Aviendha deed alsof er, behalve het geworstel met de paarden, niets gebeurd was. Ze fronste haar voorhoofd, enigszins onzeker, haar gezicht omlijst door de donkere wol van haar sjaal, maar haar onzekerheid had niets met het paard te maken.
‘Ik heb je verteld over de ringen in Rhuidean,’ sprak ze langzaam, en Elayne knikte ongedurig. Elke vrouw die Wijze wilde worden moest door een ter’angreaal van drie ringen stappen voordat haar opleiding begon. Het was zoiets als de ter’angreaal die werd gebruikt om Novices te testen voor ze een Aanvaarde in de Witte Toren konden worden, behalve dat in het geval van de ringen een vrouw haar hele leven zag. Al haar mogelijke levens, eigenlijk, elke beslissing anjers genomen, een oneindige waaier van levens op basis van andere keuzes. ‘Niemand kan dat allemaal onthouden, Elayne, alleen maar stukjes ervan. Ik wist dat ik van Rhand Altor zou houden...’ ze voelde zich nog steeds ongemakkelijk als ze zijn voornaam gebruikte in het bijzijn van anderen, ‘en dat ik zustervrouwen zou vinden. Van de meeste van die beelden hou je hoogstens een indruk over. Soms een vaag waarschuwend gevoel. Ik denk dat er iets ergs zal gebeuren als we nu naar hem toe gaan. Misschien zal een van ons sterven, misschien wij beiden, ondanks wat Min gezegd heeft.’ Ze zei Mins naam zonder hakkelen, wat aangaf hoeveel zorgen ze zich maakte. Ze kende Min niet erg goed en gebruikte meestal haar volledige naam, Min Farsen. ‘Misschien zal hij sterven. Misschien iets anders. Ik weet het niet zeker – misschien overleven we het wel allemaal en zitten we dan later met hem rond een vuur pecara te roosteren, maar ik voel een vage waarschuwing in mijn hoofd.’ Elayne opende boos haar mond. Toen sloot ze hem weer terwijl haar woede wegsijpelde als water en liet haar schouders zakken. Misschien was Aviendha’s gevoel juist en misschien niet, maar het feit was dat haar argumenten van meet af aan goed waren geweest. Als ze onbezonnen te veel riskeerden, zou dat tot rampspoed kunnen leiden. Het baken was nog sterker geworden. En hij was daar, precies bij het baken. Dit werd haar niet ingegeven door de binding, niet over deze afstand, maar ze wist het. En ze wist dat ze hem voor zichzelf zou moeten laten zorgen terwijl zij voor Andor zorgde, ik kan je niets meer leren over hoe je een Wijze moet zijn, Aviendha,’ zei ze zachtjes. ‘Je bent al veel wijzer dan ik. En dapperder en beheerster, bovendien. We gaan terug naar Caemlin.’ Aviendha kleurde lichtjes onder haar prijzende woorden – ze kon soms erg gevoelig zijn – maar ze verknoeide geen tijd en opende de Poort. Ze keken door een wervelende opening in de lucht uit op de stalhof van het koninklijk paleis. Sneeuw van de weide viel op de schoongeveegde tegels, bijna driehonderd mijl verderop, alsof het niets was. Elayne voelde Birgitte ergens in het paleis. Birgitte had hoofdpijn en een zuur gevoel in haar maag, wat de laatste tijd vaker voorkwam, maar het paste uitstekend bij Elaynes stemming. Hij moet zichzelf redden, dacht ze terwijl ze door de Poort reed. Licht, hoe vaak had ze dat al niet gedacht? Laat maar. Rhand was de liefde van haar hart, de vreugde van haar leven, maar Andor was haar plicht.
11
Over schulden gesproken
De Poort was zodanig geplaatst dat het leek alsof Elayne vanuit een gat in de muur de straat opreed. Op het pleintje was voor de veiligheid een vierkant gedeelte afgezet met wijnvaten die met zand waren gevuld. Vreemd genoeg voelde ze niemand geleiden in het paleis, hoewel er meer dan honderdvijftig vrouwen woonden die konden geleiden. Sommigen zouden natuurlijk de stad uit zijn, te ver weg voor haar om iets te voelen wat kleiner was dan een gekoppelde cirkel, maar normaal gesproken was er altijd wel iemand in het paleis die saidar gebruikte. Het werd gebruikt om gevangengenomen sul’dam te laten toegeven dat ze wevingen van de Ene Kracht konden zien, of gewoon om de kreukels uit een stola te halen zonder een ijzer te hoeven opwarmen. Maar niet deze ochtend. Windvindsters waren vaak even arrogant als Aes Sedai, maar zelfs zij moesten zich hierdoor bedrukt voelen. Elayne dacht dat als ze naar een hooggelegen raam zou klimmen, ze de wevingen van dat grote baken zou kunnen zien, ook al was het honderden roeden ver. Ze voelde zich als een mier die zich net bewust was geworden van de bergen, een mier die de Rug van de Wereld vergeleek met de heuvels waar hij altijd ontzag voor had gehad. Zelfs de windvindsters moesten zich klein voelen bij dit verschijnsel.
Aan de oostzijde van het paleis, geflankeerd door puur witte stenen stallen van twee verdiepingen hoog, was de stalhouderij van de Koningin. Deze was traditioneel bestemd voor de paarden en wagens van de Koningin, en ze had geaarzeld er gebruik van te maken voordat de Leeuwentroon van haar was. De trappen naar de troon waren zo delicaat als een hofdans, en ook al leek de dans soms meer op een taveernegevecht, je moest toch je passen met gratie en precisie zetten om je doel te bereiken. Sommige vrouwen hadden hun kans op regeren verspeeld door de faciliteiten op te eisen voor ze waren gekroond. Uiteindelijk had ze besloten de overtreding toch maar te begaan. De stalhouderij was klein en werd verder nergens anders voor gebruikt. Je hoefde hier ook niet zoveel mensen uit de buurt te houden wanneer er een Poort werd geopend. Toen ze de stalhouderij binnenreed was er inderdaad niemand, behalve een verzorger in een rode tuniek die voor een van de gewelfde staldeuren stond. Hij draaide zich om en schreeuwde naar binnen. Terwijl Elayne Vuurhart uit het afgebakende gedeelte leidde, stroomden er tientallen andere verzorgers naar buiten. Ze waren er blijkbaar op voorbereid dat ze zou terugkeren met vooraanstaande edelen, of misschien hadden ze dat alleen maar gehoopt.
Caseille leidde de gardisten door de Poort en liet de meesten van hen afstijgen en voor hun dieren zorgen. Zij en nog zes anderen bleven in het zadel en keken over de hoofden van de rondlopende mensen. Zelfs hier zou ze Elayne niet onbewaakt laten. Vooral niet hier, waar ze meer gevaar te duchten had dan in elk van de Huizen die ze hadden bezocht. De mannen van Matherin liepen de verzorgers en de garde voor de voeten; ze staarden naar de witte stenen balkons en colonnades die over het plein uitkeken en naar de torens en gouden koepels in de verte. De kou leek hier minder erg dan in de bergen – hoewel ze weigerde zich door de kou te laten aanraken, was ze er nog wel gevoelig voor – maar de mensen en de paarden ademden nog steeds wolkjes mist uit. De geur van paardenmest leek sterk na de schone berglucht. Een warm bad voor een laaiend vuur zou nu welkom zijn. Daarna zou ze terugduiken in haar werk om de troon te bemachtigen, maar nu was een bad precies wat ze nodig had.
Een stel verzorgers rende op Vuurhart af. De een pakte de leidsels en was meer bezig met te zorgen dat de grote ruin zich rustig hield terwijl Elayne afstapte dan met het maken van kniksen. De ander maakte een buiging en bleef gebogen staan terwijl hij met zijn handen een afstapje voor Elayne maakte. Geen van beiden keken ze langer dan een tel naar de met sneeuw bedekte bergweide op de plek waar normaal een stenen muur stond. De stalknechten waren inmiddels wel gewend aan Poorten. Ze had gehoord dat ze in de taveerne drankjes verdienden door op te scheppen hoe vaak ze de Kracht al hadden zien gebruiken en de dingen die ze met gebruik van de Kracht hadden zien gebeuren. Elayne kon zich voorstellen hoe die verhalen klonken tegen de tijd dat ze Arymilla bereikten. Het deed haar stiekem deugd als ze zich voorstelde hoe Arymilla op haar nagels zat te bijten.
Toen ze haar voeten op de stenen zette, verscheen er een groep gardevrouwen. Ze droegen rode hoeden met witte pluimen die plat op de brede randen lagen, en over hun glimmende borstplaten zaten met kant afgezette rode sjerpen waarop de Witte Leeuw was geborduurd. Pas toen vergezelde Caseille de rest van Elaynes geleide naar de stal. Hun vervangers waren even oplettend, hun blikken alle kanten opschietend, hun handen in de buurt van hun zwaardgevesten. Behalve Deni, een grote vrouw met een kalm gezicht die een lange, met koperen pennen bezette knuppel bij zich droeg. Er waren er maar negen – maar negen, dacht Elayne bitter. Ik heb maar negen lijfwachten nodig in het koninklijk paleis! – maar iedereen die een zwaard droeg kon er mee omgaan. De vrouwen die ‘het vak van het zwaard’ volgden, zoals Caseille het noemde, moesten wel goed zijn, anders zouden ze vroeg of laat worden verslagen door kerels die als enige voordeel de kracht hadden om hen neer te slaan. Deni bezat helemaal geen vaardigheid met het zwaard, maar de weinige mannen die haar knuppel hadden leren kennen, hadden daar spijt van. Ondanks haar grote omvang was Deni razendsnel, en ze had er geen moeite mee om oneerlijk te vechten.