Hoewel Caseille en haar garde het plein hadden verlaten, moesten Elayne en de anderen zich een weg banen door een menigte. De mannen van Matherin waren eindelijk afgestegen maar ze liepen nog steeds rond, lieten hun hellebaarden uit hun handen vallen en probeerden hun lastdier van zijn last te ontdoen. Een van de jongens rende achter een kip aan die was ontsnapt en tussen de benen van de paarden door schoot. Een gerimpelde oude man joelde aanmoedigingen, maar het was niet duidelijk of die voor de jongen of voor de kip bedoeld waren. Een banierdrager in een vaalrode tuniek die om zijn buik spande, met een leren gezicht en een schamel randje wit haar, probeerde orde te scheppen, geholpen door een iets jongere gardist. Beiden waren waarschijnlijk teruggeroepen van hun oudedag, zoals zovelen. Een andere jongen leek van plan zijn ruige paard het paleis binnen te leiden, en Birgitte moest hem opdragen uit de weg te gaan voordat Elayne naar binnen kon. De jongen, een knaap van een jaar of veertien met pluis op zijn wangen, gaapte Birgitte aan. In haar uniform was ze inderdaad indrukwekkender dan de erfdochter in haar reiskleding, en bovendien had hij de erfdochter al eens gezien. Rasoria duwde hem hoofdschuddend terug in de richting van de oude banierdrager.
‘Ik weet niet wat ik met ze aan moet,’ gromde Birgitte toen ze in de kleine voorhal stonden. Klein voor het koninklijk paleis, dan. Met vergulde staande lampen die flakkerden tussen spits toelopende witte pilaren, was hij anderhalf keer zo groot als de hoofdingang van Huis Matherin, al was de zoldering niet zo hoog. Een bediende met de Witte Leeuw op de linkerborstzak van haar kleding, een meisje niet veel ouder dan de jongen die had geprobeerd zijn paard naar binnen te leiden, bood hun een dienblad van gedraaid zilver aan waarop hoge bekers dampende kruidenwijn stonden. Ze werd door de fronsende gezichten van zowel Aviendha als Birgitte verjaagd. ‘Die verdraaide jongens vallen in slaap als ze moeten wachtlopen,’ ging Birgitte verder terwijl ze het meisje boos nakeek. ‘De oude mannen blijven wakker, maar die weten niet meer wat ze ook alweer moeten doen als iemand probeert tegen de muur op te klimmen, en de andere helft kan samen nog niet eens zes herders met een hond van zich afhouden.’
Aviendha trok een wenkbrauw op naar Elayne en knikte. ‘Ze zijn hier niet om te vechten,’ herinnerde Elayne hen terwijl ze over de blauwe tegels van de gang liepen die werd geflankeerd door staande lampen en ingelegde kisten. Birgitte en Aviendha liepen aan weerskanten van Elayne en de gardevrouwen enkele passen voor en achter hen. Licht, dacht ze, ik zou die wijn heus niet genomen hebben! Haar hoofd klopte mee met dat van Birgitte, en ze wreef over haar slapen terwijl ze zich afvroeg of ze haar zwaardhand kon bevelen onmiddellijk een Heler op te zoeken.
Maar Birgitte had andere plannen. Ze keek naar Rasoria en de anderen voor hen, keek toen over haar schouder en gebaarde naar de gardisten achter hen dat ze iets verder achter moesten blijven. Dat was vreemd. Ze had persoonlijk elke vrouw in de gardisten geselecteerd en ze vertrouwde hen. Toch fluisterde ze gehaast, met haar hoofd dicht bij dat van Elayne. ‘Er is iets gebeurd, net voor je terugkwam. Ik vroeg Sumeko of ze me wilde helen voor je terugging, en plotseling viel ze flauw. Haar ogen draaiden weg en daar ging ze. Maar dat is niet het enige. Niemand wil iets toegeven, niet tegen mij, maar de andere Kinsvrouwen die ik heb gezien zijn doodzenuwachtig, en de windvindsters ook. Je was terug voor ik een zuster kon vinden, maar van hen verwacht ik ook geen antwoorden. Ik denk dat ze het jou wel zullen vertellen.’
Er was een bevolking van een klein dorp nodig om het paleis draaiende te houden en ze kwamen onvermijdelijk bedienden tegen; lakeien en vrouwen die zich door de gangen haastten, zich platdrukten tegen de muren of snel een andere gang insloegen om ruimte te maken voor Elaynes lijfwacht. Dus vertelde Elayne het weinige wat ze wist op zo zacht mogelijke toon en met zo weinig mogelijk woorden. Sommige geruchten mochten van haar best de straat bereiken, en onvermijdelijk ook Arymilla, maar verhalen over Rhand konden even erg zijn als verhalen over de Verzakers. Vooral tegen de tijd dat ze een paar keer waren herverteld. Of erger nog, op een bepaalde manier. Niemand zou geloven dat de Verzakers haar als speelpop op de troon wilden hebben, in elk geval,’ besloot ze, ‘heeft het niets met ons hier te maken.’
Ze dacht dat ze erg overtuigend klonk, koel en afstandelijk, maar Aviendha pakte haar hand en kneep erin, wat met zoveel mensen in de buurt voor een Aiel net zoiets was als een troostende omarming, en Birgittes medeleven stroomde door de binding. Het was méér dan medeleven; het was het gedeelde gevoel van een vrouw die het verlies dat zij vreesde al had geleden. Gaidal Cain was voor Birgitte even onbereikbaar als wanneer hij dood was geweest, en bovendien waren haar herinneringen aan haar vroegere levens aan het vervagen. Ze kon zich bijna niets meer duidelijk herinneren van vóór de stichting van de Witte Toren, en zelfs van de Witte Toren niet meer alles. Soms vervaagde ’s nachts ook de angst dat ze Gaidal zou vergeten, dat ze niet meer zou weten dat ze hem gekend had en van hem gehouden had, en kon ze niet slapen tot ze zoveel brandewijn had gedronken als ze binnen kon houden. Dat was geen goede oplossing, en Elayne wenste dat ze een betere kon bieden. Maar ze wist dat haar eigen herinneringen aan Rhand niet zouden sterven voordat zij dat deed. Ze kon zich niet voorstellen hoe verschrikkelijk het moest zijn om te weten dat je die herinneringen kwijtraakte. Toch hoopte ze dat iemand snel iets aan de kater van Birgitte kon doen, voordat haar eigen hoofd zou openbarsten als een overrijpe meloen. Ze was zelf te zwak in Heling, en Aviendha was niet veel beter.
Ondanks de emotie die ze in Birgitte kon voelen, hield de andere vrouw haar gezicht glad en onbewogen. ‘De Verzakers,’ mompelde ze zachtjes. Dit was geen naam om hardop uit te roepen. ‘Wel, zolang het met ons niets van doen heeft, is het in orde.’ Een grom die misschien als lach bedoeld was, verried dat ze loog. Maar ook al zei Birgitte dat ze nooit eerder soldaat was geweest, ze dacht wel als een soldaat. De meeste kansen die je kreeg waren klein, maar je moest toch je taak volbrengen, ik vraag me af wat zij ervan vinden?’ voegde ze eraan toe, knikkend in de richting van vier Aes Sedai die verderop uit een zijgang te voorschijn waren gekomen. Vandene, Merilille, Sareitha en Careane hadden hun hoofden dicht bij elkaar gestoken. De laatste drie hadden zich rond Vandene geschaard en praatten tegen haar met drukke gebaren, waardoor de franje aan hun stola’s heen en weer zwaaide. Vandene schreed langzaam vooruit en leek het zich niet aan te trekken. Ze was altijd slank geweest, maar haar donkergroene gewaad met geborduurde bloemetjes op de mouwen en schouders hing rond haar lijf alsof het gemaakt was voor een grotere vrouw, en haar witte haren moesten nodig geborsteld worden. Haar gezicht stond troosteloos, maar dat hoefde niet per se iets te maken te hebben met wat de andere zusters vertelden. Ze was al vreugdeloos sinds haar zuster was vermoord. Sinds de moord droeg Vandene de kleren van haar zuster vaker dan haar eigen kleding. Niet dat ze daarom niet pasten. De twee vrouwen hadden dezelfde maat gehad, maar Vandenes eetlust was samen met haar zuster gestorven. Het leek wel of haar lust voor de meeste dingen was gestorven.
Sareitha, een Bruine zuster wier vierkante, donkere gezicht nog niet leeftijdloos was, zag hen en legde een hand op Vandenes arm om haar de gang door te trekken. Vandene veegde de hand van de Tyreense vrouw weg en verdween in de gang waar ze uit waren gekomen, met slechts een korte blik op Elayne. Twee vrouwen in het wit van Novices, die de anderen op respectvolle afstand waren gevolgd, maakten snelle kniksen naar de achtergebleven zusters en haastten zich achter Vandene aan. Merilille, een kleine vrouw in donkergrijs dat haar Cairhiense bleke huid wel op ivoor deed lijken, staarde alsof ze achter hen aan wilde gaan. Careane schikte haar stola op haar schouders die breder waren dan die van de meeste mannen, en wisselde een paar kalme woorden met Sareitha. Het stel draaide zich om om Elayne te begroeten en ze maakten kniksen die bijna zo diep waren als die van de Novices. Merilille zag de gardevrouwen en knipperde met haar ogen, merkte Elayne op en schrok. Haar kniks was even diep als die van de Novices.