‘De huurlingen,’ gromde Dyelin, met vurige ogen die een beer angst zouden aanjagen. ‘Ik heb het al eerder gezegd en ik zeg het nog maar eens: het probleem met ingehuurde zwaarden is dat ze niet altijd loyaal blijven.’ Ze was er van het begin af aan tegen geweest om huurlingen de stad te laten verdedigen, maar zonder hen had Arymilla met haar leger door elke stadspoort binnen kunnen komen. Zonder huurlingen waren er gewoon niet genoeg mannen om elke poort goed te bewaken, laat staan de muren.
Birgitte was ook tegen de huurlingen geweest, maar zij had Elaynes redenen aanvaard, zij het met tegenzin. Ze vertrouwde hen nog steeds niet, maar nu schudde ze haar hoofd. Ze zat op de leuning van een stoel bij de haard, met een laars op de zitting. ‘Huurlingen vinden hun naam belangrijk, al geldt dat misschien niet voor hun eer. Het is één ding om over te lopen, maar daadwerkelijk een poort verraden is iets heel anders. Een groep die dat doet wordt nooit meer ergens ingehuurd. Arymilla zou genoeg hebben moeten bieden om een kapitein voor de rest van zijn leven als heer te kunnen laten leven en ook zijn manschappen flink hebben moeten betalen.’ Norrij schraapte zijn keel. Zelfs dat klonk stoffig. ‘Het schijnt dat ze twee of misschien zelfs drie keer tegen hetzelfde onderpand leningen heeft afgesloten. De bankiers zijn zich hiervan natuurlijk nog niet bewust.’
Birgitte begon te vloeken en hield toen haar mond. Dyelin keek zo boos naar haar wijn dat die vast zuur zou worden. Aviendha kneep even kort in Elaynes hand. Het vuur knapte in een regen van vonken, sommige daarvan landden bijna op de kleden. ‘De huurlingeneenheden moeten in de gaten worden gehouden.’ Elayne hief een hand op om Birgitte te manen. De andere vrouw had haar mond nog niet geopend, maar de binding schrééuwde boekdelen. ‘Je zult de mannen daarvoor ergens vandaan moeten halen.’ Licht! Het leek wel alsof ze zich moesten beschermen tegen evenveel mannen in de stad als daarbuiten! ‘Je zult er niet veel nodig hebben, maar we moeten het weten als ze zich vreemd of geheimzinnig beginnen te gedragen, Birgitte. Dat is misschien onze enige waarschuwing.’
‘Ik zat te denken wat we moeten doen als inderdaad een van de compagnieën wordt omgekocht,’ zei Birgitte droogjes. ‘Weten zal niet genoeg zijn, behalve als ik mannen paraat heb die naar de verraden poort kunnen snellen. En de helft van de soldaten in de stad bestaat uit huurlingen. De andere helft bestaat grotendeels uit grijsaards die een paar maanden geleden nog van hun oude dag genoten. Ik zal de posten van de huurlingen met regelmatige tussenpauzes wisselen. Het wordt moeilijker om een poort te verraden als ze niet zeker weten waar ze de volgende dag staan, maar daardoor nog niet onmogelijk.’ Ze kon protesteren wat ze wilde dat ze geen generaal was, ze had meer gevechten en bestormingen meegemaakt dan tien willekeurige generaals en ze wist heel goed hoe deze toestanden zich ontwikkelden.
Elayne wilde bijna dat er wijn in haar kom zat. Bijna, is er een kans dat de bankiers te weten komen wat u weet, meester Norrij? Voordat de leningen moeten worden afbetaald?’ Als dat zo was, zou een aantal van hen misschien beslissen dat ze toch liever Arymilla op de troon zagen. En die zou dan de schatkisten van de stad kunnen plunderen om die leningen af te betalen. Misschien zou ze dat inderdaad doen. Kooplui waaiden mee met de politieke wind, welke kant die ook op ging. Van bankiers was bekend dat ze soms probeerden ontwikkelingen naar hun hand te zetten.
‘Ik denk dat dat onwaarschijnlijk is, Vrouwe. Ze zouden eh... de juiste vragen moeten stellen aan de juiste mensen, maar bankiers zijn niet zo eh... praatgraag, onderling. Ja, ik denk dat het onwaarschijnlijk is. Voorlopig.’
Ze konden er toch niets aan doen. Behalve Birgitte zeggen dat er een nieuwe bron van moordenaars en ontvoerders zou kunnen zijn. Maar afgaande op haar harde gezichtsuitdrukking en een plotselinge vastberadenheid die door de binding kwam, had die zich dat al gerealiseerd. Er was nu weinig kans dat haar lijfwacht uit minder dan honderd vrouwen zou bestaan. Als dat al ooit zo geweest was. ‘Dank u, Meester Norrij,’ zei Elayne. ‘U hebt goed werk geleverd, zoals altijd. Laat het mij onmiddellijk weten wanneer u tekenen ziet dat de bankiers vragen hebben gesteld.’
‘Natuurlijk, Vrouwe,’ mompelde hij, knikkend met zijn hoofd als een reiger die een vis wil vangen. ‘De Vrouwe is bijzonder vriendelijk.’
Reene en Norrij verlieten de kamer, waarbij hij de deur voor haar openhield en een buiging maakte die een tikkeltje sierlijker was dan normaal, en zij naar hem knikte terwijl ze langs hem de gang in schreed. Aviendha liet de ban echter niet los. Zodra de deur dicht was, het solide geluid door de ban opgeslokt, zei ze: ‘Iemand probeerde ons af te luisteren.’
Elayne schudde haar hoofd. Het was onmogelijk te bepalen wie – een Zwarte zuster? Een nieuwsgierige Kinsvrouw? – maar het afluisteren was tenminste niet gelukt. Niemand maakte veel kans om een ban van Aviendha te omzeilen, zelfs niet een van de Verzakers, maar als dat wel het geval was geweest, dan zou ze het meteen gezegd hebben.
Dyelin nam Aviendha’s mededeling minder zelfverzekerd op en mompelde iets over het Zeevolk. Ze had geen spier vertrokken toen ze hoorde dat de helft van het Zeevolk zou vertrekken, niet in het bijzijn van Reene en Norrij, maar nu wilde ze het hele verhaal horen. ‘Ik heb Zaide nooit vertrouwd,’ gromde ze toen Elayne klaar was. ‘Dit akkoord lijkt goed voor de handel, maar het zou me niet verbazen als een van haar windvindsters ons probeerde af te luisteren. Ze kwam op mij over als een vrouw die alles wil weten, voor het geval het ooit van pas komt.’ Dyelin aarzelde niet vaak, maar nu aarzelde ze en rolde haar wijnkom tussen haar handen. ‘Weet je zeker dat dit... dit baken... ons niet kan kwetsen, Elayne?’
‘Zo zeker als maar kan, Dyelin. Als dat baken het einde van de wereld zou inluiden, dan denk ik dat dat al wel gebeurd zou zijn.’ Aviendha lachte, maar Dyelin werd lijkbleek. Licht! Soms moest je lachen, al was het alleen maar omdat je anders in huilen zou uitbarsten.
‘Als we nog veel langer talmen nu Norrij en Vrouwe Harfor vertrokken zijn,’ zei Birgitte, ‘dan zou iemand vragen kunnen gaan stellen.’ Ze wuifde met haar hand naar de muren om de ban aan te duiden die ze niet kon zien. Ze wist echter dat hij er nog was. De dagelijkse gesprekken met de huisvrouwe en de hoofdschrijver werden altijd verhuld.
De anderen kwamen bij haar staan toen ze een paar gouden porseleinen kommen van het Zeevolk op een van de tafels terzijde schoof en een klein opgevouwen kaart uit haar korte tuniek te voorschijn haalde. Ze bewaarde die kaart daar altijd, behalve wanneer ze sliep, en dan lag hij onder haar kussen. Ze vouwde de kaart open en zette wijnkommen op de hoeken om hem plat te laten liggen. Het was een kaart van Andor, van de rivier de Erinin tot de grens met Altara en Morland. Eigenlijk kon je zeggen dat heel Andor erop stond, aangezien de gebieden verder naar het westen al generaties lang min of meer onder het bestuur van Caemlin vielen. Het was om te beginnen al niet echt een meesterwerk en veel van de details gingen verborgen onder kreukels, maar het terrein was duidelijk genoeg te zien en elke stad, elk dorp, elke brug en elke burcht was aangegeven. Elayne zette haar kom een eind van de kaart vandaan zodat ze niet op de toch al bevlekte kaart zou knoeien. En om van dat armzalige brouwsel af te komen. ‘De Grenslanders zijn in beweging,’ zei Birgitte, terwijl ze naar de bossen ten noorden van Caemlin wees, een plek boven de noordelijke grens van Andor, ‘maar ze zijn nog niet ver. Met deze snelheid duurt het meer dan een maand voordat ze in de buurt van Caemlin komen.’