Выбрать главу

‘Zoals die dwaze meisjes zich gedragen, zou je denken dat ik...’ begon ze geërgerd, maar ze maakte haar zin niet af. Ze was niet verrast om Siuan naast haar schrijftafel te zien staan. Ze had eenvoudige blauwe kleren aan en hield een grote map van bewerkt leer vast. Delana en vele andere zusters dachten dat Siuan met veel tegenzin Egwene inwijdde in alle gedragsregels, en boodschappen voor haar rondbracht. Het was ze kennelijk nog niet opgevallen dat ze elke dag zeer vroeg in de tent te vinden was. Siuan was wél een ijzervretende Amyrlin geweest, maar dat geloofden alleen de mensen die haar in die periode hadden meegemaakt. Novices wezen haar even vaak na als Leane, maar betwijfelden of ze wel echt was wie de zusters zeiden dat ze was. Ze was redelijk knap en had donker glanzend haar tot op haar schouders. Siuan zag er jonger uit dan Leane en maar een paar jaar ouder dan Egwene. Als ze geen stola met blauwe randen om had gehad, had ze voor een Aanvaarde door kunnen gaan. Dat was dus de reden dat ze altijd haar stola om had. Haar ogen waren echter net zomin als haar karakter veranderd, en ze keek priemend naar de vrouw wier aanwezigheid wel verrassend was. Halima was altijd welkom, maar Egwene had niet verwacht haar te zien. Ze lag op de fel gekleurde kussens aan de ene kant van de tent en steunde met haar hoofd op een hand. Als je Siuan een knappe vrouw noemde, iemand bij wie zowel mannen als vrouwen zich op hun gemak voelden, dan moest je Halima oogverblindend noemen, met haar grote groene ogen, perfecte gezicht en volle boezem. Mannen moesten altijd even slikken als ze haar zagen en vrouwen trokken hun wenkbrauwen op. Egwene geloofde de verhalen niet van vrouwen die jaloers waren op Halima’s aantrekkingskracht op mannen. Ze kon er immers niets aan doen dat ze er zo uitzag. Delana had haar duidelijk uit liefdadigheid als schrijfster aangenomen, want Halima was een eenvoudige boerenvrouw die nauwelijks een brief kon schrijven. Delana hield haar de hele dag bezig met nutteloos werk. Ze kwam zelden vóór bedtijd opdagen en dan alleen als ze gehoord had dat Egwene hoofdpijn had. Nisao kon haar hoofdpijn zelfs met de nieuwe manier van Heling niet wegnemen, maar Halima’s massages werkten zelfs als de pijn ondraaglijk was. ‘Ik zei tegen haar dat u vandaag geen tijd voor bezoek hebt, Moeder,’ zei Siuan fel. Ze nam Egwenes mantel met haar vrije hand aan terwijl ze boos naar de vrouw op de kussens keek. ‘Maar dat was duidelijk aan dovemansoren gericht.’ Ze snoof minachtend, terwijl ze de mantel aan de onbewerkte kapstok hing. ‘Misschien had ze me wel gehoord als ik een broek en een snor had gedragen.’ Siuan geloofde elke roddel over Halima’s uitspattingen met knappe werklieden en soldaten.

Halima leek haar faam vreemd genoeg wel leuk te vinden. Misschien genoot ze er zelfs van. Ze lachte met een hese stem en strekte zich uit als een kat. Ongeacht het weer had ze een ongelukkige voorkeur voor diep uitgesneden lijfjes en ze barstte bijna uit haar groene zijden gewaad met blauwe strepen. Schrijfsters liepen zelden in zijden kleren rond, maar Delana’s liefdadigheidsgevoel was kennelijk erg groot. Of ze stond heel erg bij Halima in het krijt. ‘U maakte vanochtend een bezorgde indruk, Moeder,’ mompelde de vrouw met de groene ogen. ‘U ging al zo vroeg op pad en probeerde mij niet wakker te maken. Ik dacht dat u misschien wel wilde praten. U hebt vast minder last van hoofdpijn als u wat meer over uw zorgen praat. U weet toch dat u met mij kunt praten.’ Halima begon weer te lachen terwijl Siuan minachtend op haar neerkeek. ‘En u weet dat ik niets van u wil, in tegenstelling tot sommige anderen.’ Siuan snoof weer en legde de map opzichtig op de schrijftafel tussen de inktpot en de zandkoker. Ze zat zelfs aan de veerhouder te friemelen. Egwene moest veel moeite doen om niet te zuchten. Halima wilde niets anders dan een bed in Egwenes tent zodat ze beschikbaar was als Egwene hoofdpijn had. Dat ze daar sliep, belemmerde vast haar werk voor Delana. Daar kwam bij dat het Egwene wel beviel dat ze zo recht voor haar raap was. Het was erg fijn om met Halima te praten en even te vergeten dat ze Amyrlin Zetel was. Dat kon zelfs met Siuan niet. Ze had er alles aan gedaan om erkend te worden als Aes Sedai en Amyrlin, maar die erkenning hing aan een zijden draadje. Elke misstap maakte een volgende misstap makkelijker, en na genoeg misstappen zou iedereen haar weer als een klein meisje zien. Halima was dus eigenlijk onmisbaar, evenals haar vingers als het op Egwenes hoofdpijn aankwam. Tot haar ongenoegen leek echter elke vrouw in het kamp er net zo over te denken als Siuan. De enige uitzondering was Delana. De Grijze zuster was veel te preuts om een mannenverslinder in dienst te nemen, hoezeer ze ook aan liefdadigheid hechtte. Het deed nu echter niet ter zake of Halima achter de mannen aan zat of niet.

‘Ik vrees dat ik een hoop werk te doen heb, Halima,’ zei ze terwijl ze haar handschoenen uittrok. Ontzettend veel werk. Sheriams verslagen lagen nog niet op tafel, maar die zouden weldra binnenkomen. Samen met een paar verzoekschriften waarvan Sheriam vond dat Egwene ze moest zien. Een paar maar; tien tot twaalf geschillen waar Egwene als Amyrlin een oordeel over moest vellen. Als je tot de juiste uitspraak wilde komen, moest je zo’n zaak goed bestuderen en vragen stellen. ‘Misschien kunnen we vanavond samen wat eten.’ Er was een grote kans dat ze gewoon aan haar werktafel zou moeten eten, want het was al bijna middag. ‘Dan kunnen we wel even praten.’

Halima zat plotseling rechtop met samengeknepen lippen en ogen die vuur spuwden. Haar boze blik verdween weer even snel, maar het vuur smeulde nog in haar ogen. Als ze een kat was geweest, hadden haar haren recht overeind gestaan. Na sierlijk overeind te zijn gekomen streek ze haar gewaad over haar heupen glad. ‘Goed dan. Als u zeker weet dat u niet wilt dat ik blijf.’

Ze was nog niet uitgesproken of Egwene kreeg een kloppend gevoel achter haar ogen: het bekende begin van een barstende hoofdpijn. Maar ze schudde haar hoofd en herhaalde dat ze moest werken. Halima bleef nog even staan met een beledigde blik en gebalde vuisten. Toen griste ze haar met bont gevoerde mantel van de kapstok en liep de tent uit zonder eerst het kledingstuk om te doen. Als ze niet oppaste, zou ze binnen de kortste keren ziek worden. ‘Als ze zich als een viswijf blijft gedragen, komt ze vroeg of laat in de problemen,’ foeterde Siuan terwijl de tentflappen weer op hun plaats vielen. Met een norse blik trok ze haar stola over haar schouders. ‘Ze houdt zich in als u er bent, maar anders deinst ze er niet voor terug om me een grote mond te geven. En ik ben niet de enige. Ze schijnt tegen Delana geschreeuwd te hebben. Hebt u weleens eerder gehoord van een schrijfster die tegen haar bazin schreeuwde? Tegen een zuster nota bene, een Gezetene? Ik snap niet waarom Delana dat pikt.’

‘Dat moet Delana zelf weten.’ Het was verboden vraagtekens te zetten bij wat een andere zuster deed en je met haar zaken te bemoeien. Dat was een gebruik en geen wet, maar sommige gebruiken waren even sterk als wetten. Siuan was toch wel de laatste die daaraan herinnerd moest worden.

Terwijl ze haar slapen masseerde, ging Egwene heel voorzichtig op de stoel achter haar schrijftafel zitten, maar de stoel wiebelde toch. De poten van de opklapbare stoel dreigden zo nu en dan in elkaar te klappen. Ondanks verwoede pogingen lukte het geen van de timmermannen om het euvel te verhelpen. De tafel, die ook opgevouwen kon worden, stond een stuk steviger. Ze had graag in Morland een nieuwe stoel willen kopen, maar er moest al zoveel gekocht worden van het weinige geld dat er was. Ze had gelukkig wel twee staande lampen en een tafellamp kunnen krijgen. Ze waren eenvoudig en van roodgeverfd ijzer, met spiegeltjes zonder bellen. Goede verlichting verminderde haar hoofdpijn niet, maar het was beter dan lezen met alleen een paar vetkaarsen en een lantaarn erbij. Siuan trok zich niets van de berisping aan en praatte gewoon door. ‘Ze heeft ook nog eens een opvliegend karakter. Ik meende een paar keer dat ze op het punt stond me een klap te verkopen. Ik mag hopen dat ze verstandig genoeg is om zich in te houden, maar niet iedereen is Aes Sedai. Ik ben ervan overtuigd dat ze de arm van de wielsmid heeft gebroken. Hij zegt dat hij gevallen is, maar volgens mij liegt hij, want hij kijkt je niet aan en trekt met zijn mond. Hij zal wel niet willen toegeven dat een vrouw sterker was dan hij.’