Het zou nog een uur licht blijven voor de Rug van de Wereld de zon zou verbergen. Nu ze vlak bij de hoge bergen waren, viel de nacht snel. ‘Ik ben vanavond te moe voor een van onze gesprekken.’ Zo noemden ze in het openbaar Asmodeans lessen, zelfs wanneer niemand hen kon horen. Asmodeans lessen en de oefeningen met Lan en Rhuarc lieten Rhand na het vertrek uit Rhuidean weinig tijd om te slapen. ‘Dan ga je naar je tent wanneer je klaar bent en zie ik je morgenochtend. Met de banier.’ Er was echt niemand anders om dat bloedding te dragen. Misschien kon hij in Cairhien iemand vinden. Toen hij zich omdraaide, speelde Asmodean wat valse tonen en zei: ‘Komen er vannacht geen brandende netten rond mijn tent? Begin je me eindelijk te vertrouwen?’
Rhand keek om. ‘Ik vertrouw je als een broer. Tot de dag dat je mij verraadt. Je straf voor wat je hebt gedaan, is opgeschort, in ruil voor je lessen, en dat is meer dan je verdient. Op de dag dat je je tegen me keert, zal ik elke belofte in stukken scheuren en die samen met jou begraven.’ Asmodean wilde iets zeggen, maar Rhand was hem voor. ‘Je hoort mijn woorden, Natael. Van Rhand Altor. Mensen uit Tweewater houden niet van mensen die hen in de rug willen aan vallen.’
Een en al ergernis trok hij zijn schimmel aan de teugels verder en liep weg voor de ander nog wat kon zeggen. Hij wist niet zeker of Asmodean het vermoeden had dat een dode man hem probeerde over te nemen, maar hij moest oppassen dat hij de man geen aanwijzingen gaf. Asmodean was er al zo van overtuigd dat dit een hopeloze zaak was. Bij het eerste vermoeden dat Rhand niet volledig meester was over zijn eigen gedachten of dat hij krankzinnig werd, zou de Verzaker hem meteen in de steek laten en Rhand had nog veel te veel te leren.
Onder Aviendha’s leiding plaatsten de gai’shain zijn tent, behoorlijk diep de pas in, waar de enorme kronkelende slang omhoog rees. De gai’shain hadden hun eigen tenten, maar die zouden natuurlijk als laatste worden opgetrokken. Vlakbij zaten Adelin en een tiental andere Speervrouwen neergehurkt; ze hielden alles in het oog en zouden hem, als hij sliep, bewaken. Zelfs nu ruim duizend Speervrouwen iedere nacht om hem heen kampeerden, zetten ze nog steeds een wacht bij zijn tent.
Voor hij naar zijn tent liep, reikte hij met behulp van de angreaal in zijn jaszak naar saidin. Eigenlijk hoefde hij het uitgesneden dikke mannetje met het zwaard niet aan te raken. Hij werd gevuld met een mengeling van smerigheid en zoetheid, door een bulderende rivier van vuur, een verpletterende lawine van ijs. Terwijl hij geleidde, wat hij iedere avond sinds het vertrek deed, plaatste hij een ban rond het gehele kamp, niet alleen rond de tenten in de pas, maar ook rond de groepen die op de heuvels onder hem lagen en die op de berghellingen. Hij had de angreaal bijna niet meer nodig om zo’n grote ban te plaatsen. Hij had zich vroeger al sterk gevonden, maar Asmodeans lessen maakten hem nog sterker. Geen enkel mens of dier zou iets van die grens merken, maar zodra Schaduwgebroed voorbij die lijn kwam, zou iedereen in de tenten gewaarschuwd zijn. Als hij dit in Rhuidean had gedaan, hadden de Duisterhonden nooit kunnen aan vallen zonder dat hij het had gemerkt.
De Aiel zouden de wacht moeten houden voor menselijke vijanden. Een ban was een ingewikkeld weefsel, eigenlijk heel verfijnd, en als je probeerde het meerdere dingen te laten doen, kon het in de prak tijk nutteloos worden. Hij had de ban zo kunnen maken dat het Scha duwgebroed werd gedood in plaats van het kamp gewaarschuwd, maar dat zou een baken hebben opgericht voor Myrddraal en iedere mannelijke Verzaker die naar hem op zoek was. Het was onnodig je vijanden naar je toe te leiden als ze misschien niet wisten waar je was. Op deze manier zou zelfs een Verzaker het alleen opmerken wanneer hij vlakbij kwam en een Myrddraal pas wanneer het te laat was.
Het loslaten van saidin was een oefening in zelfbeheersing, ondanks de smerige smet, ondanks de wijze waarop de Ene Kracht hem tracht te mee te sleuren als zand van een rivierbank, hem te verbranden en hem te vernietigen. Hij dreef in de enorme leegheid van de leegte, maar hij kon voelen hoe de lucht ieder hoofdhaartje beroerde, hij kon het weefsel van de gai’shain-kleding zien, Aviendha’s warme lucht ruiken. Hij wilde meer. Maar hij kon ook de as van Taien ruiken, de doden die werden verbrand, de rotting van de nog niet verbrande lijken, zelfs die van de lijken die al waren begraven, vermengd met de droge grond van hun grafkuilen. Dat hielp. Een tijdlang na het ver dwijnen van saidin haalde hij alleen maar diep adem en snoof de warme droge lucht op. Vergeleken met ervoor leek het vleugje dood afwezig en de lucht zelf zuiver en heerlijk.
‘Kijk eens wat ons vóór was,’ zei Aviendha toen een gai’shain met een onderworpen gezicht Jeade’en wegvoerde. Ze hield een dode bruine slang omhoog, zo dik als zijn onderarm en bijna drie pas lang. De bloedslang ontleende zijn naam aan de gevolgen van zijn beet: het bloed van het slachtoffer werd heel snel een dikke gelei. Hij kon het mis hebben, maar volgens hem was de nette snee achter de kop veroorzaakt door haar kleine riemmes. Adelin en de andere vrouwen keken goedkeurend toe.
‘Heb je er geen moment aan gedacht dat hij jou zou kunnen bijten?’ zei hij. ‘Had je niet even de Kracht kunnen gebruiken in plaats van dat bloedmesje? Waarom heb je hem niet eerst een zoen gegeven? Je was er vlakbij.’
Ze richtte zich op en haar grote ogen konden de nachtkoude nu al verspreiden. ‘De Wijzen zeggen dat het niet goed is de Kracht al te vaak te gebruiken.’ De afgebeten woorden waren net zo kil als haar ogen. ‘Ze zeggen dat ik mogelijk veel te veel aantrek en mezelf kwaad doe.’ Met een kleine frons zei ze vervolgens meer tot zichzelf dan tegen hem: ‘Hoewel ik nog lang niet in de buurt ben van wat ik echt kan omhelzen. Dat weet ik zeker.’
Hoofdschuddend dook hij zijn tent in. Die vrouw wilde niet naar rede luisteren.
Hij had zich nauwelijks op een zijden kussen bij het onaangestoken vuur gezet of ze volgde hem. Gelukkig zonder die bloedslang, maar ze droeg behoedzaam een lang voorwerp dat in een grijsgestreepte deken was gewikkeld. ‘Je maakte je bezorgd over mij,’ zei ze vlak. Op haar gezicht stond niets te lezen.
‘Natuurlijk niet,’ loog hij. Dwaze vrouw. Ze loopt nu al kans gedood te worden omdat ze baar verstand niet gebruikt en niet oppast als het nodig is.
‘Ik zou over iedereen zo bezorgd zijn. Ik wil niet dat ie mand door zo’n slang wordt gebeten.’
Heel even nam ze hem vol twijfel op en knikte toen kort. ‘Goed, zo lang je je maar niets aanmatigt over mij.’ Ze gooide de dekenrol voor zijn voeten neer en ging gehurkt aan de andere kant van de vuurkuil tegenover hem zitten. ‘Je wilde de gesp niet aannemen als vereffening van de schuld tussen ons...’
‘Aviendha, er bestaat geen schuld.’ Hij meende dat ze het was vergeten. Ze ging door alsof hij niets had gezegd. ‘... maar misschien voldoet dit.’
Zuchtend rolde hij de deken uit, behoedzaam, want ze had de rol veel voorzichtiger vastgehouden dan de bebloede slang. De deken ontrolde zich en hij snakte naar adem. Er lag een zwaard in. De schede zat zo vol robijnen en maanstenen dat het goud haast niet te zien was, behalve op de plaats waar een opgaande zon met veel zonne stralen was ingelegd. Het ivoren gevest, lang genoeg voor twee handen, toonde eveneens ingelegd goud in de vorm van de opgaande zon. De knop was volledig bezet met robijnen en maanstenen, en nog meer stenen vormden bijna één geheel langs de pareerstangen. Dit zwaard was niet voor de strijd gemaakt, maar voor uiterlijk vertoon. Om bekeken te worden.
‘Die moet vreselijk duur... Aviendha, hoe heb je dit kunnen betalen?’
‘Het kostte niet veel,’ zei ze zo afwerend dat ze er net zo goed bij had kunnen zeggen dat ze loog.
‘Een zwaard. Hoe ben je in Lichtsnaam aan een zwaard gekomen? Hoe komt een Aiel aan een zwaard? Zeg nou niet dat Kadere dit in een van zijn wagens had.’