van de zusters bij, zelfs de Ajahs niet. Het was erg ongebruikelijk om een zuster te vragen wat ze deed en waar ze heen ging. Phaedrine en Shemari waren hoogstwaarschijnlijk bij een van hun ogen-en-oren geweest. Of misschien hadden ze ergens een boek bekeken. Ze waren per slot van rekening Bruin. Maar ze kon Nisao’s opmerking over zusters die stiekem naar Elaida gingen niet uit haar hoofd zetten. Het was mogelijk een boot te huren en naar de tientallen kleine waterpoorten rond de stad te varen, maar als je geen ontdekking wilde riskeren, kon je beter een Poort gebruiken. Als ook maar één zuster naar de Toren terugging en die weving liet zien, waren ze hun grootste voordeel kwijt. Het enige dat je kon doen om dat te voorkomen was het verzet tegen Elaida in leven houden en zusters ervan overtuigen dat er snel een einde aan dit alles zou komen. Was dat maar waar. Egwene hield niet ver van het Reisterrein stil en keek met een frons naar een lange tentmuur die uit nog meer lappen dan de Zaal bestond. Een Aes Sedai met een donkerblauwe mantel kwam over de loopplank aangelopen. Haar gezicht was door haar kap verborgen, maar Novices en anderen sprongen opzij zoals ze voor geen ander zouden doen. Ze bleef voor de tent staan en keek er een hele tijd naar voordat ze de flap opzij deed en naar binnen ging. De tegenzin droop ervan af. Egwene was er nog niet binnen geweest. Ze voelde dat binnen een kleine hoeveelheid saidar geleid werd. Het was verbazingwekkend hoe weinig ervoor nodig was om te geleiden. Een kort bezoekje van de Amyrlin zou niet al te veel aandacht trekken. Ze wilde heel graag zien wat ze in beweging had gezet. Er was echter een klein probleem nadat ze voor de tent afgestapt was. Ze kon Daishar nergens vastmaken. Er kwam gewoonlijk altijd iemand aangerend om de stijgbeugel aan te pakken en haar paard weg te brengen, maar nu stond ze daar met de teugels in haar hand. Groepjes Novices die langsliepen, keken even snel naar haar en gingen er meteen van uit dat ze een bezoekster was. Alle Novices kenden onderhand de Aanvaarden van gezicht, maar slechts een paar hadden de Amyrlin Zetel van dichtbij gezien. Ze had ook nog geen leeftijdloos gezicht waaraan ze konden zien dat ze Aes Sedai was. Met een lach stak ze haar hand in haar gordeltas. Aan de stola zouden ze wel zien wie ze was, en dan kon ze een van hen bevelen haar paard vast te houden. Als ze maar niet dachten dat het een ongepaste grap was. Een paar Novices uit Emondsveld hadden daarom eens geprobeerd om de stola van haar hals te trekken omdat ze bang waren dat ze problemen zou krijgen. Nee, dat was nu allemaal voorbij.