Voordat ze twintig slagen met de kam kon maken, verscheen Birgitte in de deuropening. Essande snoof en Elayne kon bijna zien hoe de vrouw achter haar rug een grimas trok. Essande had aanvaard dat Birgitte tijdens het baden aanwezig was, met tegenzin weliswaar, maar de kleedkamer was heilig.
Verrassend genoeg liet Birgitte de afkeuring van de bediende van zich afglijden zonder ook maar een verzoenende blik. Normaal gesproken ergerde ze Essande niet meer dan nodig was. ‘Dyelin is terug, Elayne. Ze heeft gezelschap: de Hoogzetels van Mantear, Haevin, Giljard en Nortan.’ Om onduidelijke redenen voerde de binding gevoelens van verwarring en ergernis met zich mee. Gedeelde hoofdpijn of niet, Elayne kon wel springen van blijdschap. Als Essande de kam niet zo diep in haar haren had geplant, zou ze dat misschien wel hebben gedaan. Vier! Ze had nooit verwacht dat Dyelin zoveel zou bereiken. Ze had erop gehoopt, erom gebeden, maar het nooit verwacht, zeker niet in één korte week. In werkelijkheid was ze ervan overtuigd geweest dat Dyelin met lege handen zou terugkeren. Vier stelde haar gelijk met Arymilla. Het was ergerlijk dat ze ‘gelijkstond’ met dat domme mens, maar het was de waarheid. Mantear, Haevin, Giljard en Nortan. Waarom Candraad niet? Dat was het vijfde Huis dat Dyelin had benaderd. Maar ze had vier Huizen en ze zou zich niét druk maken over wat ze niet had. ‘Breng ze naar de formele zitkamer en blijf bij ze tot ik kan komen, Birgitte.’ De kleine zitkamer was voldoende geweest voor Zaide – ze hoopte dat de golfvrouwe de belediging niet had gevoeld – maar voor vier Hoogzetels was meer nodig. ‘En vraag de huisvrouwe om vertrekken te regelen.’ Vertrekken. Licht! De Atha’an Miere moesten snel weg om ruimte te maken. Tot zij vertrokken, sliepen in de meeste bedden al drie mensen. ‘Essande, de groene zijden met de saffieren, denk ik. En ook saffieren voor mijn haar. Die grote.’ Birgitte vertrok, nog steeds verward en van streek. Waarom? Ze kon toch niet verwachten dat ze Dyelin zou laten wachten om Zaide? O Licht, nu was ze verward omdat Birgitte verward was; als dit zo doorging werden ze allebei duizelig! Toen de deur dicht was, liep Essande met een triomfantelijk glimlachje naar de dichtstbijzijnde kast. Kijkend naar Aviendha, die Naris en haar kam had weggewuifd en nu zelf een grijze doek om haar haren bond, glimlachte Elayne zelf ook. Ze had iets nodig om haar uit die werveling te halen. ‘Misschien moest je deze keer ook weer eens zijde en stenen dragen, Aviendha,’ zei ze op licht plagerige toon. ‘Dyelin zal het niet erg vinden, natuurlijk, maar de anderen zijn niet gewend aan Aiel. Anders denken ze misschien dat ik een stalknecht bij me heb.’ Het was als grapje bedoeld – ze plaagden elkaar voortdurend over kleding en Dyelin keek tóch wel met scheve ogen naar Aviendha, wat die ook droeg – maar haar zuster keek fronsend naar de kasten langs de muur, knikte en legde de grijze doek naast zich neer op het kussen. ‘Net genoeg om indruk te maken op die Hoogzetels. Denk maar niet dat ik dit altijd doe. Ik doe het voor jou.’ Voor iemand die enkel een ander een plezier deed, toonde ze wel veel belangstelling voor de kleding die Essande te voorschijn haalde. Ze koos voor een donkerblauw fluwelen kleed met een groenzilveren net voor haar haren. Het was haar kleding, voor haar gemaakt, maar sinds ze in Caemlin was aangekomen had ze die kleding vermeden alsof ze krioelden van de doodskleedspinnen. Ze streelde de mouwen en aarzelde alsof ze van gedachten zou veranderen, maar uiteindelijk liet ze Naris de kleine paarlen knoopjes dichtmaken. Elayne bood aan haar een paar smaragden te lenen die uitstekend bij het gewaad pasten, maar Aviendha hield haar zilveren sneeuwvlokketting en haar zware ivoren armband om. Op het laatste ogenblik bevestigde ze de schildpad van amber op haar schouder. ‘Je weet nooit wanneer hij van pas komt,’ zei ze. ‘Beter mee verlegen dan om verlegen,’ stemde Elayne in. ‘Die kleuren staan je prachtig.’ Het was waar, maar Aviendha bloosde. Als je haar complimenteerde met haar boogschietkunst of hoe snel ze kon rennen, nam ze dat zonder meer aan, maar ze had moeite om te aanvaarden dat ze mooi was. Dat was een deel van zichzelf dat ze tot voor kort had weten te negeren.
Essande schudde afkeurend haar hoofd, niet wetende dat de schildpadbroche een angreaal was. Amber stond niet bij blauw fluweel. Of misschien was het vanwege Aviendha’s mes met het hoornen gevest, dat ze achter haar groen fluwelen riem stak. De oude vrouw deed Elayne een riem van gevlochten goud om waaraan een kleine dolk met saffieren hing. Alles moest precies goed zijn om Essandes goedkeuring te kunnen wegdragen.
Rasoria schrok op toen Aviendha in haar fluwelen gewaad de voorkamer binnenliep. De gardevrouwen hadden haar nooit in iets anders gezien dan in Aiel-dracht. Aviendha keek alsof ze hadden gelachen en greep haar mes stevig vast, maar gelukkig werd haar aandacht afgeleid door een dienblad dat bedekt met een doek op de lange zijtafel tegen de muur stond. Elaynes middagmaal was gebracht terwijl zij bezig waren geweest met verkleden. Aviendha trok de blauwgestreepte doek weg en probeerde Elayne aan te zetten iets te eten, lachend en wijzend naar de zoete stoofschotel van gedroogde pruimen en juichend over de stukken varkensvlees in graanbrij. In werkelijkheid zaten er maar flintertjes vlees in. Rasoria schraapte haar keel en vertelde dat er een lekker vuur brandde in de grotere zitkamer. Ze zou met alle plezier het dienblad voor Vrouwe Elayne meenemen. Iedereen probeerde te zorgen dat Elayne goed at, hoe zij ‘goed’ dan ook zagen, maar dit was belachelijk. Het dienblad had er al een tijdje gestaan en de brij was een klonterige massa geworden. Als ze de kom op de kop hield zou die rommel gewoon blijven plakken!
Er zaten Hoogzetels van vier Huizen op haar te wachten, en ze hadden nu wel lang genoeg gewacht. Ze merkte dit feit op, maar bood aan dat zij haar eten wel mochten hebben als ze honger hadden. In feite gaf ze hun te kennen dat ze daar weleens op zou kunnen staan, en dat was voor Aviendha voldoende om de doek met een rilling weer over het dienblad te werpen. Ook Rasoria verspilde verder geen tijd.
Het was maar een korte wandeling door de ijzige gang naar de formele zitkamer, en alleen de fel gekleurde winterwandkleden bewogen in de tocht van de gang, maar de gardevrouwen vormden een ring om Elayne en Aviendha en hielden alles in de gaten alsof ze Trolloks verwachtten. Slechts met moeite lukte het Elayne om Rasoria ervan te overtuigen dat het niet nodig was de zitkamer te doorzoeken voor ze binnenging. De gardevrouwen dienden en gehoorzaamden haar, maar ze hadden ook gezworen haar in leven te houden. Ze konden daar even koppig in zijn als Birgitte over de beslissing of ze op enig tijdstip zwaardhand, kapitein-generaal of oudere zuster was. Waarschijnlijk zou Rasoria de heren en vrouwes die binnen wachtten het liefst hebben gevraagd om hun wapens af te staan! Maar de dreiging met de brij had er misschien ook iets mee te maken. Na een korte woordenwisseling stapten Elayne en Aviendha alleen door de brede deuropening de kamer binnen. Elaynes gevoel van tevredenheid duurde niet lang.
De zitkamer was groot en bood gemakkelijk plaats aan tientallen mensen; hij had donker betimmerde wanden en gelaagde kleden over de vloertegels. Er stond een hoefijzervormige rij stoelen voor een grote open haard van roodgeaderd, wit marmer. Hier konden belangrijke hoogwaardigheidsbekleders worden ontvangen met meer eerbetoon dan tijdens een audiëntie voor de troon, omdat de ruimte intiemer was. Het vuur dat over de houtblokken in de haard danste had nog maar nauwelijks de tijd gehad om de kilte uit de lucht te verdrijven, maar dat was niet de reden dat Elayne het gevoel had dat ze een stomp in haar maag had gekregen. Nu begreep ze Birgittes verwarring.
Dyelin stond bij de haard haar handen aan het vuur te warmen en draaide zich om toen zij binnenkwamen. De vrouw had een krachtig gezicht met fijne lijntjes rond haar ooghoeken en een begin van grijs in haar gouden haar; ze had niet de tijd genomen zich te verkleden voor ze het paleis bereikte. Ze droeg nog steeds haar diepgrijze reisgewaad met een paar vlekken op de zoom. Haar kniks bestond uit de kleinste buiging van haar hals en een lichte kniebuiging, maar ze was niet met opzet onbeleefd. Dyelin wist wie ze was, net zoals Zaide. Haar enige juweel was een gouden pin in de vorm van de Uil en Eik van Taravin op haar schouder, een duidelijk teken dat de Hoogzetel van Taravin niets meer dan dat nodig had. Ze wist wie ze was en ze was bijna gestorven om haar trouw voor Elayne te bewijzen. ‘Vrouwe Elayne,’ zei ze formeel, ‘het is mij een eer u heer Perival voor te stellen, Hoogzetel van Huis Mantear.’ Een knappe knaap met gouden haren in een eenvoudige blauwe tuniek rukte zijn ogen los van een caleidoscoop op een gouden standaard die hoger was dan hijzelf. Hij had een zilveren kom in zijn hand waarvan Elayne vurig hoopte dat die geen wijn bevatte, of dan tenminste toch zeer verdunde wijn. Op een van de zijtafels stonden verschillende dienbladen met kannen en kommen. Er stond ook een sierlijk bewerkte theepot waarvan ze wist dat er even goed water in kon zitten. ‘Het is mij een genoegen, Vrouwe Elayne,’ piepte hij blozend, terwijl hij een vrij aardige buiging maakte ondanks zijn gehannes met het veel te lange zwaard om zijn middel. ‘Huis Mantear staat naast Huis Trakand.’ Verbijsterd beantwoordde ze zijn kniks, waarbij ze mechanisch haar rokken uitspreidde. ‘Vrouwe Catalyn, Hoogzetel van Huis Haevin,’ ging Dyelin door. ‘Elayne,’ mompelde de jonge vrouw met de donkere haren aan haar zijde. Ze raakte haar groene broekrok aan en maakte een kleine buiging die misschien als kniks bedoeld was, of misschien deed ze enkel Dyelin na. Of misschien wilde ze voorkomen dat ze haar kin zou bezeren aan de Blauwe Beer van Haevin, een grote broche op de hoge hals van haar kleed. Haar haren waren opgenomen in een zilveren net waarop de Blauwe Beer was afgebeeld, en ook op haar zilveren ring zat het wapen. Iets te veel Huistrots. Ondanks haar koele hooghartigheid was ze maar nét een vrouw, haar wangen nog rond als die van een baby. ‘Haevin staat naast Trakand, klaarblijkelijk, anders zou ik hier niet zijn.’