‘Birgitte Trahelion heeft gelijk,’ zei Aviendha vurig. Haar handen waren tot vuisten gebald waar ze haar rokken vastgreep. ‘Conail Nortan is een dwaas! Maar hoe kan iemand die kinderen volgen in de dans der speren? Hoe kan iemand ze vragen te leiden?’ Dyelin keek hen beiden aan en besloot Aviendha’s vraag het eerst te beantwoorden. Ze was duidelijk in de war gebracht door Aviendha’s kledij. Maar ze was ook in de war omdat Aviendha en Elayne elkaar als zusters hadden aangenomen en omdat Elayne een vriendin had die Aiel was. Dat Elayne haar vriendin bij deze ontmoetingen wilde hebben, kon ze aanvaarden. Maar niet zonder te laten mérken dat ze het aanvaardde. ‘Ik werd Hoogzetel van Taravin toen ik vijftien was, toen mijn vader omkwam in de gevechten in de Altaraanse moerassen. Mijn twee jongere broers stierven datzelfde jaar tijdens gevechten met veedieven uit Morland. Ik luisterde naar raadgevers, maar ik zei de ruiters van Huis Taravin waar ze moesten toeslaan en we hebben de Altaranen en de Morlanders geleerd om elders te gaan stelen. De tijden bepalen wanneer kinderen volwassen moeten worden, Aviendha, niet wij, en in deze tijden kan een jonge Hoogzetel niet langer kind zijn.
En wat u betreft, Vrouwe Birgitte,’ zei ze op drogere toon, ‘uw taalgebruik is als altijd... prikkelend.’ Ze vroeg niet waar Birgitte al haar kennis over Artur Haviksvleugel vandaan had, dingen die geen geschiedkundige wist, maar ze nam haar schattend op. ‘Branlet en Perival zullen mijn raad aannemen en dat geldt ook voor Catalyn, denk ik, al verheug ik me niet op de tijd die ik met haar zal moeten doorbrengen. Conail is nauwelijks de eerste jongeman die denkt dat hij onoverwinnelijk en onsterfelijk is. Als u hem als kapitein-generaal niet kunt intomen, dan stel ik voor dat u voor hem heen en weer loopt. Zoals hij naar die broek van u staarde, denk ik dat hij u overal zou volgen.’
Elayne schudde de pure woede die in haar opwelde van zich af. Niet haar woede, niet haar boosheid op Dyelin, net als het niet haar woede was over de wijn die Birgitte knoeide. Het was de woede van Birgitte. Zij wilde Rhand niet in zijn gezicht slaan. Of eigenlijk ook wel, maar dat was het punt niet. Licht, Conail had ook al naar Birgitte gekeken? ‘Zij zijn de Hoogzetels van hun Huizen, Aviendha. Niemand in hun Huizen zou het waarderen als ik hen niet als zodanig behandel; verre van dat. De mannen die voor hen rijden zullen vechten om hen in leven te houden, maar ze rijden voor Perival en Branlet, Conail en Catalyn, niet voor mij. Want zij zijn de Hoogzetels. Aviendha keek nadenkend en vouwde haar armen alsof ze zichzelf een sjaal omdeed, maar ze knikte. Abrupt en met tegenzin – niemand bereikte zo’n hoge positie onder de Aiel zonder jarenlange ervaring en de goedkeuring van de Wijzen – maar ze knikte. ‘Birgitte, jij zult je met hen bezig moeten houden als kapitein-generaal voor de Hoogzetel. Ook als ze grijze haren hadden zouden ze niet per se wijzer zijn, en zeker niet gemakkelijker in de omgang. Zelfs dan zouden ze een eigen mening hebben. Sterker nog, met het gewicht van hun ervaring zouden ze nog tien keer zo zeker zijn dat ze het beter wisten dan jij. Of ik.’ Ze deed erg veel moeite om haar stem niet scherp te laten klinken, en Birgitte voelde ongetwijfeld wat een inspanning dat voor haar was. Het gevoel van razernij dat door de binding kwam nam tenminste plotseling af. Het was alleen maar ingedamd, niet verdwenen – Birgitte vond het leuk als mannen keken, tenminste wanneer zij wilde dat ze keken, maar ze vond het helemaal niét leuk als iemand zei dat ze de aandacht probeerde te trekken – maar toch kende ze het gevaar voor hen beiden als ze haar emoties te veel de vrije hand liet.
Dyelin nipte van haar wijn terwijl ze Birgitte schattend opnam. Slechts een handjevol mensen wist de waarheid die Birgitte wanhopig probeerde te verbergen, en daar hoorde Dyelin niet bij. Maar Birgitte was niet voorzichtig genoeg geweest, een verspreking hier, een foutje daar, want de oudere vrouw wist zeker dat er een mysterie schuilging achter haar blauwe ogen. Het Licht mocht weten wat ze zou denken als ze dat raadsel oploste. De twee waren nu al als water en vuur. Ze konden ruzie maken over alles, zelfs over welke kant boven was. Deze keer dacht Dyelin duidelijk dat ze gewonnen had.
‘Dat kan wel zijn, Dyelin,’ ging Elayne door, ‘maar ik zou het prettiger hebben gevonden als ze hun raadslieden hadden meegebracht. Gedane zaken nemen geen keer, maar ik maak me vooral zorgen over Branlet. Als Giljard me ervan beschuldigt dat ik hem ontvoerd heb, dan staan de zaken er nog slechter voor dan nu.’ Dyelin wuifde dit bezwaar weg. ‘Je kent de Giljards niet zo goed, hè? Ze maken onderling zóveel ruzie dat het wel tot de zomer kan duren voor ze merken dat de jongen weg is. En als ze het al merken, zal niemand herroepen wat hij gedaan heeft. Geen van hen zal willen toegeven dat ze zo druk waren met ruziën over wie zijn voogd moest zijn dat ze vergaten hem in het oog te houden. En ten tweede zal geen van hen willen toegeven dat ze niet van tevoren geraadpleegd waren. In elk geval zou Giljard eerder Zaide dan Marne steunen, en ze zijn evenmin gesteld op Arawn of Sarand.’
‘Ik hoop dat je gelijk hebt, Dyelin, want jij bent degene die zich met boze Giljards mag bezighouden als die komen. En als je toch de andere drie raad geeft, kun je er dan ook voor zorgen dat Conail geen blunders begaat?’
Ondanks al haar woorden deinsde Dyelin toch enigszins achteruit bij de eerste suggestie. Na de tweede suggestie zuchtte ze. Birgitte lachte luid. ‘Als je problemen hebt, kan ik je wel een broek en een paar laarzen lenen, dan kun jij voor hem heen en weer lopen.’
‘Sommige vrouwen,’ mompelde Dyelin in haar wijnkom, ‘kunnen de vis laten bijten door met hun vinger te wenken, Vrouwe Birgitte. En andere vrouwen moeten hun aas door de hele vijver sleuren.’ Daar moest Aviendha om lachen, maar Elayne voelde de woede van Birgitte weer opkomen.
Een stroom koude lucht blies de kamer binnen toen de deur werd geopend en Rasoria binnentrad en stijfjes in de houding ging staan. ‘De huisvrouwe en de hoofdschrijver zijn gearriveerd, Vrouwe Elayne,’ kondigde ze aan. Haar stem sloeg over toen ze de stemming in de kamer oppikte.
Een blinde geit had het nog gemerkt, met Dyelin die zelfingenomen als een kat in een melkbus in haar stoel zat, en Birgitte die boos naar haar en Aviendha keek. Aviendha koos dat tijdstip uit om eraan te denken dat Birgitte toevallig wél Birgitte Zilverboog was, waardoor ze naar de vloer keek, even beschaamd als wanneer ze een Wijze had uitgelachen. Nu en dan wenste Elayne dat haar vriendinnen even hecht met elkaar waren als zij en Aviendha, maar het lukte ze altijd om elkaar te irriteren, en ze nam aan dat je ook niet meer kon verwachten van echte mensen. Perfectie was iets uit boeken en de verhalen van speelmannen.
‘Stuur ze binnen,’ zei ze tegen Rasoria. ‘En stoor ons niet, behalve als de stad wordt aangevallen. Behalve als het belangrijk is,’ voegde ze toe. In verhalen koersten de vrouwen die dit soort opdrachten ga ven altijd af op rampspoed. Soms bevatte de geschiedenis wijze lessen als je ernaar zocht.
14
Wat Wijzen weten