Выбрать главу

‘Wat is er, Elsie?’ vroeg Elayne. Ze had al een aantal ongevormde wevingen klaar, van een eenvoudig net van lucht tot een vuurbal die de helft van de muren voor haar zou hebben vernietigd. In haar huidige gemoedstoestand wilde ze een van beide gebruiken; ze wilde de Kracht gebruiken. Haar stemmingen waren de laatste tijd op zijn minst onberekenbaar.

Het meisje keek sidderend over haar schouder en als haar ogen daarvóór al groot waren geweest, dan puilden ze nu echt uit. Ze hield haar handen voor haar mond alsof ze een volgende schreeuw wilde tegenhouden. Met haar donkere haren en ogen, haar lengte, haar volle boezem en in de kledij van Huis Matherin zag ze er echt uit als een meisje. Elsie was dan misschien vier of vijf jaar ouder dan zij, maar de manier waarop ze zich gedroeg maakte het moeilijk om haar anders te zien.

‘Wat is er, Elsie en zeg niet dat het niéts was. Je kijkt alsof je een geest hebt gezien.’

Het meisje schrok. ‘Dat heb ik ook,’ zei ze bevend. Ze sprak Elayne zonder titel aan, wat bewees hoe geschokt ze was. ‘Vrouwe Nelein, Heer Admuns grootmoeder. Ze stierf toen ik klein was, maar ik weet nog dat zelfs heer Admun bij haar op zijn tenen liep, dat de bedienden opsprongen als ze naar hen keek en andere vrouwes en heren die op bezoek waren ook. Iedereen was bang voor haar. Ze stond recht voor me en ze keek zo woedend...’ Ze brak haar relaas blozend af toen Elayne lachte.

Ze lachte voornamelijk uit opluchting. De Zwarte Ajah was haar niet gevolgd naar het landhuis van heer Admun. Er stonden geen moordenaars met messen te wachten, geen zusters die loyaal waren aan Elaida en haar terug wilden brengen naar Tar Valon. Soms droomde ze over die dingen, meestal allemaal tegelijk in dezelfde droom. Ze liet saidar los, zoals altijd met tegenzin, en voelde hoe de vreugde en levenslust uit haar wegstroomden. Matherin steunde haar, maar Admun zou het misschien verkeerd opvatten als ze zijn halve huis ruïneerde.

‘De doden kunnen de levenden niets doen, Elsie,’ zei ze vriendelijk. Nog vriendelijker omdat ze had gelachen en niet te vergeten de neiging had gehad het meisje een draai om haar domme oren te geven. ‘Ze zijn niet meer van deze wereld en kunnen niets in deze wereld aanraken, ook ons niet.’ Het meisje knikte en maakte nog een kniks, maar aan de grootte van haar ogen en het trillen van haar lip te zien was ze niet overtuigd. Elayne had echter geen tijd om haar te vertroetelen. ‘Haal de mannen voor mijn kisten, Elsie,’ zei ze met vaste stem, ‘en maak je geen zorgen over geesten.’ Het meisje maakte nog een kniks en haastte zich op weg, haar hoofd angstig alle kanten opdraaiend voor het geval vrouwe Nelein te voorschijn zou springen. Geesten! Dat kind was werkelijk dom!

Matherin was een oud Huis, al was het dan niet groot of machtig. De brede trappen naar de voorhal hadden marmeren balustrades. De hal zelf was ruim, met grijsblauwe vloertegels en spiegellampen die aan twintig voet lange kettingen aan de zoldering hingen. Er waren geen vergulde en ingelegde voorwerpen, maar er stonden kunstig gesneden kisten en kasten langs de muren. Aan een van de muren hingen twee wandkleden, en op een ervan waren mannen afgebeeld die vanaf hun paard op luipaarden jaagden, wat zacht gezegd een riskante onderneming was. Op het andere gaven vrouwen van Huis Matherin een zwaard aan de eerste koningin van Andor, een gebeurtenis die Matherin koesterde, of die nu werkelijk had plaatsgevonden of niet.

Aviendha was al beneden en ijsbeerde rusteloos door de hal, en Elayne zuchtte toen ze haar zag. Ze zouden een kamer hebben gedeeld als dat niet de indruk zou hebben gewekt dat Matherin niet kon zorgen voor twee belangrijke gasten. Hoe kleiner het Huis, hoe sterker zijn gevoel van trots. Vaak bezaten de kleinere Huizen weinig meer dan dat. Aviendha kon die trots begrijpen, aangezien zijzelf een enorme trots en kracht uitstraalde. Met haar rechte rug was ze langer dan Elayne. Ze had een dikke donkeren sjaal over haar bloes gedrapeerd en hield haar lange rossige haar uit haar gezicht met een grijze hoofddoek. Ze was het toonbeeld van een Wijze, hoewel ze maar een jaar ouder was dan Elayne. Wijzen die konden geleiden leken vaak veel jonger dan ze werkelijk waren, en Aviendha zag er waardig uit. Op dit ogenblik tenminste, ook al hadden ze samen vaak genoeg gegiecheld. De enige opsmuk die ze droeg, zoals gewoonlijk, waren een lange zilveren ketting uit Kandor, een schildpadvormige broche van amber en een brede ivoren armband. Wijzen droegen altijd veel kettingen en armbanden, maar Aviendha was nog geen Wijze, slechts een leerlinge. Elayne dacht nooit aan Aviendha in termen van ‘slechts’, maar het leverde nu en dan problemen op. Soms dacht ze dat de Wijzen haar ook als een soort leerlinge zagen, of op zijn minst als student. Een dwaze gedachte, natuurlijk, maar soms....

Toen Elayne beneden was, schikte Aviendha haar sjaal en vroeg: ‘Heb je goed geslapen?’ Ze klonk onbekommerd, maar haar groene ogen keken onrustig. ‘Je hebt toch geen wijn laten brengen om in slaap te komen? Ik heb ervoor gezorgd dat je wijn bij het avondmaal was verdund met water, maar ik zag je naar de wijnkan kijken.’

‘Ja, moeder,’ zei Elayne zoetjes. ‘Nee, moeder. Ik vroeg me af hoe Admun aan zulke goede wijn was gekomen, moeder. Het leek zonde om het te verdunnen. En ik heb geitenmelk gedronken voor ik ging slapen.’ Als iets haar misselijk maakte, was het wel geitenmelk. En dan te bedenken dat ze het ooit lekker had gevonden. Aviendha zette haar vuisten op haar heupen en vormde zo’n toonbeeld van verontwaardiging dat Elayne moest lachen. Een zwangerschap ging gepaard met ongemakken, van abrupte stemmingswisselingen tot pijnlijke borsten en die eeuwige vermoeidheid, maar het bemoederen van anderen was soms het ergste. Iedereen in het koninklijk paleis wist dat ze zwanger was – velen hadden het zelfs eerder geweten dan zij, dankzij Mins beelden en haar losse tong – en zelfs toen ze klein was werd ze niet zo bemoederd. Toch droeg ze alle lasten met zoveel hoffelijkheid als ze kon opbrengen. Meestal, tenminste. Ze probeerden haar alleen maar te helpen. Ze wilde alleen dat niet iedereen die ze kende, deed alsof ze door haar zwangerschap hersenloos was geworden. Bijna iedereen die ze kende. Degenen die zelf nog nooit een kind hadden gedragen waren het ergste. Soms wilde ze dat Min had verteld of het een meisje of een jongen zou worden, of dat Aviendha of Birgitte zich precies kon herinneren wat Min had gezegd. Min had altijd gelijk, maar ze hadden met zijn drieën vrij veel wijn gedronken en Min was allang vertrokken voor Elayne eraan had gedacht het te vragen. Als ze aan het kind dacht dat in haar groeide, moest ze altijd aan Rhand denken, net zoals ze meteen aan de baby dacht wanneer ze aan hem dacht. Ze miste Rhand vreselijk, al was hij eigenlijk altijd bij haar. Een deel van hem, een gevóél van hem, reisde altijd mee in haar achterhoofd net als dat ze Birgitte voelde, haar andere zwaardhand. De binding had echter zijn grenzen. Hij was ergens in het westen, zo ver weg dat ze weinig meer wist dan dat hij leefde. Eigenlijk niets meer dan dat, ook al dacht ze dat ze het wel zou weten als hij zwaargewond zou zijn. Ze was er niet zeker van dat ze wilde weten waar hij mee bezig was. Hij was na zijn vertrek lang ver in het zuiden geweest en nu, net deze morgen, was hij naar het westen gereisd. Het was eigenlijk verontrustend om hem eerst in de ene richting te voelen en dan plotseling in een andere richting, nóg verder weg. Hij kon wel achter vijanden aan zitten, of voor vijanden op de loop zijn, of nog duizend andere dingen doen. Ze hoopte vurig dat zijn reden om te Reizen een onschuldige was. Hij zou toch al veel te snel sterven – mannen die konden geleiden overleden er altijd aan – maar ze wilde hem graag zo lang mogelijk in leven houden.

‘Het gaat hem goed,’’ zei Aviendha, bijna alsof ze haar gedachten kon lezen. Ze hadden sinds ze elkaar als eerstezusters aannamen meer gevoel voor elkaar, maar dat ging niet zo ver als de zwaardhandbinding die zij en Min met Rhand deelden. ‘Als hij zich laat ombrengen, hak ik zijn oren af.’