‘De speer?’ zei Catalyn zwakjes. En toen, op licht ongelovige toon, ‘Mijn ógen?’
‘Je hebt mijn zuster nog niet ontmoet,’ zei Elayne. ‘Aviendha, Vrouwe Catalyn Haevin. Aviendha van de Negendalen-Taardad.’ Misschien had ze dit beter andersom kunnen doen, maar Aviendha was haar zuster, en zelfs een Hoogzetel moest er maar genoegen mee nemen om te worden voorgesteld aan de zuster van de erfdochter. ‘Aviendha is Aiel. Zij leert een Wijze te worden.’ De mond van het domme wicht zakte van schrik steeds verder open, totdat ze eruitzag als een vis. Heel bevredigend. Aviendha glimlachte fijntjes naar Elayne, haar groene ogen sprankelend van goedkeuring. Elayne hield haar gezicht onbewogen maar wilde eigenlijk teruggrijnzen.
De anderen waren veel gemakkelijker in de omgang en brachten je veel minder tot razernij. Perival en Branlet waren verlegen. Het was hun eerste keer in Caemlin, laat staan het koninklijk paleis, en zeiden nauwelijks een woord behalve wanneer iemand het eruit trok. Conail dacht dat de bewering dat Aviendha Aiel was een grapje was en kreeg bijna een mes in zijn ribben toen hij bulderend lachte, maar gelukkig dacht hij dat dat ook een grapje was. Aviendha nam de ijzige houding aan waardoor ze al in haar normale kleding leek op een Wijze; in haar fluwelen gewaad leek ze nog meer op een hovelinge, hoezeer ze ook aan haar mes zat. En Branlet bleef zijdelingse blikken werpen op Birgitte. Het duurde even voor Elayne zag dat hij keek hoe ze op haar hooggehakte laarzen liep – die wijde broek zat eigenlijk vrij strak om haar heupen – maar ze zuchtte alleen. Gelukkig merkte Birgitte het niet; Elayne zou het via de binding hebben gemerkt als ze had geprobeerd het te verbergen. Birgitte vond het leuk als mannen naar haar keken. Volwassen mannen. Het zou de zaak van Elayne geen goed hebben gedaan als haar zwaardhand de jongeman billenkoek had gegeven.
Ze wilden vooral weten of Reanne Corlie Aes Sedai was. Geen van de vier had ooit een zuster gezien, maar ze dachten dat zij er een moest zijn aangezien ze kon geleiden, en hen en hun wapenknechten met een enkele stap honderden mijlen ver weg kon brengen. Dit was een goede kans om ontwijkend te zijn zonder echt te liegen, geholpen door de ring met het Grote Serpent om haar vinger. Een leugen zou haar relatie met deze vier van meet af aan bezoedelen, maar als ze te scheutig was met de waarheid zouden de geruchten over hulp van de Aes Sedai Arymilla niet bereiken. Natuurlijk stonden ze alle vier te springen om te vertellen hoeveel gewapende lieden ze hadden meegebracht, in totaal iets meer dan drieduizend, bijna de helft daarvan kruisboogschieters of hellebaarddragers die vooral op de muren van pas zouden komen. Dat was een aanzienlijke macht voor vier Huizen om paraat te hebben, maar geen enkel Huis wilde dan ook in deze tijden zijn Hoogzetel onbewaakt laten. Ontvoeringen waren niet ongehoord wanneer de troon onzeker was. Conail zei dit in zoveel woorden en met een lach; hij leek overal om te kunnen lachen. Branlet knikte en haalde een hand door zijn haren. Elayne vroeg zich af hoeveel van zijn talloze tantes, ooms en neven wisten dat hij weg was, en wat ze zouden doen als ze het ontdekten. ‘Als Dyelin nog een paar dagen had willen wachten,’ zei Catalyn, ‘dan had ik meer dan twaalfhonderd man mee kunnen brengen.’ Dat was de derde keer in even zoveel zinnen dat ze erin slaagde te benadrukken dat zij het overgrote deel van de mannen had meegebracht. ‘Ik heb een bericht uit laten gaan naar alle Huizen die gezworen zijn aan Haevin.’
‘En ik aan elk Huis dat gezworen is aan Nortan,’ voegde Conail toe. Met een grijns, uiteraard. ‘Nortan kan dan misschien niet zoveel zwaarden bij elkaar brengen als Haevin of Trakand – of Mantear,’ voegde hij met een buiging naar Perival toe, ‘maar wie er ook rijdt wanneer de Adelaars roepen, hij rijdt voor Caemlin.’
‘Ze zullen niet snel rijden in de winter,’ zei Perival zachtjes. En verrassend, aangezien niemand hem had aangesproken. ‘Ik denk dat we het zullen moeten doen met wie we nu hebben.’ Conail lachte en sloeg de knaap op zijn schouder. Hij zei: ‘Kop op, elke man met een hart is onderweg naar Caemlin om Vrouwe Elayne te steunen,’ maar Elayne bestudeerde Perival eens wat nader. Zijn blauwe ogen kruisten de hare even zonder knipperen voor hij verlegen zijn blik afwendde. Een jongen, maar hij wist beter waar hij zich in begeven had dan Conail of Catalyn, die hem nogmaals vertelde hoeveel wapenknechten ze had meegebracht én hoeveel meer Haevin er kon verzamelen. Alsof niet iedereen behalve Aviendha preriés wist hoeveel man elk Huis kon oproepen: geoefende soldaten of boeren die een hellebaard of spies hadden gebruikt in een oorlog, en dorpelingen. Heer Willin had goed werk verricht met de jonge Perival. Nu moest ze zorgen dat het niet teloorging.
Uiteindelijk was de tijd aangebroken om kussen uit te wisselen, waarbij Branlet bloosde tot in zijn haarwortels, Perival verlegen knipperde toen Elayne naar hem toeboog en Conail zwoer dat hij zijn wang nooit meer zou wassen. Catalyn gaf Elayne een verrassend aarzelende, snelle kus op haar wang, alsof haar net te binnen was geschoten dat ze toegegeven had dat Elayne haar meerdere was, maar even later knikte ze in zichzelf en viel de koele trots weer als een mantel om haar heen. Zodra de vier aan de zorgen van de bedienden waren toevertrouwd en naar hun vertrekken werden begeleid, waarvan Elayne hoopte dat de huisvrouwe de kans had gehad die in gereedheid te brengen, vulde Dyelin haar wijnkom en ging met een zucht van vermoeidheid in een van de hoge besneden stoelen zitten. ‘Een goede week werk, al zeg ik het zelf. Ik heb Candraad meteen van de lijst geschrapt. Ik dacht dat Danine nooit zou besluiten, en het duurde maar een uurtje voordat mijn gelijk bewezen werd, al moest ik wel een halve dag blijven om haar niet te beledigen. Die vrouw ligt waarschijnlijk tot het middaguur in bed omdat ze niet kan besluiten aan welke kant van het bed ze moet opstaan! De rest hoefde ik slechts een klein beetje te overreden voor ze het belang van mijn verzoek inzagen. Niemand met een beetje verstand wil riskeren dat Arymilla op de troon komt.’
Even keek ze fronsend naar haar wijn, en daarna kalm naar Elayne. Ze aarzelde nooit te zeggen wat ze dacht, of ze nu dacht dat Elayne het ermee eens zou zijn of niet, en dat was ze duidelijk nu ook van plan. ‘Misschien was het verkeerd om die Kinsvrouwen te laten doorgaan voor Aes Sedai, hoe omzichtig we daar ook over hebben gedaan. Misschien is de druk te groot voor hen, en dat stelt ons allen bloot aan gevaar. Vanochtend stond vrouwe Corlie met open mond te staren alsof ze een ganzenhoedster was die voor het eerst naar de stad kwam. Ik denk dat ze moeite had om de Poort te weven die ons hier bracht. Dat zou een mooie toestand zijn geweest, als iedereen in de rij had gestaan om door een wonderbaarlijk gat in de lucht te rijden dat vervolgens nooit verscheen. Om nog maar te zwijgen over het feit dat ik dan het Licht mag weten hoelang in het gezelschap van Catalyn had moeten doorbrengen. Het hatelijke kind! Ze heeft een goed verstand, als iemand haar een paar jaar zou begeleiden, maar ze heeft een dubbele dosis van de giftige Haevin-tong.’ Elayne knarste met haar tanden. Ze wist hoe scherp de Haevins konden zijn. De hele familie was er tróts op! Catalyn zeker. En ze was het beu om uit te leggen wat een vrouw die kon geleiden tegenwoordig bang kon maken. Ze was het moe om steeds te worden herinnerd aan wat ze probeerde te negeren. Dat verdómde baken stond nog steeds te stralen in het westen, een volslagen onmogelijkheid, zowel door zijn afmeting als zijn duur. Iédereen die zo lang kon geleiden zonder rustpauze zou nu allang van uitputting zijn omgevallen. En Rhand Altor was precies op die plek, in het midden ervan. Ze was er zeker van! Hij was in leven, maar ze had zin om hem op zijn gezicht te slaan omdat hij haar dit aandeed. Maar zijn gezicht was niet hier... Birgitte smakte haar kom zo hard op tafel dat de wijn alle kanten opspatte. Een wasvrouw zou moeten ploeteren om die vlek uit haar mouw te krijgen. En een meid zou uren moeten werken om de tafel weer te wrijven. ‘Kinderen!’ blafte ze. ‘Er gaan mensen sterven door Je beslissingen die ze nemen, en het zijn niet meer dan kinderen, Conail nog wel het meest! Je hebt hem gehoord, Dyelin. Hij wil de bloedige héld van Arymilla uitdagen zoals Artur Haviksvleugel! Haviksvleugel heeft nog nooit tegen iemands held gevochten, en hij wist al toen hij jonger was dan héér Nortan dat het een stommiteit was om zoveel te laten afhangen van een stom tweegevecht. Maar Conail denkt dat hij die bloedtroon voor Elayne kan winnen met zijn bloedzwaard!’