Выбрать главу

Dyelin draaide haar zilveren kom rond en tuurde in de donkere wijn. Plotseling keek ze op. ik dacht dat jullie noorderlingen gewend waren aan sneeuw, Vrouwe Birgitte.’ Zelfs nu kon ze het peuteren niet laten. Maar als Elayne haar zou zeggen dat ze dat niet moest doen, zou haar vermoeden dat Birgitte geheimen had tien keer sterker worden en zou ze die twintig keer zo graag willen weten. Aviendha keek afkeurend naar de oudere vrouw – wanneer ze niet vol ontzag was voor Birgitte was ze soms zeer beschermend wat betreft haar geheimen – maar Birgitte keek Dyelin kalm aan. Er was geen schrik te voelen door de binding. Ze was gewend geraakt aan de leugens over haar afkomst, ik ben al lang niet meer in Kandor geweest.’ Dat was de waarheid, al was het veel langer geleden dan Dyelin zich kon voorstellen. Het land had nog niet eens Kandor geheten. ‘Maar waar je ook aan gewend bent, het duurt lang om tweehonderdduizend soldaten en het Licht mag weten hoeveel volgelingen in de winter te verplaatsen. Bovendien heb ik vrouwe Ocalin en vrouwe Fote eropuit gestuurd om een aantal dorpen ten zuiden van de grens te bezoeken.’ Sabeine Ocalin en Julanya Fote waren Kinsvrouwen die konden Reizen. ‘Volgens hen denken de dorpelingen dat de Grenslanders een winterkamp hebben gemaakt.’ Elayne klikte met haar tong en keek fronsend naar de kaart terwijl ze de afstanden met een vinger volgde. Ze had gerekend op nieuws over de Grenslanders, maar niet op de Grenslanders zelf. Nieuws over een leger van die afmetingen dat Andor binnenkwam, zou zich als een lopend vuurtje verspreiden. Iedereen die niet volslagen achterlijk was, zou geloven dat ze al die honderden roeden hadden gelopen om Andor te proberen te veroveren. Er zou echter wel worden gespeculeerd over hun bedoelingen en wat te doen, en iedereen zou een andere mening zijn toegedaan. Zodra het nieuws zich verspreidde, tenminste. Wanneer dat gebeurde had zij een voordeel. Ze had geregeld dat de Grenslanders Andor binnen konden komen, en ze had ook hun vertrek al geregeld.

De keuze was niet zo moeilijk geweest. Het zou een bloederige toestand zijn geworden om hen tegen te houden, als dat al mogelijk was, en ze wilden enkel een weg om naar Morland te komen, waar ze de Herrezen Draak dachten te kunnen vinden. Dat had zij ook geregeld. Ze vertelden niet waarom ze Rhand zochten, en zij was niet van plan hun zijn ware vindplaats te vertellen, niet terwijl ze een tiental Aes Sedai bij zich hadden en dat feit hadden verzwegen. Maar zodra nieuws over hen de Hoogzetels zou bereiken... ‘Het zou moeten lukken,’ zei ze zachtjes. ‘Als het nodig is, kunnen we zelf geruchten verspreiden over de Grenslanders.’

‘Het zou moeten lukken,’ beaamde Dyelin en voegde er toen op onheilspellende toon aan toe: ‘zolang Bashere en Bael hun mannen in toom houden. Het wordt een explosief stel, met Grenslanders, Aiel en het Legioen van de Draak binnen een afstand van een paar mijl. En ik weet niet hoe we ervoor kunnen zorgen dat de Asha’man geen gekke dingen gaan doen.’ Ze snoof. Wat haar betrof moest je gek zijn om Asha’man te worden. Aviendha knikte. Ze was het bijna even vaak als Birgitte oneens met Dyelin, maar over de Asha’man waren ze het wél eens.

‘Ik zal zorgen dat de Grenslanders op ruime afstand van de Zwarte Toren blijven,’ stelde Elayne hen gerust, al had ze dat al eens eerder gezegd. Zelfs Dyelin wist dat Bael en Bashere hun troepen in toom zouden houden – ze zaten geen van beiden te wachten op een strijd, en Davram Bashere zou zeker niet tegen zijn eigen landgenoten vechten – maar eenieder had het recht zich ongemakkelijk te voelen over de Asha’man en wat die konden doen. Ze liet haar vinger van de zespuntige ster die Caemlin vertegenwoordigde naar de paar mijl land glijden die de Asha’man hadden ingenomen. De Zwarte Toren was niet aangegeven, maar ze wist maar al te goed waar die stond. Op ruime afstand van de weg naar Lugard. Het zou niet moeilijk zijn de Grenslanders naar Morland te laten trekken zonder de Asha’man lastig te vallen.

Ze kneep haar lippen opeen bij de gedachte dat ze de Asha’man niet lastig moest vallen, maar er was voorlopig niets aan te doen, dus schoof ze de gedachte aan de mannen in de zwarte gewaden terzijde. Daar moest ze later maar iets aan doen.

‘En de anderen?’ Ze hoefde niet meer te zeggen. Zes grote Huizen hadden zich nog niet uitgesproken – tenminste niet voor haar of Arymilla. Dyelin beweerde dat ze allemaal uiteindelijk Elaynes kant zouden kiezen, maar daarvan was nog niets te zien. Sabeine en Julanya hadden ook al uitgekeken naar nieuws van die zes. Beide vrouwen hadden de afgelopen twintig jaar als pendels gewerkt, gewend aan zware reizen, slapen in stallen of onder de bomen, met meer aandacht voor wat de mensen deden dan wat ze vertelden. Ze waren enorm goede verkenners. Het zou een groot verlies zijn als zij moesten worden ingezet om de stad te bevoorraden. ‘Volgens de geruchten is heer Luan op een tiental verschillende plaatsen, in het oosten en het westen.’ Birgitte keek fronsend naar de kaart, alsof ze daar de positie van Luan hoopte te zien, en mompelde een vloek, véél harder dan was gerechtvaardigd, nu Reene Harfor weg was. ‘Altijd in het volgende dorp, of het dorp daarna. Vrouwe Ellorien en heer Abelle lijken wel volledig van de aardbodem verdwenen te zijn, moeilijk als dat moet zijn voor een Hoogzetel. Maar vrouwe Ocalin en vrouwe Fote hebben helemaal niets van hen gehoord, of van de wapenknechten van Huis Pendar of Huis Traemane. Geen man en geen paard.’ Dat was erg ongewoon. Iemand deed erg veel moeite. ‘Abelle was altijd al een feeks als ze dat wilde,’ mompelde Dyelin, ‘altijd klaar om je op fouten te betrappen. Ellorien...’ Ze raakte haar lippen aan en zuchtte. ‘Die vrouw is veel te opzichtig om te verdwijnen. Behalve als ze bij Abelle of Luan is. Of bij hen allebei.’ Ze was niet gelukkig met die gedachte.

‘En wat betreft onze andere “vriendinnen”,’ zei Birgitte, ‘Vrouwe Arathelle is vijf dagen geleden uit Morland vertrokken. Hier.’ Ze raakte de kaart lichtjes aan, zo’n tweehonderd mijl ten zuiden van Caemlin. ‘Vier dagen geleden is heer Pelivar een mijl of zes daarvandaan de grens overgestoken, en vrouwe Aemlin hier, vijf of zes mijl verder.’

‘Afzonderlijk van elkaar.’ Dyelin knikte. ‘Hadden ze Morlanders bij zich? Nee? Mooi. Misschien zijn ze op weg naar hun landgoederen, Elayne. Als ze zich nog verder van elkaar vandaan bewegen, weten we het zeker.’ Deze drie Huizen verontrustten haar nog het meest. ‘Misschien zijn ze onderweg naar huis,’ beaamde Birgitte, met haar gebruikelijke tegenzin wanneer ze het eens was met Dyelin. Ze haalde haar ingewikkelde vlecht over haar schouder en hield die in haar vuist, bijna zoals Nynaeve altijd deed. ‘De mannen en paarden moeten wel uitgeput zijn; het valt niet mee om in de winter naar Morland te lopen. Maar het enige dat we zeker weten is dat ze in beweging zijn.’

Aviendha snoof. Het geluid paste niet bij haar sierlijke fluwelen gewaad. ‘Verwacht altijd dat de vijand iets doet wat je niet wilt. Bedenk wat je hem het minst graag zou zien doen, en hou daar rekening mee.’

‘Aemlyn, Arathelle en Pelivar zijn geen vijanden,’ protesteerde Dyelin zwakjes. Waar ze ook dacht dat hun trouw uiteindelijk zou komen te liggen, deze drie hadden hun steun toegezegd aan Dyelin zelf als Koningin.

Elayne had nog nooit gehoord van een Koningin die op een troon werd gedwóngen – als dat soort dingen de geschiedenisboeken al haalde – maar Aemlin, Arathelle en Pelivar leken het te willen proberen, en niet omdat ze zelf op macht uit waren. Dyelin wilde de troon niet, maar ze zou nauwelijks een passief heerser zijn. Het was nu eenmaal zo dat het laatste regeringsjaar van Morgase Trakand vergeven was van de blunders, en maar weinigen wisten of geloofden dat ze indertijd een gevangene van de Verzakers was geweest. Sommige Huizen wilden iedereen liever dan nóg een Trakand op de troon. Of althans, dat dachten ze.