Kireyin stond met zijn rug tegen de muur van een pakhuis aan de overkant van de straat. Zijn glanzende helm met de witte pluim lag naast zijn wijnbeker op het plaveisel. De man had zijn zwaard half uit de schede getrokken, maar hij stond als versteend met uitpuilende ogen te kijken naar de muur van het gebouw waar Perijn juist uit kwam. Perijn legde een hand op zijn arm en hij schrok op. ‘Er was daar een man,’ zei de Geldaner met onvaste stem. ‘Hij was er gewoon opeens. Hij keek naar me, en...’ Kireyin wreef hard met zijn hand over zijn gezicht. Ondanks de kou parelden er zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. ‘Hij liep dwars door de muur heen. Echt waar. Je moet me geloven.’ Er kreunde iemand; een van de kooplui, dacht Perijn.
‘Ik heb de man ook gezien,’ zei Seonid achter hem, en nu was het zijn beurt om op te schrikken. In deze stad had hij helemaal niets aan zijn neus!
Met een laatste blik op de muur die Kireyin aanwees, liep de Aes Sedai er met zichtbare tegenzin bij weg. Haar zwaardhanden waren lange mannen die hoog boven haar uittorenden. Ze bleven dicht bij haar in de buurt en gunden zichzelf alleen genoeg ruimte om hun zwaard te trekken. Maar Perijn kon zich niet voorstellen waar de grimmig kijkende zwaardhanden het tegen moesten opnemen, als Seonid meende wat ze zei.
‘Ik kan moeilijk liegen, Heer Perijn,’ zei Seonid droog toen hij uitdrukking gaf aan zijn twijfel. Haar stem werd echter al snel even ernstig als haar gezicht en haar blik was zo dringend dat Perijn alleen daardoor al een onbehaaglijk gevoel kreeg. ‘De doden lopen vrij rond in So Habor. Heer Cowlin is uit angst voor de geest van zijn vrouw uit de stad weggevlucht. Het schijnt dat er vraagtekens waren rond haar dood. Er is in de hele stad nauwelijks een man of vrouw te vinden die geen wandelende dode heeft gezien, en velen van hen is het meermalen overkomen. Sommigen beweren dat er mensen zijn gestorven door de aanraking van een dode. Ik kan niet nagaan of dat klopt, maar het komt voor dat mensen sterven van angst, en soms ook dóór angst. Niemand in So Habor gaat ’s nachts zijn huis uit of loopt onaangekondigd een kamer binnen. Mensen halen onder dit soort omstandigheden met alles wat voorhanden is uit naar schaduwen en verrassingen, en soms ligt dan opeens hun man, hun vrouw of een buurtbewoner dood aan hun voeten. Dit is geen hysterie of een spookverhaal om kinderen mee bang te maken, Heer Perijn. Ik heb nog nooit van zoiets gehoord, maar het is echt waar. U moet een van ons hier achterlaten, om te doen wat we kunnen.’ Perijn schudde langzaam zijn hoofd. Hij kon zich niet veroorloven een Aes Sedai kwijt te raken als hij Faile wilde bevrijden. Vrouw Arnon begon al te huilen voordat hij zei: ‘So Habor zal zijn doden zelf het hoofd moeten bieden.’
Angst voor de doden verklaarde echter maar deels wat hier gebeurd was. Misschien waren de mensen te bang om eraan te denken zich te wassen, maar het leek hem onwaarschijnlijk dat iedereen op die manier op angst zou reageren. Het leek hun gewoon niets meer te kunnen schelen. En kalanders die midden in de winter, in de vrieskou, goed gedijden? Er was in So Habor iets ergers aan de hand dan ronddwalende geesten, en alles zei hem dat hij er zo snel mogelijk vandoor moest gaan, zonder om te kijken. Hij wenste oprecht dat hij dat kon doen.
27
Wat gebeuren moet
Het wannen vond plaats op de met sneeuw bedekte oostelijke oever van de rivier, waar niets stond om de ijzige noordenwind te breken. Mannen en vrouwen uit de stad vervoerden zakken over de bruggen in wagens met vierspan, karren getrokken door één paard en zelfs in handkarren. Normaal gesproken reden de kopers hun eigen wagens naar de pakhuizen, en in het ergste geval hoefden het graan en de gedroogde bonen maar tot aan de kade gedragen te worden. Maar Perijn was absoluut niet van plan om zijn wagenmenners, of wie dan ook, So Habor in te sturen. Wat er ook mis was in die stad, het zou weleens besmettelijk kunnen zijn. En trouwens, de wagenmenners voelden zich nu al slecht op hun gemak. Ze keken fronsend naar de smerige stedelingen, mensen die hun mond hielden, maar zenuwachtig lachten als hun blik per ongeluk die van iemand anders kruiste. De kooplui met hun groezelige gezichten, die toezicht hielden op de werkzaamheden, waren geen haar beter. In Cairhien, het vaderland van de wagenmenners, waren kooplui in elk geval op het oog verzorgde, respectabele mensen, die zelden ineenkrompen omdat er aan de rand van hun blikveld toevallig iemand bewoog. Door de kooplui, die geneigd waren wantrouwig te turen naar iedereen die ze niet kenden, en de stedelingen, die met zichtbare tegenzin de brug weer overstaken alsof ze eigenlijk het liefst niet terug naar de stad wilden, waren de wagenmenners op van de zenuwen. Ze stonden in kleine groepjes dicht bij elkaar: bleke mannen en vrouwen met donkere kleren, die hun hand op het gevest van hun mes hielden en schielijke blikken wierpen op de langere plaatselijke bewoners, alsof die krankzinnige moordenaars waren. Perijn reed langzaam rond om een oogje te houden op het wannen en om de wagens te bestuderen, die in een lange rij, die zich uitstrekte tot over de heuvel en daar uit het zicht verdween, stonden te wachten totdat ze volgeladen zouden worden. Ook hield hij de wagens, karren en handkarren in de gaten die vanuit de stad over de bruggen reden. Hij zorgde ervoor dat hij voor iedereen duidelijk zichtbaar was. Hij wist niet goed hoe het kwam dat de mensen zich gerustgesteld voelden als ze hem zagen terwijl hij deed alsof hij zich nergens zorgen over maakte, maar het scheen wel zo te zijn. In elk geval stelde het hen dusdanig gerust dat niemand ervandoor ging, hoewel ze scheve blikken bleven werpen op de inwoners van So Habor. Ze bewaarden ook enige afstand en dat was maar goed ook. Als de Cairhienin te horen kregen dat sommige mensen die ze zagen wellicht niet meer leefden, zou de helft van hen meteen de zweep over de paarden leggen en op de vlucht slaan. De rest zou waarschijnlijk kort na het donker volgen. Van dergelijke verhalen zou bijna ieder normaal mens spoken gaan zien als het eenmaal donker werd. Het bleke zonnetje, dat bijna helemaal schuilging achter de grijze bewolking, was nog niet eens halverwege de noen, maar het werd steeds duidelijker dat ze gedwongen zouden zijn om hier te overnachten, en misschien de volgende dag ook nog. Zijn kaak verstrakte van de inspanning die het hem kostte om niet te gaan tandenknarsen. Zelfs Neald wendde zijn blik af als hij boos zijn kant op keek. O, hij snauwde niemand af. Hij had er alleen maar zin in. Het wannen was een tijdrovende klus. Elke zak moest worden opengemaakt en leeggeschud op een grote, platte rieten mand, en per mand waren er twee mensen nodig om het graan of de bonen om te schudden. De kille wind voerde de kalanders in een wolk van zwart vlekjes mee, en mannen en vrouwen zwaaiden met grote, gevlochten, tweehandige waaiers om voor extra luchtverplaatsing te zorgen. De snelle stroming voerde alles wat in de rivier terechtkwam mee, maar al snel was de sneeuw op de oever platgetrapt en lag er op de grijze brij een laag insecten, dood of stervend van de kou, vermengd met een ruime hoeveelheid haver en gerst en doorspekt met rode bonen. Er kwam altijd wel weer een nieuwe laag ter vervanging van wat er door mensenvoeten in de sneeuw werd getrapt. Wat op de manden achterbleef zag er in elk geval schoner uit dan voorheen, hoewel niet alle kalanders eruit waren als het weer terug in de ruwe jute zakken werd geschud. De zakken waren binnenstebuiten gekeerd en door kinderen flink bewerkt met stokken om het ongedierte eruit te kloppen. De zakken die opnieuw gevuld waren, werden zodra de bovenkant was dichtgebonden in de wagens van de Cairhienin geladen, maar de stapels lege zakken werden razendsnel groter. Perijn leunde op de knop van Stappers zadel en probeerde te berekenen of er twee hele karrenvrachten uit het pakhuis voor nodig waren om één van zijn wagens met graan te vullen. Berelain kwam op haar witte merrie naast hem staan, terwijl ze met een hand haar rode mantel strak om zich heen hield tegen de wind. Een paar pas verderop haalde Annoura de teugels aan. Haar leeftijdloze gezicht was glad en uitdrukkingsloos. De Aes Sedai wekte de indruk dat ze niet van plan was af te luisteren, maar ze was nog zo dichtbij dat ze alles wat niet op fluistertoon werd gezegd zou kunnen verstaan, zelfs zonder de Ene Kracht aan te wenden. Ondanks haar gladde gezicht deed haar haviksneus haar vandaag op een roofdier lijken. Haar vlechten met de kraaltjes eraan leken op de afgezakte kam van een vreemde adelaar.