Halwin Norrij, de hoofdschrijver, en Reene Harfor, de huisvrouwe, kwamen samen binnen. Hij maakte een schokkerige, ongeoefende buiging en zij een sierlijke kniks die noch te diep, noch te ondiep was. Ze kónden niet meer van elkaar verschillen. Vrouwe Harfor had een rond gezicht en was koninklijk deftig, haar haren in een nette grijze knoedel boven op haar hoofd, meester Norrij was lang en onhandig als een waadvogel, met zijn spaarzame haar dat boven zijn oren uitstak als plukken witte veren. Ze droegen elk een bedrukte lederen map vol papieren, maar zij hield die van haar tegen haar zij om haar formele scharlaken tabberd niet te kreukelen; die was altijd onberispelijk, hoe laat het ook was en hoelang ze ook al op was. Hij drukte zijn map tegen zijn borst alsof hij de oude inktvlekken wilde verbergen, waarvan er verscheidene op zijn tabberd zaten. Eén grote vlek veranderde het uiteinde van de staart van de Witte Leeuw in een zwarte kwast. Na de plichtplegingen namen ze onmiddellijk wat afstand van elkaar en zorgden ze dat ze elkaar niet aankeken.
Zodra de deur achter Rasoria dicht was gedaan, sprong de gloed van saidar rond Aviendha op en weefde ze een ban tegen afluisteren die tegen de muren van de kamer bleef hangen. Hun bespreking was nu zo veilig zijn als het maar kon, en Aviendha zou het weten als iemand de Kracht gebruikte om te proberen af te luisteren. Ze was erg goed in dit soort wevingen.
‘Vrouwe Harfor,’ zei Elayne, ‘als u wilt beginnen.’ Ze bood hun geen wijn of een zetel aan. Meester Norrij zou tot in zijn tenen geschokt zijn door zo’n dwaling in de formaliteiten, en vrouwe Harfor zou weleens beledigd kunnen zijn. Norrij verkrampte en keek zijdelings naar Reene, en haar mond versmalde zich tot een streep. Zelfs na een week van besprekingen waren ze er geen van beiden gelukkig mee dat ze verslag moesten uitbrengen in het bijzijn van de ander. Ze waren jaloers op elkaars domein, vooral sinds de huisvrouwe zich op terrein had gewaagd dat ooit de verantwoordelijkheid van Meester Norrij was geweest. Natuurlijk was het altijd de taak van de huisvrouwe geweest om het koninklijk paleis te beheren, en er kon worden gesteld dat haar huidige taken daar een uitvloeisel van waren. Dat zou Halwin Norrij echter niet beweren. De laaiende houtblokken kraakten in de open haard en een regen van vonken zweefde omhoog de schoorsteen in.
‘Ik ben ervan overtuigd dat de tweede boekenbewaarder een... verspieder is, Vrouwe,’ zei vrouwe Harfor uiteindelijk, waarbij ze Norrij negeerde alsof hij daardoor zou verdwijnen. Ze had verborgen willen houden dat ze op zoek was naar verspieders in het paleis, maar het leek haar nog het meest te storen dat de hoofdschrijver het wist. De enige zeggenschap die hij over haar had, als je dat al kon zeggen, was dat hij de paleisrekeningen betaalde en hij nooit verder vroeg over een uitgave, maar zelfs dat was al meer dan haar aanstond. ‘Elke drie of vier dagen bezoekt Meester Harder een herberg die de Hoepel en Pijl heet, zogenaamd voor het bier dat de herbergier brouwt, maar telkens stuurt hij dan een duif naar het noorden. Gisteren bezochten drie Aes Sedai uit de Zilveren Zwaan de Hoepel en Pijl, al komt er een veel minder slag publiek dan in de Zwaan. Hun gezichten gingen schuil in hun kappen en ze hebben zich meer dan een uur in een eigen vertrek afgezonderd met Meester Harder. Alledrie zijn van de Bruine Ajah. Ik vrees dat dat aangeeft wie meester Harders werkgever is.
‘Kapsters, voetsoldaten, koks, de meester kastenbouwer, niet minder dan vijf van Meester Norrijs schrijvers en nu een van de boekenbewaarders.’ Dyelin leunde achterover in haar zetel, kruiste haar benen en trok een zuur gezicht. ‘Is er nog iemand van wie we niét zullen ontdekken dat hij een verspieder is, Vrouwe Harfor?’ Norrij rekte ongemakkelijk zijn nek uit; hij voelde de misdrijven van zijn schrijvers als een persoonlijke belediging.
‘Ik hoop dat ik de bodem van dat vat begin te bereiken, Vrouwe,’ zei vrouwe Harfor zelfingenomen. Ze kon niet van haar stuk worden gebracht; niet door verspieders, noch door Hoogzetels van machtige Huizen. Verspieders waren ongedierte en ze was vastberaden het paleis ervan te ontdoen, net zoals ze dat deed met vlooien en ratten _ al was ze gedwongen geweest om kortgeleden hulp van de Aes Sedai te aanvaarden bij de ratten. Machtige edelen daarentegen waren als regen en sneeuw; natuurlijke verschijnselen die je tijdelijk moest aanvaarden, maar niets om je druk over te maken. ‘Er is maar een beperkt aantal mensen te koop en ook maar een beperkt aantal mensen die zich dat kunnen veroorloven, of het willen.’ Elayne probeerde zich Meester Harder voor de geest te halen, maar het enige dat haar te binnen schoot was een vaag beeld van een mollige, kalende man die voortdurend met zijn ogen knipperde. Hij had haar moeder gediend, en, zo meende ze zich te herinneren, koningin Mordrellen voor haar. Niemand had gezegd dat hij schijnbaar ook de Bruine Ajah diende. Elk vorstelijk paleis tussen de Rug van de Wereld en de Arythische Oceaan werd bevolkt door de ogen-en-oren van de Toren. Elke vorst met een beetje verstand zou dat ook verwachten. Zonder twijfel zouden de Seanchanen binnenkort ook onder toezicht van de Witte Toren leven, als dat al niet het geval was. Reene had verschillende verspieders van de Rode Ajah ontdekt, die vast aangeworven waren toen Elaida in Caemlin was, maar deze boekenbewaarder was de eerste voor een andere Ajah. Elaida zou het niet prettig hebben gevonden dat andere Ajahs wisten wat er in het paleis gaande was terwijl zij de koningin raad gaf. ‘Jammer dat we geen valse verhalen hebben waarvan we willen dat de Bruine Ajah ze gelooft,’ zei ze zachtjes. Héél jammer dat zij en de Roden van de Kinne wisten. In het beste géval moesten ze weten dat er een groot aantal vrouwen in het paleis was dat kon geleiden, en het zou niet lang duren voor ze wisten wie. Dat zou in de loop der tijd vele problemen veroorzaken, maar die problemen lagen ergens in de toekomst. Altijd vooruitdenken, zei Lini, maar wie zich te veel zorgen maakt over volgend jaar kan struikelen over morgen. ‘Houd een oogje op Meester Harder en probeer te ontdekken wie zijn vrienden zijn. Dat zou voorlopig genoeg moeten zijn.’ Sommige verspieders waren afhankelijk van hun oren, om roddels te horen of aan deuren te luisteren; anderen maakten tongen los met een paar kommen wijn. De eerste daad in het tegenwerken van een verspieder was te zorgen dat je wist waar hij zijn nieuws vandaan haalde. Aviendha snoof, spreidde haar rokken uit en wilde op het kleed gaan zitten toen ze plotseling bedacht wat ze droeg. Met een waarschuwende blik op Dyelin ging ze in plaats daarvan stijfjes op de rand van een stoel zitten, een toonbeeld van een hovelinge. Behalve dan dat een hovelinge niet met haar duim het scherp van haar mes zou hebben bevoeld. Als ze aan zichzelf werd overgelaten zou Aviendha de keel doorsnijden van eenieder die zich voor haar mes aanbood. Ze vond verspieders laag, hoe vaak Elayne ook uitlegde dat elke gevonden verspieder kon worden gebruikt om hun vijanden te laten geloven wat zij wilden.
Niet dat elke verspieder noodzakelijkerwijs voor de vijand werkte. De meesten die door de huisvrouwe waren ontmaskerd namen geld aan van meer dan één partij, en onder hen waren Koning Roedran van Morland, verschillende Tyreense hoogheren en -vrouwes, een handvol edelen uit Cairhien en een flink aantal handelaren geweest. Veel mensen wilden weten wat er in Caemlin gaande was, voor het effect ervan op de handel of om andere redenen. Soms leek het wel of iedereen iedereen bespiedde.
‘Vrouwe Harfor,’ zei ze, ’u hebt geen ogen-en-oren voor de Zwarte Toren gevonden.’
Net als de meeste mensen rilde Dyelin als de Zwarte Toren genoemd werd. Ze nam een lange teug van haar wijn, maar Reene trok alleen een gezicht. Ze had besloten het feit te negeren dat er mannen waren die konden geleiden, aangezien ze daar toch niets aan kon veranderen. Voor haar was de Zwarte Toren een ergernis. ‘Ze hebben nog geen tijd gehad, Vrouwe. Geef ze een jaar, en er zullen ook voetsoldaten en boekenbewaarders zijn die geld van hen aannemen.’
‘Dat denk ik ook.’ Vreselijke gedachte. ‘Wat hebt u nog meer voor ons?’
‘Ik heb gesproken met Jon Skellit, Vrouwe. Een man die eenmaal overloopt, kan dat gemakkelijk nog eens doen, en dat doet Skellit.’ Skellit, een kapper, werd betaald door Huis Arawn, zodat hij voorlopig een man van Arymilla was.