‘Wat betekent “een man leren zingen”?’ Aielmannen zongen niet, niet wanneer ze oud genoeg waren voor de speer, behalve strijdzangen en klaagliederen voor hun doden.
‘Denk je aan Mart Cauton?’ Ze giechelde zelfs. ‘Soms geeft een man de speer op voor een Speervrouwe.’
‘Dat verzin je. Zoiets heb ik nog nooit gehoord.’
‘Nou ja, hij geeft de speer ook niet echt op.’ Haar stem klonk dik van de slaap. ‘Soms wenst een man een Speervrouwe die de speer niet voor hem wil opgeven. Hij regelt het dan zo dat hij door haar als gai’shain wordt genomen. Dwaas natuurlijk. Geen enkele Speervrouwe kijkt op die manier naar een gai’shain. Hij moet hard werken en zijn plaats kennen, en het eerste dat hij moet doen, is leren zingen om de speerzusters onder het eten vermaak te bieden. “Ze zal hem leren zingen.” Dat zeggen de Speervrouwen wanneer een man zich als een dwaas gedraagt tegenover een speerzuster.’ Wat een merk waardig volk.
‘Aviendha?’ Hij had gezegd dat hij het haar niet meer zou vragen. Lan had gezegd dat het Kandoraans was, een patroon dat sneeuw vlokjes heette. Waarschijnlijk krijgsbuit uit het noorden. ‘Wie heeft je die halsketting gegeven?’
‘Een vriendschapsgeschenk, Rhand Altor. We hebben vandaag ver gereisd en je zult ons morgenochtend vroeg laten vertrekken. Slaap lekker en word wakker, Rhand Altor.’ Alleen een Aiel wenste je een goede nacht door de hoop uit te spreken dat je niet in je slaap stierf. Nadat hij de veel kleinere, maar wel lastiger ban rond zijn dromen had geplaatst, geleidde hij de lampen uit en probeerde te slapen. Vriendschap. De Reyn kwamen uit het noorden. Maar de halsketting had ze in Rhuidean gekregen. Wat kon het hem schelen? Het langzame ademen van Aviendha leek luid te klinken toen hij in slaap viel. Hij had verwarde dromen over Min en Elayne, die hem hielpen Aviendha – geheel naakt, afgezien van die halsketting – op zijn schouder te nemen, terwijl ze met een krans van zegadebloemen op zijn hoofd timmerde.
22
Vogels fluiten in de nacht
Mart lag met gesloten ogen op zijn buik op de dekens te genieten van het gevoel van Melindhra’s duimen, die zijn rugspieren bewerk ten. Niets was na een lange dag in het zadel zo lekker als het kneden van de spieren. Nou ja, op een paar andere dingen na, maar nu wilde hij best genoegen nemen met haar duimen. ‘Je bent behoorlijk gespierd voor zo’n kleine man, Martrim Cauton.’ Hij deed een oog open en keek naar haar zoals ze schrijlings over zijn heupen geknield zat. Ze had het vuur tweemaal zo hoog opgerakeld als nodig was en het zweet liep in stroompjes langs haar lichaam. Haar mooie goudblonde haren, kort geknipt met uitzondering van dat Aielstaartje laag in haar nek, plakten tegen haar hoofd. ‘Als ik te klein ben, kun je altijd een ander gaan zoeken.’
‘Naar mijn smaak ben je niet te klein,’ lachte ze en ze maakte zijn haren in de war. Die waren langer dan die van Melindhra. ‘En je bent leuk. Ontspan je. Als je je gespannen voelt, heb je er minder aan.’ Grommend sloot hij zijn ogen weer. Leuk? Licht!
En klein. Alleen een Aiel zou hem klein noemen. In elk land waar hij was geweest, was hij langer dan de meeste mannen, zij het soms niet veel. Hij kon zich herinneren dat hij echt lang was geweest. Toen hij tegen Artur Haviksvleugel was uitgereden, was hij langer geweest dan Rhand. En een hand kleiner toen hij naast Maecine tegen de Aelgari had gevochten. Hij had er met Lan over gesproken, zogenaamd omdat hij enkele namen had opgevangen. De zwaardhand had hem verteld dat Maecine koning van Eharon was geweest, een van de Tien Naties dat wist Mart al – zo’n vier- of vijfhonderd jaar voor de Trollok-oorlogen. Lan dacht dat zelfs de Bruine Ajah er niet meer over zou we ten. Tijdens de Trollok-oorlogen was veel verloren gegaan en nog meer in de Oorlog van de Honderd Jaren. Dat waren de vroegste en laatste herinneringen geweest die in zijn hersens waren geplant. Van na Artur Paendrag Tanreall was er niets, noch van vóór Maecine van Eharon.
‘Heb je het koud?’ vroeg Melindhra ongelovig. ‘Je rilde.’ Ze schoof van hem af en hij hoorde hoe ze hout op het vuur gooide. Er lag genoeg sprokkelhout voor de hele avond. Ze gaf hem een klap op de billen toen ze weer terugkwam, mompelend: ‘Sterke spieren.’
‘Als je zo doorgaat,’ mopperde hij, ‘wil je me, geloof ik, net als een Trollok voor het eten aan het spit rijgen.’ Hij voelde zich best pret tig in Melindhra’s gezelschap – zolang ze haar mond hield en hem er niet op wees dat ze langer was dan hij – maar in deze toestand voel de hij zich niet op z’n gemak.
‘Jij wordt niet aan het spit geregen, Martrim Cauton.’ Haar duimen boorden zich in zijn schouders. ‘Goed zo, ontspan je.’ Hij nam aan dat hij op een goede dag zou trouwen en zich ergens zou vestigen. Dat deed iedereen altijd. Een vrouw, een huis en een gezin. Onder de pannen bij de haard voor de rest van je leven.
Ik heb nog nooit een huisvrouw gekend die het leuk vond als haar man dronk of dobbelde. Bovendien wist hij nog wat dat volk aan de andere kant van die ter’angreaalpoort had gezegd. Dat het zijn lot was ‘te trouwen met de Dochter van de Negen Manen’. Een man moet vroeg of laat trouwen, neem ik aan.
Maar hij wilde daarvoor zeker geen Aielse nemen. Hij wilde zo lang mogelijk met zoveel mogelijk meisjes dansen.
‘Jij bent niet geboren voor het spit, maar voor grote roem, denk ik,’ zei Melindhra zachtjes.
‘Lijkt me uitstekend.’ Maar momenteel wierp geen enkele andere vrouw een blik op hem. Geen enkele Speervrouwe, niemand. Het was net of Melindhra een bord om zijn nek had gehangen waarop stond: EIGENDOM VAN MELINDHRA VAN DE JUMAI SHAIDO. Nou ja, dat laatste stuk zou ze er niet op schrijven, niet hier tenminste. Maar niemand wist toch eigenlijk wat een Aielse, en nog wel een Speervrou we, ging doen? Vrouwen dachten anders dan mannen en Aielvrouwen dachten heel anders dan elke andere vrouw, uit welk land dan ook. ‘Vreemd dat je jezelf zo onzichtbaar maakt.’
‘Me onzichtbaar maakt?’ mompelde hij. Haar handen voelden lekker aan; gespannen spieren die hij eerst niet had gevoeld, werden steeds losser. ‘Hoe bedoel je?’ Hij vroeg zich af of het iets met de halsketting te maken had. Melindhra leek er een grote waarde aan te hechten, aan het krijgen in ieder geval. Ze droeg het ding natuur lijk nooit. Speervrouwen droegen geen sieraden. Maar ze had het al tijd in haar riembuidel en toonde het aan iedere vrouw die ernaar vroeg. Heel veel vrouwen wilden het zien. ‘Je plaatst jezelf in de schaduw van Rhand Altor.’ ik sta in niemands schaduw,’ zei hij afwezig. Het kon niet aan de halsketting liggen. Aan andere vrouwen had hij ook sieraden gegeven, zelfs aan Speervrouwen. Hij gaf graag dingen aan mooie vrouwen, zelfs al kreeg hij er enkel een glimlach voor terug. Hij rekende ook niet op meer. Als een vrouw niet evenveel van kussen en om helzingen hield als hij, wat had het dan verder voor zin? ‘Natuurlijk, er straalt een zekere eer op je af als je in de schaduw van de car’a’carn verkeert. Als je omgaat met heersers, dien je in hun schaduw te staan.’
‘Schaduw,’ beaamde Mart, die niet echt luisterde. Soms namen vrouwen de geschenken aan en soms niet, maar niemand had besloten dat zij hem bezat. Dat zat hem eigenlijk niet lekker. Hij wilde niet het bezit van een vrouw zijn, zelfs niet van een knappe. Hoe goed haar handen ook waren in het losser maken van de knopen in je spieren.
‘Jouw littekens behoren erelittekens te zijn, verdiend onder je eigen naam, als stamhoofd, niet op deze manier.’ Een vinger gleed langs het litteken in zijn nek, overgehouden aan de ophanging. ‘Heb je dit verdiend toen je de car’a’carn diende?’
Hij schudde haar hand weg, duwde zich op zijn ellebogen omhoog, draaide zich om en keek haar aan. ‘Weet je zeker dat je nog nooit hebt gehoord van de Dochter van de Negen Manen?’
‘Ja, dat heb ik al gezegd. Ga liggen.’