Dyelins mond trok wat samen en ze keek het meisje strak aan, wat Catalyn echter niet scheen op te merken. ‘Heer Branlet, Hoogzetel van Huis Giljard.’
Nog een jongen, met slordige zwarte krullen, in een groen tenue met goudgeborduurde mouwen, die haastig zijn wijnkom op een tafel zette alsof hij zich betrapt voelde. Zijn blauwe ogen waren te groot voor zijn gezicht en hij struikelde bijna over zijn zwaard toen hij boog. ‘Het is mij een genoegen te kunnen zeggen dat Huis Giljard naast Huis Trakand staat, Vrouwe Elayne.’ Halverwege sloeg zijn stem over, en hij bloosde nog heviger dan Perival. ‘En Heer Conail, Hoogzetel van Huis Nortan.’ Conail Nortan grijnsde over de rand van zijn zilveren kom. Hij was lang en mager en droeg een grijze tuniek met mouwen die net te kort waren om zijn benige polsen te bedekken. Zijn grijns was innemend, zijn bruine ogen stonden vrolijk, en zijn neus leek net een havikssnavel. ‘We hebben strootjes getrokken voor de volgorde van het voorstellen en ik had de kortste. Nortan staat bij Trakand. We kunnen een wicht als Arymilla niet de troon laten bestijgen.’ Hij kwam soepel uit zijn woorden en hij had tenminste de volwassenheid bereikt, maar als hij veel ouder was dan zestien zou Elayne zijn omgeslagen laarzen én zijn zilveren sporen opeten.
Hun jeugdigheid was natuurlijk geen verrassing, maar ze had verwacht dat Conail een grijsaard bij zich zou hebben om hem raad te geven, en dat voogden bij de anderen zouden meekijken. Maar er was verder niemand in de kamer behalve Birgitte, die met haar armen over elkaar voor de hoge ramen stond. De stralende middagzon scheen door het heldere glas en veranderde haar in een silhouet van ongenoegen.
‘Trakand heet u allen welkom, en ik heet u allen welkom,’ zei Elayne terwijl ze haar verbijstering probeerde te verbergen. ‘Ik zal uw steun niet vergeten, en Trakand ook niet.’ Iets van haar consternatie moest toch aan haar te zien zijn, want Catalyn pruilde en haar ogen glinsterden.
‘Ik heb geen voogd meer nodig, zoals je zou moeten weten, Elayne,’ zei ze stijfjes. ‘Mijn oom, heer Arendor, zei tijdens het Lichtfeest dat ik er wel klaar voor was en dat ik even goed nu als over een jaar mijn gang kon gaan. Eerlijk gezegd denk ik dat hij meer tijd wil hebben om te jagen, nu hij nog kan. Hij heeft altijd van jagen gehouden, en hij is vrij oud.’ Weer merkte ze Dyelins frons niet op. Arendor Haevin en Dyelin waren bijna even oud.
‘Ik heb ook geen voogd,’ zei Branlet onzeker, zijn stem bijna even hoog als die van Catalyn.
Dyelin lachte welwillend naar hem en veegde zijn haar van zijn voorhoofd. Het viel meteen weer terug. ‘Maeve reed alleen, dat vond ze altijd prettig, toen haar paard zich verstapte in het gat van een grondeekhoorn,’ legde ze rustig uit. ‘Tegen de tijd dat ze gevonden werd, was het te laat. Er is wat... overleg geweest over wie haar plaats moest innemen.’
‘Ze ruziën al drie maanden,’ mompelde Branlet. Even leek hij jonger dan Perival; een jongen die probeerde zijn weg te vinden met niemand om hem de weg te wijzen. ‘Ik hoor het eigenlijk niemand te vertellen, maar ik kan het jou wel zeggen. Jij wordt Koningin.’
Dyelin legde een hand op Perivals schouder en hij rechtte zijn rug, al bleef hij kleiner dan zij. ‘Heer Willin zou hier komen met heer Perival, maar hij is door zijn leeftijd aan zijn bed gekluisterd. De jaren bekruipen ons uiteindelijk allemaal.’ Ze wierp nog een blik op Catalyn, maar het meisje bestudeerde Birgitte nu met getuite lippen. ‘Willin droeg me op je te zeggen dat hij je naast zijn goede wensen ook iemand stuurt die hij als zijn zoon beschouwt.’
‘Oom Willin heeft me gezegd dat ik de eer van Mantear en Andor moet bewaren,’ zei Perival, vastberaden zoals alleen een kind kan zijn. ‘Ik ga het proberen, Elayne. Ik ga heel erg mijn best doen.’
‘Ik weet zeker dat je zult slagen,’ zei Elayne hem. Het lukte haar om tenminste iets van warmte in haar stem te leggen. Ze wilde hen allen naar buiten jagen en Dyelin een paar scherpe vragen stellen, maar dat kon niet, niet nu. Wat hun leeftijd ook was, elk van hen was Hoogzetel van een machtig Huis, en ze moest hun verfrissingen aanbieden en tenminste even met hen babbelen voordat ze zich gingen omkleden.
‘Is zij echt de kapitein-generaal van de Koninginnegarde?’ vroeg Catalyn toen Birgitte een fijne porseleinen kom met lichtgekleurd warm water aan Elayne gaf. Het meisje sprak alsof Birgitte er niet bij was. Birgitte trok een wenkbrauw op voor ze vertrok, maar Catalyn leek geoefend in het negeren van wat ze niet wilde zien. Er kwam een scherpe, zoete geur van kruiden uit de kom in haar mollige hand. En er zat niet eens een druppel honing in het waterige aftreksel dat bij Elayne voor thee door moest gaan.
‘Ja, én mijn zwaardhand,’ zei ze. Beleefd. Ze was er wel klaar voor! Wat een giller! Het meisje dacht waarschijnlijk dat dat een compliment was. Ze verdiende een pak slaag voor haar gebrek aan manieren, maar je kon een Hoogzetel moeilijk een pak rammel geven. Niet wanneer je haar steun nodig had.
Catalyn wierp een blik op Elaynes handen, maar de ring met het Grote Serpent veranderde niets aan haar koele gezichtsuitdrukking. ‘Hebben ze je die gegeven? Ik wist niet dat je als Aes Sedai was opgevoed. Ik dacht dat de Witte Toren je naar huis had gestuurd. Toen je moeder stierf. Of misschien vanwege de problemen in de Toren waar we over gehoord hebben. Stel je voor, Aes Sedai die ruzie maken als boerinnen op de markt. Maar hoe kan zij generaal óf zwaardhand zijn zonder zwaard? In elk geval, mijn tante Evelle zegt dat een vrouw het zwaard aan de mannen moet overlaten. Je gaat je eigen paard toch niet beslaan als er een smid is, of je eigen graan malen als er een molenaar is?’ Dat was zonder twijfel een citaat van Vrouwe Evelle.
Elayne hield haar gezicht in de plooi en negeerde de nauwelijks bedekte beledigingen. ‘Een leger is het zwaard van een generaal, Catalyn. Garet Brin zegt dat een generaal die een ander lemmet gebruikt het verkeerde vak heeft.’ Die naam leek ook al geen indruk op haar te maken. Zelfs de kinderen van mijnwerkers in de Mïstbergen kenden de naam van Garet Brin!
Aviendha kwam naast Elayne staan en glimlachte alsof ze zich enorm verheugde op een kans om met het meisje te praten. ‘Zwaarden hebben geen enkel nut,’ zei ze zoetjes. Zoetjes! Aviendha! Elayne had zich nooit gerealiseerd dat haar zuster zo vakkundig kon huichelen. Zij had ook een kom warme kruidenwijn in haar hand. Ze had ook niet kunnen verwachten dat ze uit zusterliefde slappe thee zou blijven drinken. ‘Je zou met de speer moeten leren omgaan, en het mes en de boog. Birgitte Trahelion kan met haar boog op tweehonderd pas je ogen uit je hoofd schieten. Misschien wel op driehonderd pas.’