Выбрать главу

Haar geleide zat al te paard zodat ze niet in de sneeuw hoefden te staan; een twintigtal ruiters in de rode tunieken met witte kragen en glanzend gepoetste borstplaten en helmen van de Koninginnegarde. Misschien twijfelde Meester Ros omdat de tunieken van de ruiters van zijde waren gemaakt, net als hun rode broeken met witte strepen langs de pijp, en vanwege het lichtgekleurde kant langs hun halzen en mouwen. Ze zagen er in elk geval meer ceremonieel dan effectief uit. Of misschien kwam het doordat het allemaal vrouwen waren. Je zag niet veel vrouwen werken met wapens, op de enkele bewaker van een koopman of in oorlogstijd hier en daar een vrouw in het leger na. Voordat ze er zelf een samenstelde had Elayne nog nooit gehoord van een groep soldaten die enkel uit vrouwen bestond. Met uitzondering van de Speervrouwen natuurlijk, maar zij waren Aiel en iets heel anders. Ze hoopte dat de mensen hen zouden zien als aanstellerij, als voornamelijk decoratief bedoeld, met hun kant en zijde. Mannen hadden de neiging vrouwen met wapens te onderschatten tot ze er een tegenover zich hadden staan, en zelfs de meeste andere vrouwen vonden haar een hersenloos wicht. Lijfwachten deden meestal hun best er zó dreigend uit te zien dat niemand zou proberen langs hen heen te komen. Maar haar vijanden zouden wel een manier vinden om aan te vallen, zelfs al zou ze de complete Koninginnegarde schouder aan schouder om zich heen zetten. Het was haar doel geweest een lijfwacht samen te stellen die door haar vijanden werd genegeerd tot het te laat was. Ze was van plan hun uniform nog meer in het oog te laten springen, deels om deze misvattingen een verdere voedingsbodem te bieden en deels om de trots van deze bijzondere soldatenvrouwen te doen groeien, maar zelf had ze geen twijfels. Elk van deze vrouwen, van koopmanswachten tot Jagers op de Hoorn, was zorgvuldig uitgekozen om haar vaardigheden, ervaring en moed. Elayne was bereid haar leven in hun handen te leggen. Dat had ze al gedaan.

Een slanke vrouw met twee gouden luitenantsknopen op de schouder van haar rode mantel bracht Elayne een saluut met een arm over haar borst. Haar gespikkelde ruin schudde met zijn hoofd waardoor de zilveren bellen in zijn manen lichtjes rinkelden, alsof ook hij haar een saluut bracht. ‘We zijn klaar, Vrouwe, en het terrein is veilig.’ Caseille Raskovni was een van degenen die als lijfwacht van een koopman hadden gewerkt. Haar Arafelse accent was niet dat van een geschoolde vrouw, maar haar stem was kordaat en rechtdoorzee. Ze gebruikte de juiste aanspreektitel en dat zou ze blijven doen totdat Elayne gekroond was, maar ze was bereid om te vechten om die kroon voor Elayne zeker te stellen. Zeer, zeer weinigen, mannen zowel als vrouwen, tekenden tegenwoordig in voor dienst in de Koninginnegarde. ‘De mannen van Meester Ros zijn ook klaar. Voor zover mogelijk.’ De man schraapte zijn keel, verschoof zijn kruk en bestudeerde de sneeuw voor zijn laars.

Elayne zag wat Caseille bedoelde. Meester Ros had elf man van het Huis bij elkaar gesprokkeld om met haar mee te rijden naar Caemlin. Hij had ze voorzien van hellebaarden en korte zwaarden en wat hij verder aan wapenrusting had kunnen vinden: negen antieke helmen zonder gezichtsbescherming en zeven gedeukte borstplaten waardoor ze kwetsbaar waren. Hun rijdieren hadden dikke wintervachten, maar waren niet slecht. Toch zag Elayne, ondanks het feit dat de ruiters in dikke mantels waren gehuld, dat acht van hen zich waarschijnlijk niet vaker dan eens per week hoefden te scheren, of nog helemaal niet. De mannen die meester Ros als ervaren had beschreven, hadden gerimpelde gezichten en benige handen en hadden gezamenlijk waarschijnlijk nog niet één volledig stel tanden. Hij had niet gelogen of geprobeerd te bezuinigen; Admun had waarschijnlijk alle sterke mannen in de omgeving meegenomen en hen zo goed mogelijk toegerust. Het was overal hetzelfde liedje. Blijkbaar was een groot aantal gezonde, sterke mannen verspreid over Andor bezig haar in Caemlin te bereiken. En waarschijnlijk zou geen van hen de stad bereiken totdat alles al beslist was. Ze kon elke dag zoeken zonder ooit een garnizoen te vinden. Maar de mannen in deze kleine groep hielden hun hellebaarden vast alsof ze wisten hoe ze die moesten gebruiken. Aan de andere kant was dat niet zo moeilijk als je in een zadel zat en het uiteinde van de hellebaard in je stijgbeugel kon laten rusten. Dat had zij zelf ook nog wel gekund. ‘We hebben nu negentien van dit soort landhuizen bezocht, zuster,’ zei Aviendha zachtjes, terwijl ze zo dicht naar Elayne toe kwam dat hun schouders elkaar raakten, ‘en met deze erbij hebben we zo 5 jongens verzameld die te jong zijn om tot het Bloed te worden verheven, en oude mannen die hun speer allang terzijde hadden moeten leggen. Ik heb het niet eerder gevraagd, want jij kent je mensen en je gebruiken, maar is dit je tijd wel waard?’

‘O ja, zuster.’ Elayne antwoordde even zachtjes, zodat de eenbenige oud-soldaat en de bedienden hen niet konden horen. De beste mensen konden koppig worden als je wilde dat ze zich op een bepaalde manier gedroegen. Vooral als ze merkten dat de hulp die ze met pijn en moeite hadden verzameld en aangeboden en die je had aanvaard, niet was wat je eigenlijk wilde, iedereen in dat dorp bij de rivier weet inmiddels dat ik hier ben, en dat geldt ook voor de helft van de boerderijen in de wijde omtrek. Tegen de middag weet de andere helft het ook, en morgen bereikt het nieuws het volgende dorp en nog meer boerderijen. Nieuws verspreidt zich langzaam in de winter, vooral in dit land. Ze wéten dat ik mijn aanspraak op de troon heb uitgesproken, maar als ik morgen de troon bestijg of morgen sterf, horen ze dat pas bij aanvang van de lente, misschien zelfs pas in de zomer. Maar vandaag weten ze dat Elayne Trakand leeft, dat ze de Huizen heeft bezocht in juwelen en zijden kleding en dat ze mannen tot haar banier heeft geroepen. Mensen die hier twintig mijl vandaan wonen zullen beweren dat ze me gezien hebben en mijn hand hebben aangeraakt. En als ze dat zeggen, spreken ze meteen ook hun voorkeur uit. Wanneer je voor iemand spreekt, overtuig je jezelf ervan dat je vóór hen bent. Er zijn mannen en vrouwen in negentien plaatsen rondom Andor die praten over hoe ze de erfdochter nog vorige week hebben gezien, en elke dag verspreiden die geruchten zich verder als een inktvlek.

Als ik er de tijd voor zou hebben, zou ik elk dorp in Andor bezoeken. Het zal geen verschil maken voor wat er gebeurt in Caemlin, maar het kan wel alle verschil maken nadat ik gewonnen heb.’ Ze wilde niet denken aan een andere mogelijkheid dan winnen. Vooral niet omdat ze wist wie de troon zou bestijgen als zij faalde. ‘De meeste koninginnen in onze geschiedenis hebben er de eerste jaren van hun regeringsperiode voor moeten zorgen dat het volk achter hen stond, Aviendha, en sommigen hebben dat nooit gedaan, maar er zijn zwaardere tijden dan deze op komst. Ik heb misschien niet eens een jaar de tijd om elke Andoraan aan mijn kant te krijgen. Ik kan niet wachten tot ik op de troon zit. Er komen moeilijke tijden aan en ik moet er klaar voor zijn. Andor moet er klaar voor zijn, en daar moet ik voor zorgen,’ besloot ze vastberaden. Aviendha raakte lachend Elaynes wang aan. ik denk dat ik veel van je zal leren over hoe het is om een Wijze te zijn.’ Tot haar ontsteltenis bloosde Elayne. Haar wangen stonden in brand! Misschien waren haar buien tóch erger dan het bemoederen. Licht, ze zou er nog maanden onder lijden! Niet voor de eerste keer voelde ze iets van wrok jegens Rhand. Hij had haar dit aangedaan – goed, ze had hem geholpen, hem er zelfs toe aangezet, maar dat deed er niet toe – hij had dit gedaan en was met een zelfvoldane grijns op zijn gezicht weggelopen. Ze wist niet zeker of zijn grijns werkelijk zelfvoldaan was geweest, maar ze kon het zich maar al te goed voorstellen. Laat hém maar eens telkens afwisselend vrolijk en huilerig zijn, eens kijken hoe hij dat zou vinden! Ik kan niet goed nadenken, dacht ze geërgerd. Dat was óók zijn schuld.

Eindelijk vonden de verzorgers Vuurhart en Siswai rustig genoeg voor vrouwen. Aviendha klom vanaf het stenen opstapje in haar zadel met heel wat meer sierlijkheid dan vroeger, terwijl ze met haar omvangrijke rokken zo veel mogelijk haar donkere kousen bedekte. Ze vond nog steeds dat haar eigen benen beter waren dan die van een paard, maar ze was een verdienstelijk amazone geworden. Al had ze nog steeds de neiging om verrast te kijken wanneer het paard deed wat ze wilde. Vuurhart probeerde weer heen en weer te dansen toen Elayne op zijn rug zat, maar ze gaf een ruk aan de teugels, misschien iets harder dan ze anders zou hebben gedaan. Haar buien waren omgeslagen in een plotselinge angst om Rhand. Als ze zijn veiligheid niet kon verzekeren, dan was er een man in de buurt van wie ze zeker wist dat hij precies dat zou doen wat hij moest doen. Zes gardevrouwen gingen in een langzaam wandeltempo voor over de weg vanaf het huis; sneller ging niet in deze sneeuw. De rest volgde haar en Aviendha in ordelijke rijen, terwijl de laatste amazones de lastdieren leidden. De plaatselijke mannen reden in slordige rijen achter hen aan met hun eigen lastdier, een ruig paard dat was beladen met kookpotten, slordige bundels en zelfs een zestal levende kippen. Hier en daar steeg gejuich op toen ze door het dorpje met rieten daken reden en over de stenen brug boven een meanderende, bevroren rivier. Ze hoorde luide uitroepen: ‘Elayne van de Lelie!’ en ‘Trakand! Trakand!’ en ‘Matherin houdt stand!’ Maar ze zag ook een vrouw huilen tegen de borst van haar man, die ook tranen op zijn wangen had, en een andere vrouw die met haar rug naar de ruiters bleef staan en weigerde om te kijken. Elayne hoopte dat ze hun zonen weer naar huis kon terugsturen. Er zou waarschijnlijk niet zwaar gevochten worden bij Caemlin, behalve als ze een zware blunder beging. Maar gevechten waren onvermijdelijk en zodra de Rozenkroon van haar was, lag er nog meer strijd in het verschiet. In het zuiden lag Seanchan en in het noorden wachtten Myrddraal en Trolloks op Tarmon Gai’don. Andor zou zonen verliezen in de dagen die komen gingen. Drakenvuur, ze ging niét huilen! Voorbij de brug ging de weg weer omhoog, een steile klim door dennen en sparren en lederbladbomen, maar het was niet meer dan een lange mijl naar de bergweide. De sneeuw glinsterde onder de ochtendzon en droeg nog de sporen van waar een eerdere Poort een diepe voor had achtergelaten. Ze hadden wel dichterbij het huis kunnen uitkomen, maar het was veiliger om een Poort te openen op een plaats waar minder mensen kwamen.