Выбрать главу

‘Ik heb het in een deken meegenomen.’ Ze klonk nu nog geprikkelder dan toen ze het over de prijs hadden. ‘Zelfs Bair zei dat dit de schuld zou vereffenen, zolang ik het zelf maar niet aanraak.’ Ze trok verontrust haar schouders op en bleef met haar sjaal spelen. ‘Het is het zwaard van de boomdoder. Van Laman. Het is als bewijs van zijn dood van zijn lijk genomen, omdat zijn hoofd niet terug kon worden gebracht. Sindsdien is het van hand tot hand gegaan, van jonge mannen naar dwaze Speervrouwen die het bewijs van zijn dood wilden bezitten. Maar als begon door te dringen wat het was, verkochten ze het zo snel mogelijk aan een andere dwaas. De prijs is enorm gezakt sinds het voor het eerst werd verkocht. Geen enkele Aiel zou het willen aanraken, zelfs niet om de juwelen eraf te halen.’

‘Nou, het is heel mooi,’ zei hij zo neutraal mogelijk. Alleen een hans worst zou zoiets opzichtigs dragen. En dat gevest van ivoor zou met wat zweet of bloed niet vast in de handen liggen. ‘Maar dit kan ik niet...’ Zijn woorden stierven weg toen hij uit gewoonte een paar duim van de kling ontblootte om de scherpte te beproeven. Er stond een reiger geëtst in het glanzende staal, het teken van een zwaard meester. Hij had op de Kop van Toman ook zo’n zwaard gedragen.

Opeens wilde hij er wat om verwedden dat dit wapen van hetzelfde metaal was als het met een raaf getekende blad van Marts speer; me taal dat met de Ene Kracht was gemaakt, nooit zou breken en nooit gewet hoefde te worden. De meeste wapens van zwaardmeesters waren nabootsingen hiervan. Lan zou uitsluitsel kunnen geven, maar voor zichzelf was hij er al zeker van.

Hij schoof het uit de schede en legde die over de vuurkuil buigend voor haar neer. ‘Ik zal het wapen nemen om de schuld te vereffenen, Aviendha.’ Het was lang en licht gebogen, met één scherpe kant. ‘Al leen het wapen. Je mag het gevest en de schede houden.’ In Cairhien zou hij een nieuw gevest en een nieuwe schede laten maken. Misschien was een van de overlevenden in Taien een behoorlijke wapensmid.

Ze staarde met grote ogen van de schede naar hem, toen weer naar de schede, met open mond en, sinds hij haar kende, voor het eerst stomverbaasd. ‘Maar die stenen zijn veel waard, veel meer dan ik... Je probeert me weer een schuld op te dringen, Rhand Altor.’ in het geheel niet.’ Als dit wapen onaangeraakt en onbeschadigd ruim twintig jaar in de schede had gezeten, moest het een echt rei gerzwaard zijn. ‘Ik heb de schede nooit aangenomen, dus is hij steeds van jou gebleven.’ Hij gooide een zijden kussen omhoog en voerde gezeten de houding uit die Zachte opstekende wind heette. De veren dwarrelden omlaag toen de kling er recht doorheen sneed. ‘En het gevest neem ik ook niet aan, dus dat is ook van jou. Als je er winst mee maakt, dan doe je het zelf.’

Ze leek absoluut niet blij met dit grote voordeel. Hij vermoedde dat ze alles wat ze bezat voor het zwaard had gegeven en nu voor de schede alleen waarschijnlijk honderdmaal zoveel of nog meer zou te rugkrijgen. Ze leek niet verheugd, bedankte hem evenmin, maar keek hem door de wolk veren even verontwaardigd aan als een huisvrouw in Emondsveld die haar vloer weer vuil ziet worden. Stijfjes klapte ze en een gai’shain verscheen, die meteen neerknielde om de rommel op te ruimen.

‘Het is mijn tent,’ zei hij strak. Aviendha snoof als een tweede Egwene. Die twee vrouwen trokken te vaak met elkaar op. Toen het helemaal donker was, verscheen zijn eten, bestaande uit het gebruikelijke platte brood en een pittige vleessaus met gedroogde pepers, bonen en stukjes wit vlees. Hij grijnsde slechts even toen hij hoorde dat het van de bloedslang kwam. Hij had na zijn komst wel vaker slang of andere griezelige dingen gegeten. Gara – de giftige hagedis – was volgens hem het ergste. Niet wat de smaak betrof, die leek op kip, maar omdat het een hagedis was. Soms leek het of er in de Woestenij meer giftige dingen als slangen, hagedissen, spinnen en planten leefden dan overal elders ter wereld bij elkaar. Aviendha leek teleurgesteld dat hij het vlees niet walgend uitspuug de, hoewel haar gevoelens soms moeilijk te peilen waren. Soms leek ze er veel plezier in te scheppen hem van zijn stuk te brengen. Als hij had geprobeerd een Aiel na te doen, zou zij volgens hem trachten te bewijzen dat hij het niet was.

Vermoeid en naar zijn bed verlangend, trok hij alleen zijn jas en laar zen uit, voor hij onder de dekens kroop en zich van Aviendha af keerde. Mannen en vrouwen van de Aiel mochten van hem best samen in een stoombad, maar een kort verblijf in Shienar, waar men vrijwel hetzelfde deed, had hem ervan overtuigd dat hij hiervoor niet geschikt was. Hij kreeg er zo’n rood hoofd van dat hij bijna stierf van schaamte. Hij probeerde niet naar het geritsel te luisteren toen ze zich onder haar eigen dekens uitkleedde. Gelukkig bezat ze die ze digheid wel, maar voor de zekerheid bleef hij met zijn rug naar haar toe liggen.

Ze beweerde dat ze verondersteld werd hier te slapen om door te gaan met zijn lessen over Aielgewoonten en -gebruiken, aangezien hij het grootste deel van de dag bij de stamhoofden was. Ze wisten allebei dat het een leugen was, hoewel hij zich niet kon voorstellen wat de Wijzen op deze manier uit wilden vinden. Zo nu en dan grom de ze even als ze ergens aan trok en mompelde wat. Om het geluid te smoren, zodat hij niet hoefde te denken aan wat elk geluid was, zei hij: ‘Die bruiloft van Melaine was indrukwekkend. Wist Bael er echt niets van tot Melaine en Dorindha het hem vertelden?’

‘Natuurlijk niet,’ antwoordde ze wrokkig en zweeg, terwijl hij meen de te horen dat ze een kous uittrok. ‘Waarom zou hij het moeten weten vóór Melaine de bruidskrans aan zijn voeten had gelegd en hem had gevraagd?’ Opeens lachte ze. ‘Melaine zelf dreef zichzelf en Dorindha tot wanhoop door zegadebloemen voor de krans te zoeken. Er groeien er niet zoveel dicht bij de Drakenmuur.’

‘Betekenen ze iets bijzonders? Die zegadebloemen?’ Hij had ze ook aan haar gestuurd, bloemen waar ze nooit voor had bedankt. ‘Dat ze geprikkeld van aard is en dat zo wil houden.’ Weer viel er een stilte, onderbroken door gemompel. ‘Als ze blaadjes of bloemen van de zoetwortel had gebruikt, dan zou het betekenen dat ze een lief karakter wil tonen. Ochtendbei zou betekenen dat ze onderdanig wil zijn en... Er zijn er te veel. Het zou me dagen kosten om alles op te noemen en je hoeft dat helemaal niet te weten. Jij krijgt toch geen Aielvrouw. Jij behoort Elayne.’

Hij had bijna naar haar gekeken toen ze ‘onderdanig’ zei. Een minder waarschijnlijk woord voor een Aielse kon hij niet bedenken.

Betekende waarschijnlijk dat ze je waarschuwde voor ze een mes in je rug plantte.

Haar stem had aan het eind wat gedempter geklonken. Hij besefte dat ze haar hemd over het hoofd moest hebben uitgetrokken. Hij wilde dat het licht was gedoofd. Nee, dat zou nog erger zijn. Nou ja, hij had dit vanaf Rhuidean iedere avond meegemaakt en elke nacht was het lastiger geworden. Hij moest dit beëindigen. De vrouw zou vanaf nu bij de Wijzen moeten slapen, waar ze hoorde. Hij zou van haar wel leren wat hij kon leren als het mogelijk was. Hij had vijf tien avonden geleden precies hetzelfde gedacht. Terwijl hij de beelden uit zijn hoofd probeerde te verjagen, zei hij: ‘Dat laatste stuk. Na het uitspreken van de beloften.’ Een handvol Wijzen had amper hun zegen uitgesproken of een honderdtal bloed verwanten van Melaine was komen aansnellen, had haar omringd, en allen hadden hun speer gedragen. Een honderdtal verwanten van Bael had zich bij hem aangesloten en hij had zich een weg naar haar toe moeten vechten. Niemand was toen uiteraard gesluierd – het maakte deel uit van het gebruik – maar aan beide kanten was wel bloed gevloeid. ‘Vlak ervoor zwoer Melaine dat ze van hem hield, maar toen hij haar bereikte, vocht ze als een in de hoek gedreven klipkat.’ En als Dorindha haar geen por in de onderste ribben had verkocht, had Bael haar volgens mij nooit over zijn schouder kunnen hijsen om weg te dragen. ‘Hij loopt nog mank en dat blauwe oog heeft zij hem bezorgd.’

‘Had ze dan een slappeling moeten zijn?’ zei Aviendha slaperig. ‘Hij moest weten hoe waardevol ze is. Ze is geen muntje dat je opraapt en in je zak steekt.’ Ze gaapte en hij hoorde hoe ze zich dieper on der haar dekens schurkte.