‘Ik heb nooit alles wat ik doe of juist niet doe uitgelegd.’ Haar stem klonk even koel en geheimzinnig als altijd, maar ondanks het maan licht meende Rhand haar toch te zien blozen. Lan keek verstoord, hoewel je hem lastig kon peilen, ik kan je niet altijd aan het hand je vasthouden. Uiteindelijk zul je op eigen benen moeten staan.’
‘Nou, dat heb ik vannacht gedaan, niet?’ Verlegenheid gleed langs de leegte af – het klonk net alsof hij alles alleen had gedaan – en hij voegde eraan toe: ‘Maar Aviendha zorgde voor die ene die me in de rug aanviel.’ De vlammen van de Draghkar werden al lager. ‘Maar goed dan dat ze hier was,’ zei Moiraine kalm. ‘Je had me niet nodig.’
Ze was niet bang geweest, dat wist hij zeker. Hij had gezien hoe ze zich op Schaduwgebroed stortte, waarbij ze de Kracht even bekwaam stuurde als Lan het zwaard gebruikte. Hij had het zo vaak gezien dat hij niet geloofde dat ze bang was. Dus waarom was ze zojuist met de Draghkars niet gekomen? Zij kon ze voelen, en Lan eveneens. Dat was een van de gaven die een zwaardhand verwierf uit zijn binding met een Aes Sedai. Hij kon het antwoord afdwingen en haar klem zetten tussen de eed die ze had gezworen en haar onvermogen te liegen. Nee, dat kon hij niet. Hij deed het niet. Hij wilde dat iemand die hem probeerde te helpen niet aandoen.
‘Dan weten we nu tenminste waar die aanval in de heuvels om ging,’ zei hij. ‘Om mij in de waan te brengen dat daar iets belangrijks aan de hand was, terwijl de Draghkar naar mij toe sloop. Ze hebben dat ook al in Koudrotsveste geprobeerd, en daar werkte het evenmin.’ Maar ditmaal was het bijna wel gelukt, als dat tenminste de bedoe ling was geweest. ‘Je zou toch denken dat ze iets anders zouden ver zinnen.’ Couladin zat ergens voor hem terwijl de Verzakers overal vandaan leken te komen. Waarom kon hij zijn vijanden niet een voor een aanpakken?
‘Maak niet de fout de Verzakers voor simpel te verslijten,’ zei Moiraine. ‘Dat kan gemakkelijk dodelijk blijken te zijn.’ Ze trok haar gewaad nog wat dichter om zich heen alsof ze wenste dat het dikker zou zijn. ‘Het is al laat. Als je me verder niet meer nodig hebt...’ De Aiel keerden al terug toen zij en de zwaardhand weggingen. Sommigen uitten hun verbazing over de Draghkar en riepen er enkele gai’shain bij om ze weg te slepen, maar de meesten keken slechts even voordat ze hun tent ingingen. Tegenwoordig leken ze bij hem op dit soort dingen te rekenen.
Adelin en de Speervrouwen verschenen. Ze bewogen zich traag in hun zachte laarzen, staarden naar de Draghkar die door witgeklede mannen werden weggesleept en keken elkaar lang aan voor ze Rhand aanspraken.
‘Het was hier rustig,’ zei Adelin langzaam. ‘De hele aanval vond verderop plaats. Duistervrienden en Trolloks.’
‘Ik hoorde ze “Sammael en de Gouden Bijen” roepen!’ voegde een ander eraan toe. Omdat ze nog steeds haar sjoefa om had, kon Rhand niet zien wie het was. Haar stem klonk jong; sommige Speervrouwen waren niet ouder dan zestien.
Adelin haalde diep adem en hield hem met beide handen onbeweeg lijk een speer voor. De anderen deden hetzelfde. ‘Wij... ik heb gefaald,’ zei Adelin. ‘We hadden bij de komst van de Draghkar hier moeten zijn. Maar wij liepen als kinderen weg om de speren te laten dansen.’
‘Wat moet ik hiermee?’ vroeg Rhand en Adelin gaf zonder aarzelen antwoord.
‘Wat u maar verlangt, car’a’carn. Wij staan gereed en zullen ons niet verzetten.’
Rhand schudde zijn hoofd. Die vervloekte Aiel met hun vervloekte ji’e’toh. ‘Pak je speren en ga mijn tent weer bewaken. Nou? Voor uit!’ Ze keken elkaar aan voordat ze met evenveel tegenzin gehoor zaamden als waarmee ze na de slag naar hem toe waren gekomen. ‘En laat een van jullie tegen Aviendha zeggen dat ik naar binnen ga als ik terugkom,’ voegde hij eraan toe. Hij bleef zich niet de hele nacht buiten afvragen wanneer hij met goed fatsoen de tent in kon gaan. Hij beende weg en de rotsgrond voelde hard aan onder zijn voeten.
Asmodeans tent stond niet zo ver weg. Er klonk geen enkel geluid. Hij sloeg de flap opzij en dook naar binnen. Asmodean zat in het donker op zijn lip te bijten. Hij dook in elkaar toen Rhand verscheen en gaf hem niet de kans iets te zeggen.
‘Je verwachtte toch niet dat ik een handje zou helpen, hè? Ik heb de Draghkar gevoeld, maar die kon je best aan, nietwaar? Ik heb het niet zo op Draghkar; we hadden ze nooit moeten maken. Ze hebben nog minder hersens dan een Trollok. Geef ze een opdracht en ze doden nog steeds iedereen die het dichtst bij is. Als ik naar buiten was gegaan, als ik iets had gedaan... Stel je voor dat iemand het had gemerkt? Stel je voor dat iemand had beseft dat niet jij geleidde? Ik...’
‘Maar goed dat je het niet hebt gedaan,’ onderbrak Rhand hem en ging met gekruiste benen tegenover hem zitten. ‘Als ik je vannacht vol saidin buiten had gevoeld, zou ik je misschien hebben gedood.’ De ander lachte trillend. ‘Daar dacht ik ook aan.’
‘Sammael heeft deze aanval bevolen. Die van de Trolloks en Duistervrienden in ieder geval.’
‘Het is niet Sammaels gewoonte zomaar mannen op te offeren,’ zei Asmodean langzaam. ‘Aan de andere kant kunnen tienduizend doden of zelfs nog meer hem niets schelen als hij ermee iets wint wat hem de prijs waard lijkt. Misschien wil een ander jou laten denken dat hij het was. Zelfs als de Aiel gevangenen hadden gemaakt... Trolloks denken eigenlijk alleen aan doden en Duistervrienden geloven alles wat hun gezegd wordt.’
‘Hij was het. Hij probeerde mij op dezelfde manier eens in Serendahar uit te dagen voor een aanval op hem.’
O, Licht! De gedachte dreef over het oppervlak van de leegte. Ik heb ‘mij’ gezegd! Hij wist niet waar Serendahar had gelegen of wat het was geweest, alleen dat hij zomaar dit woord had uitgesproken.
Na lang zwijgen zei Asmodean kalm: ‘Dat heb ik nooit geweten.’
‘Wat ik wil weten, is: waarom?’ Rhand koos zijn woorden met zorg in de hoop dat het zijn eigen woorden waren. Hij herinnerde zich het gezicht van Sammael, herinnerde zich een man. Ik niet! Mijn herinnering is het niet...
Een stevige man met een korte, lichtblonde baard. Asmodean had alle Verzakers beschreven, maar hij wist dat dit beeld niet van Asmodean kwam. Sammael had altijd langer willen zijn en vond het vreselijk dat de Kracht hem niet langer kon maken. Asmodean had hem dat nooit verteld. ‘Uit jouw verhalen maak ik op dat hij het waarschijnlijk niet tegen me op wil nemen, tenzij hij zeker is van de overwinning, en zelfs dan misschien nog niet. Je hebt gezegd dat hij me zo mogelijk liever aan de Duistere wil over laten. Dus waarom is hij er nu wel zeker van, als ik besluit hem uit te dagen?’
Ze bespraken het tot diep in de nacht maar konden het niet eens worden. Asmodean bleef bij zijn mening dat het een van de anderen was geweest, die hoopte dat hij Rhand tegen Sammael kon opzetten en zo minstens een van de twee kwijt zou raken. Dat zei Asmodean tenminste. Rhand voelde de vragende ogen van de Verzaker. Zo’n ernstige verspreking kon hij niet verbloemen.
Toen hij eindelijk naar zijn eigen tent terugkeerde, sprongen Adelin en alle Speervrouwen overeind en vertelden hem bijna tegelijk dat Egwene weg was en Aviendha allang in slaap gevallen en dat ze kwaad op hem was, dat ze beiden kwaad op hem waren. Ze vertelden hem in geuren en kleuren hoe hij een boze vrouw kon aanpakken, alle maal door elkaar heen, zodat hij niets goed kon verstaan. Ten slot te zwegen ze, keken elkaar aan en toen nam Adelin het woord. ‘We moeten over vannacht praten. Over wat wij hebben gedaan en niet hebben gedaan. Wij...’