Выбрать главу

Birgitte slikte een vloek in – om de een of andere reden paste ze op haar woorden in de buurt van Reene Harfor – en sprak met geknepen stem. ‘U hebt met hem gespróken? Zonder eerst te overleggen?’ Dyelin had geen last van wroeging ten opzichte van de huisvrouwe en mompelde: ‘Moedermelk in een beker!’ Elayne had haar nog nooit zo’n grove uitspraak horen doen. Meester Norrij keek beduusd en liet bijna zijn map vallen terwijl hij ervoor waakte om Dyelin aan te kijken. De huisvrouwe wachtte slechts tot ze er zeker van was dat zij en Birgitte klaar waren en ging toen kalmpjes verder. ‘De tijd leek rijp, en Skellit ook. Een van de mannen aan wie hij verslag uitbrengt heeft de stad verlaten en is nog niet teruggekeerd, en het lijkt erop dat de ander zijn been heeft gebroken. De straten zijn altijd spiegelglad nadat er een brand is geblust.’ Ze zei dit zo rechtdoorzee dat het waarschijnlijk leek dat zij zelf voor zijn val had gezorgd. In zware tijden kwamen verrassende talenten boven in de meest onverwachte personen. ‘Skellit is bereid om zijn volgende bericht zelf naar de kampen te brengen. Hij heeft gezien hoe een Poort wordt geweven en hoeft niet te doen of hij bang is.’ Alsof ze zelf al haar hele leven toekeek hoe de wagens van handelaren uit gaten in de lucht te voorschijn kwamen.

‘En wie zegt dat die kapper niet vlucht zodra hij buiten de bloe... eh... de stad is?’ vroeg Birgitte geïrriteerd. Ze begon voor de haard te ijsberen met haar handen op haar rug. Haar zware gouden vlecht stond bijna recht overeind van spanning. ‘Als hij vertrekt huurt Arawn iemand anders in en dan kun je daar weer achteraan. Licht, Arymilla moet al zodra ze aankwam van de Poorten gehoord hebben, en Skellit weet dat.’ Het was niet de gedachte aan Skellits ontsnapping die haar dwarszat, dat niet alleen. De huurlingen waren aangenomen om soldaten tegen te houden, maar voor een paar zilverstukken zouden ze er ’s nachts wel een paar doorlaten, in om het even welke richting. Een of twee konden geen kwaad, dachten ze. Birgitte wilde daar liever niet aan worden herinnerd. ‘Hebzucht zal hem tegenhouden, Vrouwe,’ antwoordde vrouwe Harfor kalm. ‘De gedachte goud te verdienen aan Vrouwe Elayne en Vrouwe Naean is genoeg om de man te laten hijgen. Het is waar, Vrouwe Arymilla heeft vast al over de Poorten gehoord, maar dat leent alleen maar gewicht aan Skellits redenen om zelf te gaan.’

‘En als zijn hebzucht groot genoeg is om nog meer goud te willen verdienen, door nogmaals over te lopen?’ vroeg Dyelin. ‘Hij zou een hoop ellende kunnen veroorzaken, Vrouwe Harfor.’ De stem van Reene klonk nu iets scherper. Ze zou nooit over haar grenzen gaan, maar het stond haar tegen als men haar roekeloos vond. ‘Vrouwe Naean zou hem laten begraven onder de dichtstbijzijnde sneeuwhoop, Vrouwe, en ik heb gezorgd dat hij daarvan doordrongen is. Ze is nooit erg geduldig geweest, zoals u ongetwijfeld weet. In elk geval is het nieuws dat we vanuit de kampen krijgen op zijn best karig en misschien ziet hij een paar dingen die wij zouden willen weten.’

‘Als Skellit ons kan vertellen in welk kamp Arymilla, Elenia en Naean zich bevinden, en wanneer, dan geef ik hem persoonlijk zijn goud,’ zei Elayne nadrukkelijk. Elenia en Naean bleven dicht bij Arymilla in de buurt, of zij hiéld hen in de buurt, en Arymilla had nog minder geduld dan Naean, was minder bereid te geloven dat zaken zonder haar konden doorgaan. Ze besteedde de helft van haar tijd aan reizen tussen de kampen en sliep zover bekend nooit twee nachten achter elkaar in hetzelfde kamp. ‘Dat is het enige dat ik van hem over de kampen wil weten.’

Reene boog haar hoofd. ‘Zoals u wilt, Vrouwe. Ik zal ervoor zorgen.’ Ze probeerde vaak om de dingen niet rechtstreeks te zeggen in het bijzijn van Norrij, maar ze gaf geen teken dat ze een terechtwijzing had gehoord. Het was niet waarschijnlijk dat Elayne de vrouw ooit daadwerkelijk openlijk terecht zou wijzen. Vrouwe Harfor zou in dat geval haar taken naar behoren blijven vervullen, dat wel, en ze zou zeker onverminderd doorgaan met het opsporen van verspieders. Maar ze kon Elayne dagelijks ontelbare kleine ergernissen bezorgen, kleine ongemakken die tezamen voor ellende konden zorgen, en niet een daarvan zou ze rechtstreeks aan de huisvrouwe kunnen toeschrijven. We moeten de danspassen volgen, net zoals onze bedienden, had haar moeder eens gezegd. Je kunt wel steeds nieuwe bedienden aannemen, al je tijd besteden aan hun opleiding en lijden terwijl zij leren, enkel om weer bij nul te beginnen, of je kunt de regels aanvaarden net als zij en gerieflijk leven terwijl je je tijd besteedt aan regeren.

‘Dank u, Vrouwe Harfor,’ zei ze, waarvoor ze weer een afgemeten kniks ontving. Reene Harfor was ook zo iemand die haar eigen waarde kende. ‘Meester Norrij?’

De reigerachtige man schrok op en hield op Reene fronsend aan te kijken. Ergens beschouwde hij de Poorten als zijn eigendom en vond hij dat er niet mee gespot mocht worden. ‘Ja, Vrouwe. Natuurlijk.’ Zijn stem klonk stoffig en monotoon, ik vertrouw erop dat vrouwe Birgitte u al heeft geïnformeerd over de handelskaravanen uit Illian en Tyr. Ik geloof dat dat haar... gewoonte is wanneer u terugkeert in de stad.’ Even rustten zijn ogen beschuldigend op Birgitte. Hij zou er niet over peinzen om Elayne ook maar de kleinste irritatie te bezorgen, ook al schreeuwde ze tegen hem, maar hij leefde volgens zijn eigen regels. Hij nam het Birgitte een beetje kwalijk dat zij hem de kans had ontnomen om te vertellen over de wagens en vaten en kisten die waren aangekomen. Hij was gek op getallen. Tenminste, Elayne nam aan dat hij het Birgitte een beetje kwalijk nam. Er leek maar weinig vuur in meester Norrij te zitten.

‘Inderdaad,’ vertelde ze hem, met een zweem van verontschuldiging, niet voldoende om hem te beschamen, ik vrees dat een aantal mensen van het Zeevolk ons gaat verlaten. Na vandaag hebben we nog maar de helft van hen om Poorten voor ons te weven.’

Zijn vingers kropen over de lederen map tegen zijn borst, alsof hij de papieren die erin zaten kon voelen. Ze had hem nog nooit een van die papieren zien raadplegen. ‘Aha. Aha. We zullen... het wel redden, Vrouwe.’ Halwin Norrij redde het altijd. ‘Er waren gisteren overdag en ’s avonds negen brandstichtingen, iets meer dan normaal. Er zijn drie pogingen ondernomen om pakhuizen met voedsel in brand te steken. Geen daarvan was succesvol, laat mij dat toevoegen.’ Hij zei dit alles op dezelfde vlakke toon. ‘Als ik het zeggen mag, heeft de garde op straat zijn effect – het aantal aanvallen en diefstallen is afgenomen tot bijna normaal voor deze tijd van het jaar – maar het lijkt er sterk op dat iemand al die brandstichtingen regelt. Er zijn zeventien gebouwen vernietigd en slechts één ervan was in gebruik.’ Zijn mond veranderde in een streep; er zou meer dan een beleg nodig zijn om hem Caemlin uit te krijgen. ‘En naar mijn mening zijn alle branden zo ver mogelijk van de waterwagens vandaan gesticht. Ik geloof nu dat dit patroon van toepassing is op alle branden die we de afgelopen weken hebben gehad.’

‘Birgitte?’ zei Elayne.

‘Ik kan proberen de pakhuizen op de kaart in te tekenen,’ antwoordde Birgitte twijfelend, ‘en extra gardes op de verst weg gelegen straten laten lopen, maar we laten nog steeds veel aan het bloe... eh... het toeval over.’ Ze keek vrouwe Harfor niet aan, maar Elayne vóélde dat die lichtjes bloosde, iedereen kan een vuursteen en een stuk staal in een buidel bij zich dragen, en het duurt maar even om met wat droog stro een brandje te stichten.’

‘Doe wat je kunt,’ zei Elayne haar. Het zou puur geluk zijn als ze een brandstichter op heterdaad betrapten, en meer dan geluk als die brandstichter kon vertellen dat hij geld had aangenomen van iemand zonder kap over haar gezicht. Om dat goud te herleiden naar Arymilla of Elenia of Naean, daarvoor zou het geluk van Mart Cauton nodig zijn. ‘Hebt u nog meer nieuws, meester Norrij?’ Hij wreef met zijn knokkels over zijn lange neus en ontweek haar blik. ‘Het is... eh... onder mijn aandacht gekomen,’ zei hij aarzelend, ‘dat Marne, Arawn en Sarand kortgeleden allemaal grote leningen hebben afgesloten met als onderpand de opbrengsten van hun landgoederen.’ Vrouwe Harfor trok even haar wenkbrauwen op voor ze haar gezichtsuitdrukking weer onder controle had. Elayne tuurde in haar theekom en ontdekte tot haar verbazing dat ze hem leeg had gedronken. Bankiers vertelden nooit iemand hoeveel ze aan wie hadden uitgeleend, of tegen welk onderpand, maar ze vroeg hem niet hoe hij dit wist. Het zou beschamend zijn. Voor hen beiden. Ze lachte toen haar zuster de kom aannam, maar trok een grimas toen Aviendha de kom weer vulde en aan haar teruggaf. Aviendha dacht zeker dat ze slappe thee zou drinken tot die uit haar oren kwam! Geitenmelk was beter, maar afwaswaterthee was voor nu in orde. Ze zou die bloedige kom wel vasthouden, maar ze hoefde niét te drinken.