Выбрать главу

Grijnzend liet hij zijn arm om haar middel glijden, maar hij kon de aanval niet uit zijn hoofd krijgen. Hij wilde wel maar hij kon het niet; zijn gedachten draaiden te veel rond zijn geleende herinneringen.

Waarom had iemand zo’n zinloze aanval ingezet? Alleen een dwaas viel een grotere strijdmacht zonder reden aan. Dat was de gedachte die hij maar niet kon loslaten. Niemand viel zonder reden aan.

Het vogelgeroep wekte Rhand onmiddellijk en hij reikte naar saidin toen hij de dekens opzij gooide en zonder jas en op zijn kousen naar buiten rende. De nacht was koud in het maanlicht; zwakke strijdgeluiden stegen op van de heuvels onder de pas. De Aiel schrokken als opgewonden mieren op en snelden de nacht in, in de richting van de aanval. De ban zou opnieuw een teken geven – Schaduwgebroed in de pas zou een wintervink laten aanslaan – tot hij de stromen in de ochtend losknoopte, maar het had geen zin een stom risico te lopen.

Weldra was de pas weer in stilte gehuld. De gai’shain bleven in hun tent – zelfs nu mochten ze geen wapens aanraken – en de andere Aiel gingen naar de plekken die verdedigd moesten worden. Zelfs Adelin en de andere Speervrouwen waren weg, alsof ze wisten dat hij hen bij de tent zou proberen te houden. Hij kon wat stemmen uit de karavaan bij de stadsmuren horen, maar de voerlieden en Kadere lieten zich niet zien en daar rekende hij ook niet op. De zwakke strijd geluiden – schreeuwende, gillende en stervende mensen – kwamen uit twee richtingen. Het klonk alsof ze van lager op de berghellingen kwamen, een eind bij hem vandaan. Ook bij de tenten van de Wijzen zag hij mensen buiten staan, waarschijnlijk om naar de strijd te kijken.

Een aanval op die kampementen was zinloos. Het was niet de Miagoma, tenzij Timolan Schaduwgebroed in zijn stam had opgenomen, en dat was even waarschijnlijk als Witmantels met Trolloks in hun gelederen. Hij keerde zich weer naar zijn tent en schrok, zelfs nu hij in de leegte was gehuld.

Aviendha stond met een omgeslagen deken in het maanlicht. Vlak achter haar stond een lange man, gehuld in een donkere mantel. De schaduwen van de maan dreven over een uitgemergeld, lijkbleek gezicht met veel te grote ogen. Hij hoorde zacht gezang en de mantel opende zich tot brede, leerachtige vleermuisvleugels. Aviendha bewoog zich als in een droom en schoof naar de wachtende omhelzing. Rhand geleidde en vingerdun lotsvuur brandde zich langs haar heen, een pijl van rotshard licht dat de Draghkar midden in zijn gezicht trof. De smallere bundel werkte trager, maar even goed als bij de Duisterhonden. De kleuren van het wezen draaiden zich om, zwart werd wit, wit werd zwart, werden fonkelende stofjes die ogenblikkelijk verdwenen.

Aviendha schokte hevig toen het gezang eindigde. Ze staarde naar de verdwijnende laatste deeltjes en wendde zich naar Rhand, de deken wat strakker om zich heen slaand. Haar hand kwam omhoog en een vuurstroom zo dik als een hoofd rolde op hem af. Ondanks de leegte schrok hij, vergat aan de Kracht te denken en wierp zich onder de voortkolkende vlammen op de grond. Ze doofden onmiddellijk.

‘Wat doe je?’ blafte hij, zo kwaad en geschrokken dat zijn leegte barstte en saidin uit hem verdween. Hij krabbelde overeind en been de op haar af. ‘Dit is het toppunt. Zó ondankbaar heb ik je nog nooit meegemaakt.’ Hij wilde haar door elkaar rammelen tot haar tanden zouden klapperen. ‘Voor het geval je het niet gemerkt hebt: ik heb net je leven gered, en als ik een of andere bloedgewoonte van de Aiel heb geschonden, dan geef ik er geen...’

‘De volgende keer mag de grote car’a’carn zijn eigen zaakjes op knappen!’ bekte ze terug. Ze hield de deken onhandig om zich heen en dook met een stijve rug de tent in.

Voor het eerst keek hij om. Een tweede Draghkar lag brandend in een hoopje op de grond. Hij was zo kwaad geweest dat hij het geknisper en geknapper van vuur niet eens had gehoord, niet eens de stank van brandend vlees had geroken. Hij had het kwaad niet eens gevoeld. Een Draghkar doodde door je ziel op te zuigen en daarna je lichaam. Daarvoor moest het wezen dicht bij iemand zijn en hem aanraken, en deze lag nog geen twee stappen van de plek waar hij had gestaan. Hij wist niet of de zingende omhelzing van een Dragh kar werkte bij iemand die met saidin was vervuld, maar hij was blij dat hij het niet had ontdekt.

Hij haalde diep adem en knielde naast de tentflap neer. ‘Aviendha?’ Hij kon niet naar binnen. Er brandde een lamp binnen en misschien was ze naakt en zou ze hem terecht geestelijk in stukjes snijden. ‘Aviendha, het spijt me. Ik bied je mijn verontschuldigingen aan. Dat was een stomme opmerking en ik had moeten vragen waarom je dat deed. Ik had moeten weten dat je me geen kwaad wilde doen en ik... ik... ik ben een dwaas,’ eindigde hij zachtjes.

‘Je weet al heel veel, Rhand Altor,’ klonk het gedempte antwoord. ‘Je bént een dwaas.’

Hoe verontschuldigde een Aiel zich? Hij had het haar nooit gevraagd. Als hij aan ji’e’toh dacht, aan mannen leren zingen en aan hun hu welijksgebruiken, deden ze dat volgens hem ook nooit. ‘Ja, dat ben ik. En het spijt me.’ Ditmaal kwam er geen antwoord. ‘Ben je onder de dekens?’ Stilte.

Zacht mopperend ging hij staan en bewoog zijn tenen in zijn kousen op de ijskoude grond. Tot hij zeker wist dat ze weer behoorlijk gekleed was, zou hij hier moeten blijven, zonder zijn laarzen en jas. Hij greep saidin vast, met smet en al, enkel om in de leegte beschermd te zijn tegen de bottenkrakende kou.

De drie droomloopsters van de Wijzen kwamen natuurlijk aanhollen, met Egwene. Ze keken allemaal naar de brandende Draghkar toen ze eromheen stapten en in bijna dezelfde beweging hun sjaals dichter om zich heen trokken.

‘Maar één,’ zei Amys. ‘Ik dank het Licht, maar het verbaast me.’

‘Het waren er twee,’ zei Rhand tegen haar. ‘Ik... ik heb de andere vernietigd.’ Waarom haperde zijn stem? Alleen omdat Moiraine hem had gewaarschuwd voor lotsvuur? Het was een wapen als elk ander. ‘Als Aviendha deze niet had gedood, zou hij me te pakken hebben gekregen.’

‘We voelden haar geleiden,’ zei Egwene en nam hem van top tot teen op. Eerst meende hij dat ze keek of hij ergens gewond was, maar ze staarde strak naar zijn ongelaarsde voeten en wierp toen een blik op de tent, waar een spleetje lamplicht te zien was. ‘Je hebt haar weer van streek gemaakt, hè? Zij redt je leven en jij... Mannen!’ Hoofd schuddend van afkeer duwde ze zich langs hem heen en dook de tent in. Hij hoorde zacht gemompel, maar kon er niets uit opmaken. Melaine gaf een ruk aan haar sjaal. ‘Als je ons niet nodig hebt, moeten we eens gaan zien wat er beneden op de helling is gebeurd.’ Ze haastte zich weg zonder op de andere twee vrouwen te wachten. Bair lachte kakelend toen zij en Amys haar volgden. ‘Zullen we wedden wie ze het eerst opzoekt? Mijn halsketting van amethist, die je zo mooi vindt, tegen jouw saffieren armband?’

‘Afgesproken. Ik kies Dorindha.’

De Wijze lachte opnieuw kakelend. ‘Haar ogen zijn nog helemaal vol van Bael. Een eerstezuster is een eerstezuster, maar een nieuwe man...’ Toen Rhand hen niet meer kon horen, bukte hij zich naar de spleet in de tent. Hij kon nog steeds niet verstaan wat ze zeiden, alleen als hij zijn oor tegen de spleet drukte en dat wilde hij niet. Aviendha zou zich toch wel aangekleed hebben nu Egwene binnen was? Maar de kans bestond ook dat Egwene met haar Aielmaniertjes nu eveneens haar kleren had uitgetrokken.

Het zachte geluid van muiltjes kondigde de komst van Moiraine en Lan aan. Rhand richtte zich op. Hoewel hij hen allebei hoorde adem halen, maakten de stappen van de zwaardhand amper geluid. Moiraines haren hingen los rond haar gezicht en ze hield een donker, zijden gewaad dicht dat glansde in het maanlicht. Lan was geheel gekleed, droeg zijn laarzen en wapens en had zich in zijn zwaard handmantel gehuld, waardoor hij in de nacht leek op te gaan. Natuurlijk. Het lawaai van de strijd onder aan de heuvels stierf weg. ‘Het verbaast me dat je hier niet eerder bent gekomen, Moiraine.’ Zijn stem klonk kil, maar een koude stem was beter dan een koud lijf. Hij hield saidin vast, bevocht het en de ijzige nachtelijke kilte hield zich op afstand. Hij voelde het wel, voelde ieder haartje onder zijn hemdsmouwen van de kou rechtop staan, maar de kou raakte hem niet. ‘Gewoonlijk zoek je me zo snel mogelijk op als je onheil voelt.’