Выбрать главу

21

Het geschenk van een zwaard

Het kampement werd snel opgezet, bij de toegang tot de Jangai-pas, maar wel op enige afstand van Taien. Het strekte zich uit over de heuvels rond de toegangswegen, tussen de her en der verspreide doornstruiken, tot op de hellingen van het gebergte zelf. Niet dat het goed zichtbaar was, afgezien van de tenten in de pas zelf. De Aiel tenten hadden zo’n goede schutkleur dat men ze gemakkelijk over het hoofd kon zien, zelfs als men wist waar en wat men zocht. In de heuvels groepeerden de tenten zich naar stam, maar in de pas zelf voegden de krijgsgenootschappen zich bij elkaar. Het waren voor namelijk Speervrouwen, maar ook de mannelijke genootschappen zonden zo’n vijftig krijgers als afvaardiging, en hun tenten bezetten de omgeving van Taien in nog net te onderscheiden groepen. Ieder een begreep, of meende te begrijpen, dat de Speervrouwen Rhands eer droegen, maar alle genootschappen wilden de car’a’carn bewaken.

Moiraine – met Lan natuurlijk – zocht een goede plek voor de ka ravaan van Kadere, vlak voor de stad. De Aes Sedai toonde zich bijna even bezorgd over de inhoud van de wagens als over Rhand. De wagenmenners mopperden en vloekten over de stank en vermeden elke blik op de Aiel die de lijken lossneden, maar na hun maanden in de Woestenij bleven ze toch liever in de buurt van de bouwvallen, aangezien die voor hen enigszins op beschaving leken. De gai’shain trokken vóór de stad de renten van de Wijzen op – die van Amys, Bair en Melaine – maar bezijden het amper zichtbare pad dat over de heuvels erheen leidde. Rhand wist bijna zeker dat ze de ze plek heel geschikt zouden vinden, omdat zowel hij als de tientallen Wijzen uit de kampementen verderop hen nu gemakkelijk konden benaderen. En het was volgens hem geen toeval dat iedereen uit de heuvels nu door of rond hun kamp moest lopen als ze hem wilden spreken. Het verbaasde hem toen hij Melaine de in het wit geklede gestalten aanwijzingen zag geven. Nog maar drie nachten er voor had ze Bael getrouwd, met een plechtigheid waardoor ze zowel zijn vrouw werd als eerstezuster van zijn andere vrouw Dorindha. Blijkbaar was dat deel even belangrijk als het huwelijk. Aviendha had geschokt zijn verbazing gezien, of misschien was ze wel boos. Toen Egwene met Aviendha achter op de grijze merrie aankwam, de rok tot boven de knie opgeschoven, zagen ze eruit als een tweeling, ondanks hun verschillende huidskleur en Aviendha’s lengte; de Aielse hoefde zich niet uit te rekken om over Egwenes schouder te kijken. Als sieraden droegen ze alleen een ivoren armband en een hals ketting. Het werk om de opgehangen lijken te bergen was amper begonnen. De meeste raven lagen als hoopjes zwarte veren dood op de grond en de rest was weggevlogen, maar de aasgieren hadden zich zo volgevreten dat ze niet weg konden komen en dus waggelden ze nog rond tussen de as en het puin binnen de muren. Rhand wilde dat er een manier was om de twee vrouwen de aanblik te besparen, maar hij zag verbaasd dat ze geen van beiden wegholden om te gaan overgeven. Nou ja, zoiets had hij van Aviendha ook eigenlijk niet verwacht; zij had de dood al vaak genoeg onder ogen gehad en daarin ook haar aandeel geleverd. Op haar gezicht viel niets af te lezen. Maar het zuivere medelijden in Egwenes ogen toen ze zag hoe de opgezwollen lijken omlaag werden gehaald, verbaasde hem. Ze stuurde Mist naar Jeade’en en boog zich naar hem toe om haar hand op zijn arm te leggen. ‘Het spijt me echt, Rhand. Dit had je op geen enkele manier kunnen voorkomen.’

‘Dat weet ik,’ zei hij tegen haar. Hij had zelfs niet eens geweten dat hier een stad lag, totdat Rhuarc het zo’n vijf dagen geleden terloops had gemeld. Tijdens zijn bijeenkomsten met de stamhoofden was alleen gesproken over of ze per dag sneller konden reizen en wat Couladin zou doen wanneer hij uit de Jangai-pas zou komen. Maar toen waren de Shaido hier al klaar en verder getrokken. Hij had zichzelf toen vaak genoeg voor dwaas uitgemaakt.

‘Nou, denk daar maar aan. Jouw schuld was het niet.’ Ze spoorde Mist aan en voor ze buiten zijn gehoor waren, zat ze al met Aviendha te praten, ik ben blij dat hij het zo verstandig opneemt. Ge woonlijk voelt hij zich schuldig over alles wat buiten zijn macht valt.’

‘Mannen menen altijd dat ze overal macht over hebben,’ antwoord de Aviendha. ‘Wanneer ze merken dat het niet zo is, denken ze dat ze hebben gefaald, in plaats van de waarheid onder ogen te zien die vrouwen reeds kennen.’

Egwene giechelde. ‘Dat is waar. Toen ik die stakkers zag, dacht ik dat hij ergens wel zou staan overgeven.’

‘Heeft hij zo’n zwakke maag? Ik...’

Hun stemmen verzwakten toen de merrie doorstapte. Rhand ver mande zich met een rood hoofd en ging rechtop zitten. Proberen hen af te luisteren! Hij gedroeg zich als een idioot. Het weerhield hem er echter niet van fronsend naar hun verdwijnende ruggen te kijken. Hij voelde zich alleen verantwoordelijk voor wat hem aangerekend mocht worden, al was het maar door zichzelf. Alleen verantwoordelijk voor zaken waar hij iets aan kon doen en voor zaken waar hij iets aan had horen te doen. Hij vond het niet prettig dat ze over hem spraken. Achter zijn rug of recht in zijn gezicht. Het Licht mocht weten waar ze het nu weer over hadden.

Hij steeg van Jeade’en af en ging met het paard op zoek naar Asmodean, die ergens leek rond te zwerven. Na zoveel dagen in het zadel was het fijn gewoon te lopen. Overal in de pas verrezen tent groepen; de berghellingen en rotshoogten waren aanzienlijke hindernissen, maar de Aiel stelden hun tenten zo op, alsof ze van daar vandaan toch een aanval konden verwachten. Hij had geprobeerd met de Aiel mee te lopen, maar na een halve dag had hij er genoeg van en was weer opgestegen. Het was al lastig genoeg te paard bij te blijven; als ze voortgejaagd werden, konden ze zelfs paarden uit putten.

Mart was eveneens afgestegen en zat gehurkt met de teugels in zijn hand naar de geopende poorten te turen. Hij nam in zichzelf mom pelend de stad op, terwijl Pips wat van een doornstruik probeerde te knabbelen. Mart zat alles nauwkeurig te bekijken. Waar was die op merking over de schildwachten vandaan gekomen? Mart zei na zijn eerste bezoek aan Rhuidean regelmatig van die vreemde dingen. Rhand wilde er graag met hem over praten, maar Mart ontkende nog steeds dat er iets was gebeurd, ondanks dat zegel met de vos senkop, de speer en het litteken rond zijn hals. Melindhra, de Speervrouwe van de Shaido, met wie Mart de laatste tijd optrok, stond wat opzij naar Mart te kijken tot Sulin aan kwam lopen en haar weg joeg voor een of andere boodschap. Rhand vroeg zich af of Mart wist dat ze weddenschappen afsloten of Melindhra voor hem de speer zou neerleggen. En of ze hem zou leren zingen. Als Rhand vroeg wat dat betekende, lachten ze alleen maar.

Het geluid van muziek leidde hem naar Asmodean, die in z’n eentje op een blok graniet zat, de harp op zijn knie. De stok met de vuurrode banier was in de rotsbodem geplant met het muildier er aan vastgebonden. ‘Ziet u, mijn Heer Draak,’ zei hij opgewekt, ‘uw banierdrager kwijt zich trouw van zijn plicht.’ Zijn stem en gezichtsuitdrukking veranderden en hij zei: ‘Als je dit vaandel zo graag bij je wilt hebben, waarom laat je het dan niet door Mart dragen, of door Lan? Moiraine zou het ook heel goed kunnen. Ze zou het heel fijn vinden je banier te dragen en je laarzen te poetsen. Pas op met haar. Ze is een sluwe vrouw. Als een vrouw uit eigen vrije wil zegt dat ze je zal gehoorzamen, is het de hoogste tijd licht te slapen en achterom te kijken.’

‘Jij draagt hem omdat je bent uitverkoren, baas Jasin Natael.’ Asmodean schrok op en keek om zich heen, hoewel iedereen veel te ver weg was om te luisteren. Alleen zij twee zouden het trouwens heb ben begrepen, niemand anders. ‘Wat weet je van die bouwvallen daar hoog bij de sneeuwgrens? Die moeten stammen uit de Eeuw der Le genden.’

Asmodean nam niet de moeite omhoog te kijken. ‘Deze wereld is zo anders dan de wereld waarin ik... in slaap viel.’ Het klonk vermoeid en hij rilde een beetje. ‘Wat ik van de huidige wereld weet, heb ik na mijn ontwaken geleerd.’ De droevige tonen van ‘De mars des doods’ ontsnapten aan zijn harp. ‘Dat zouden, voor zover ik weet, de resten kunnen zijn van de stad waar ik geboren ben. Shorelle was een havenstad.’