Выбрать главу

Kortgeleden had een van haar wakers bij de Zwaan een verontrustende naam opgevangen, gemompeld en snel het zwijgen opgelegd, alsof men bang was voor afluisteraars. Cadsuane. Geen gebruikelijke naam. En Cadsuane Melaidhrin had zich in de buurt van Rhand begeven toen hij in Cairhien was. Vandene was niet zo gecharmeerd van de vrouw, ze vond haar eigenwijs en koppig, maar Careane was bijna flauwgevallen van ontzag toen ze die naam hoorde. Het leek wel alsof de verhalen over Cadsuane legenden waren. En de Herrezen Draak op eigen houtje proberen te verslaan was precies het soort actie dat Cadsuane zou kunnen ondernemen. Niet dat Elayne zich zorgen, maakte over Rhand en een Aes Sedai, behalve dat hij haar tot razernij zou kunnen brengen – de man was soms veel te koppig om te zien wat goed voor hem was! – maar waarom zou een zuster in Caemlin haar naam noemen? En waarom had iemand haar gemaand om te zwijgen?

Ondanks het warme badwater huiverde ze. Ze dacht aan alle webben die de Witte Toren door de eeuwen heen had gesponnen, zo fijn dat niemand ze kon zien behalve de zusters die ze gesponnen hadden, zo ingewikkeld dat niemand behalve die zusters ze had kunnen ontrafelen. De Toren spon webben, de Ajahs sponnen webben, zelfs individuele zusters sponnen webben. Soms liepen die plannen in elkaar over alsof ze door een enkele hand werden gestuurd. En soms hadden ze elkaar uiteen gereten. Dat was hoe de wereld gedurende drieduizend jaar vorm had gekregen. Nu had de Toren zich in drie even grote kampen verdeeld: een voor Egwene, een voor Elaida en een dat zich afzijdig hield. Wanneer die laatste twee contact met elkaar hadden, gegevens uitwisselden – plannen maakten? – dan zou dat betekenen...

Er klonk een plotseling tumult van stemmen, gedempt door de gesloten deur en Elayne ging rechtop zitten. Naris en Sefanie gilden en sprongen elkaar in de armen terwijl ze met grote ogen naar de deur staarden.

‘Wat in de naam van...?’ Birgitte sprong grauwend op van de kist en liep de kamer uit, waarbij ze de deur achter zich dichtsloeg. De stemmen werden luider.

Het klonk niet alsof de gardevrouwen aan het vechten waren. Er werd enkel luid geruzied. De binding gaf vooral woede en frustratie door, samen met Birgittes rottige hoofdpijn, maar Elayne klom uit de badkuip en stak haar armen uit zodat Essande haar de badmantel kon aantrekken. De kalmte van de witharige vrouw en misschien die van Elayne, stelde de twee meisjes voldoende gerust zodat ze bloosden toen Essande hen aankeek. Aviendha sprong uit haar badkuip, overal water in het rond spattend, en rende druipend naar de kleedkamer. Elayne dacht dat ze zou terugkeren met haar mes, maar in plaats daarvan kwam ze omringd door de gloed van saidar en met haar schildpad van amber in haar hand de kamer weer binnen. Met haar andere hand gaf ze Elayne de angreaal die in haar beurs had gezeten, een oud ivoren beeldje van een vrouw die enkel door haar haren werd bedekt. Aviendha droeg, behalve de handdoek op haar hoofd, enkel een laagje water en ze wuifde Sefanie boos weg toen de vrouw probeerde haar een badmantel aan te trekken. Ze wilde tijdens een mogelijk gevecht niet belemmerd worden in haar bewegingen.

‘Leg dit terug in de kleedkamer,’ zei Elayne, terwijl ze de ivoren angreaal aan Essande gaf. ‘Aviendha, ik denk echt niet dat we...’ De deur ging een stukje open en Birgittes fronsende gezicht verscheen om de hoek. Naris en Sefanie sprongen op, toch niet zo gerust als ze hadden geleken.

‘Zaide wil je spreken,’ gromde Birgitte naar Elayne. ‘Ik zei haar dat ze moest wachten, maar...’ Met een plotselinge kreet struikelde ze de kamer binnen. Ze hervond haar evenwicht na twee passen en draaide zich woest om naar de vrouw die haar geduwd had. De golfvrouwe van de Catelarclan zag er niet uit alsof ze iemand had geduwd. De uiteinden van haar ingewikkeld geknoopte sjerp bungelden rond haar knieën toen ze kalm de kamer binnenstapte. Ze werd gevolgd door twee windvindsters, en een van hen sloeg de deur voor Rasoria’s boze gezicht dicht. Ze wankelden alledrie tijdens het lopen, net als Birgitte in haar hooggehakte laarzen. Zaide was klein, met strepen grijs in haar krulhaar, maar haar donkere gezicht werd met de jaren mooier. Haar schoonheid leek nog te worden versterkt door de gouden ketting, vol kleine penningen, die een van haar dikke oorringen met haar neusring verbond. Belangrijker nog, ze had een houding van gezag over zich. Niet van hoogmoed, maar van de wetenschap dat ze gehoorzaamd zou worden. De windvindsters loerden naar Aviendha, die nog steeds gloeide met de Kracht, en Chanelles hoekige gezicht verstrakte. Maar behalve een gemompel van Shielyn dat het ‘Aielmeisje’ klaarstond om te weven, bleven ze stil en afwachtend. De acht ringen in het oor van Shielyn bewezen dat ze windvindster was voor een golfvrouwe, en aan de ereketen van Chanelle zaten bijna evenveel gouden penningen als aan die van Zaide. Ze waren beiden vrouwen met gezag, dat was duidelijk te zien aan hun houding en bewegingen, en je hoefde niets te weten van de Atha’an Miere om met één blik te kunnen zien dat Zaide din Parede de hoogste rang had.

‘U bent vast over uw laarzen gestruikeld, kapitein-generaal,’ mompelde ze met een glimlachje om haar volle lippen, terwijl haar donker getatoeëerde hand speelde met het gouden geurdoosje dat op haar borst bungelde. ‘Onhandige dingen, laarzen.’ Zij en de twee windvindsters waren blootsvoets, zoals altijd. De voetzolen van de Atha’an Miere waren hard als schoenzolen en ze hadden geen last van ruwe planken of kille vloertegels. Vreemd genoeg droeg elk van de vrouwen, behalve een bloes en broek van fel gekleurd zijden brokaat, een brede, eenvoudige witte sjerp die tot over hun heupen viel en die bijna hun vele kettingen bedekte.

‘Ik zat in bad,’ zei Elayne met geknepen stem. Alsof ze dat niet konden zien, met haar haren omhoog en haar badmantel die vochtig tegen haar huid plakte. Essande stond bijna te rillen van verontwaardiging, wat betekende dat ze waarschijnlijk razend was. Elayne voelde ook dat ze boos werd. ‘Ik stap weer terug in mijn bad zodra jullie vertrokken zijn. Ik zal jullie spreken als ik klaar ben. Zo het Licht het wil.’ Zo! Als ze haar kamer zomaar binnendrongen konden ze een staaltje ceremonie krijgen!

‘Moge het Licht ook op u schijnen, Elayne Sedai,’ antwoordde Zaide fijntjes. Ze trok een wenkbrauw op naar Aviendha, maar dat was niet vanwege de nog altijd aanwezige gloed van saidar – Zaide kon niet geleiden – en ook niet vanwege haar naaktheid, aangezien het Zeevolk daar vrij laconiek over was wanneer ze uit het zicht waren van landrotten. ‘U hebt mij nog nooit uitgenodigd om met u te baden, maar daar zullen we het maar niet over hebben. Ik heb gehoord dat Nesta din Reas Tweemanen dood is, vermoord door de Seanchanen. We betreuren het verlies.’ Alledrie de vrouwen raakten hun witte sjerpen aan en legden vervolgens hun vingertoppen op hun lippen, maar Zaide leek even weinig geduld te hebben met formaliteiten als Elayne. Zonder haar stem te verheffen of haar woorden te versnellen, ging ze eenvoudig verder, bijna schokkend abrupt en terzake voor iemand van het Zeevolk.

‘De Eerste Twaalf van de Atha’an Miere moeten bijeenkomen om een nieuwe Vrouwe der Schepen te kiezen. De gebeurtenissen in het westen maken duidelijk dat er haast bij is.’ Shielyns mond verstrakte en Chanelle hield haar geurdoos onder haar neus alsof ze een andere geur wilde blokkeren. De kruidige geur was sterk genoeg om de geur van de rozenolie te overstemmen. Hoe ze ook aan Zaide hadden beschreven wat ze voelden, zij vertoonde geen tekenen van onrust of onzekerheid. Haar blik bleef op Elaynes gezicht gericht. ‘We moeten klaar zijn voor wat er komen gaat, en daarvoor hebben we een Vrouwe der Schepen nodig. In de naam van de Witte Toren hebt u mij twintig onderwijzers beloofd. Vandene is in de rouw, en u kan ik ook niet meenemen, maar ik neem de andere drie mee. De rest komt de Witte Toren nog toe, en ik verwacht prompte betaling. Ik heb een bericht aan de zusters in de Zilveren Zwaan gestuurd om te kijken of enkelen van hen bereid zijn de schuld van de Toren in te lossen, maar ik kan niet wachten op hun antwoord. Als dat het Licht behaagt, zal ik vanavond bij de haven van Illian baden met de andere golfvrouwe.’