‘Het was niets,’ maakte hij hun duidelijk, ‘en als het wel iets was, is het vergeven en vergeten. Ik zou ditmaal graag enkele uren willen slapen. Als jullie het willen bespreken, ga dan naar Amys of Bair. Ik weet zeker dat zij beter begrijpen wat jullie willen dan ik.’ Dat bracht hen tot zijn verbazing tot zwijgen, zodat hij de tent in kon gaan. Aviendha lag al onder de dekens, met een slank bloot been erbuiten. Hij probeerde niet naar het been of naar haar te kijken. Ze had een lamp aan gelaten. Hij schoof dankbaar onder zijn eigen dekens en geleidde de lamp uit voor hij saidin losliet. Ditmaal droomde hij dat Aviendha vuur wierp, maar ze richtte het niet op een Draghkar, en Sammael zat naast haar te lachen.
23
‘Vijfden geef ik jullie’
Egwene trok de teugels van Mist aan op een heuveltop met gras en zag de Aiel uit de Jangai-pas omlaag stromen. Haar rok was vanwege het zadel weer tot boven haar knieën opgekropen, maar ze merkte het nauwelijks. Ze kon zich er toch niet elk moment druk om maken? En ze had kousen aan, dus zat ze toch niet met blote benen. In snelle kolonnes draafden de Aiel onder haar door, gegroepeerd naar stam, sibbe en krijgsgenootschap. Duizenden en duizenden, met hun pakpaarden en muildieren, met de gai’shain die voor de kam pementen zouden zorgen terwijl de anderen streden. De massa was wel een span breed, terwijl er zich nog altijd Aiel in de pas bevonden en er ook een hoop waren die reeds uit het zicht verdwenen waren. Zelfs zonder vrouwen en kinderen leek het een volksverhuizing. Het Zijdepad had hier voor een met brede witte stenen geplaveide weg gezorgd, van ruim vijftig pas breed, die recht door de heuvels leidde en gedeeltelijk was afgegraven om hem vlakker te maken. Slechts af en toe was de weg onder de Aielmenigte zichtbaar, hoewel ze liever over het gras leken te hollen; vele tegels van het pad waren aan een hoek opgewipt of in een andere hoek weggedrukt. In geen twintig jaren had deze weg meer te verwerken gekregen dan wat boe renkarren en een enkele wagen van een marskramer. Het was een hele schok weer bomen te zien, echte bomen, hoog op rijzende eiken en lederbladen in heuse bosjes in plaats van de eenzame, door de wind verwrongen, gekromde vormen. Om opnieuw hoog gras te zien dat rimpelde in de bries die over de heuvels streek. In het noorden lag onmiskenbaar een woud en hoog in de hemel dreven ijle wolken, maar toch wolken. De lucht leek gezegend koel en vochtig na de Woestenij, hoewel de bruine bladeren en grote bruine stukken in het gras haar duidelijk maakten dat het hier heter en droger was dan gebruikelijk voor de tijd van het jaar. Desondanks was het Cairhiense landschap een weelderig paradijs vergeleken met dat aan de andere kant van de Drakenmuur.
In het noorden kronkelde een smal riviertje onder een bijna vlakke brug tussen de oevers van een bredere bedding van uitgedroogde klei; de Gaelin lag maar een paar span verder. Ze vroeg zich af wat de Aiel van die rivier zouden vinden; ze had eenmaal eerder een groepje Aiel bij een rivier aangetroffen. De smallere stroom water zorgde voor een duidelijke onderbreking in de gestage mensenstroom. Mannen en vrouwen staarden er vol verbazing naar voor ze eroverheen sprongen.
De karavaan van Kadere roffelde verder over de weg; de lange muil dierspannen werkten hard, maar werden voortdurend ingehaald door Aiel. Het had vier dagen geduurd om de bochtige, kronkelende pas door te komen en Rhand was blijkbaar van plan zo ver in Cairhien door te dringen als het laatste daglicht mogelijk maakte. Moiraine en Lan reden naast de wagens. Niet ervoor, ook niet naast het vier kante, witte wagenhuisje van Kadere, maar naast de tweede wagen, waar de met een zeil afgedekte deurlijst van de ter’angreaal als een bult boven de andere lading uitstak. Een deel ervan was zorgvuldig ingepakt of in kisten en kratten gestopt die Kadere vol met goederen naar de Woestijn had meegenomen; andere voorwerpen waren gewoon op elk geschikt plekje gelegd. Vreemde vormen van metaal en glas, een roodkristallen stoel, twee beeldjes van een naakte man en vrouw ter grootte van een kind, verscheidene staven van bot en ivoor en van een merkwaardige zwarte stof in verschillende lengten en dikten. Allerlei soorten dingen, waaronder enkele die Egwene niet eens kon beschrijven. Moiraine had in alle wagens iedere duim benut.
Egwene had graag willen weten waarom de Aes Sedai zo bezorgd was over die ene wagen. Misschien had niemand anders gemerkt dat Moiraine er meer op lette dan op alle andere wagens samen, maar zij wel. Niet dat ze weldra of in een van de komende dagen te horen zou krijgen waarom die wagen zo belangrijk was. Haar zojuist verworven gelijkheid met Moiraine was een tere band, zoals ze had gemerkt toen ze halverwege de pas die vraag had gesteld, waarna haar te verstaan was gegeven dat haar verbeelding te veel met haar weg liep en dat Moiraine, als Egwene tijd had om een Aes Sedai steeds te begluren, misschien maar beter eens met de Wijzen kon praten om haar bij de lessen wat steviger aan te pakken. Ze had natuurlijk haar diepste verontschuldigingen aangeboden en de verzoenende woorden leken te hebben gewerkt. Amys en de anderen namen haar nachten niet vaker in beslag dan ze al deden.
Een honderdtal Far Dareis Mai van de Taardad draafde aan haar kant van de weg voorbij, soepel en snel, met volle pijlkokers aan de heup en de sluiers omlaag, klaar om voor gebonden te worden. Sommigen hadden een pijl aangelegd aan hun hoornbogen, terwijl anderen hun boog in een hoes op de rug hadden hangen. Speren en schilden zwaaiden regelmatig heen en weer bij het rennen. In hun spoor had een tiental in het wit geklede gai’shain met hun lastdieren de grootste moeite bij te blijven. Een was er in het zwart, niet in het wit: Isendre zwoegde het hardst van allen. Egwene onderscheidde Adelin en twee anderen die Rhands tent in de nacht van de aanval hadden moeten bewaken. Ieder hield behalve haar wapens een pop vast, een grove pop in een lange rok en een wit hemd. Hun gezichten stonden nog harder dan anders en ze probeerden net te doen of ze de pop niet bij zich hadden.
Ze wist niet zeker waar die toe diende. De Speervrouwen van die wacht bij Rhand hadden allen Bair en Amys opgezocht en lang met hen gesproken. De volgende ochtend, toen het kamp al in het grijs van voor de dageraad gehuld was, waren ze die poppen gaan maken. Ze had het natuurlijk niet kunnen vragen, maar ze had wel een opmerking gemaakt tegen Maira, een roodharige Tomanelle van de Seraisibbe. De vrouw vertelde haar dat de pop haar eraan zou her inneren dat ze geen kind was. Aan haar stem was te horen dat ze er verder niet over wilde praten. Een van de Speervrouwen met een pop was pas zestien jaar, maar Maira was minstens even oud als Adelin. Ze herinnerde zich dat Bair haar gedreigd had met een pop toen ze die korte rok moest dragen, maar het ergerde haar dat ze het niet echt begreep. Telkens wanneer Egwene dacht dat ze de zeden van de Aiel begreep, gebeurde er weer iets dat het tegendeel bewees. Ondanks alles gleden haar ogen weer naar de opening van de pas. Daar was nog net een rij staken te zien die zich van de steile berg helling naar een andere steile helling uitstrekte, behalve waar de Aiel er enkelen hadden omgetrokken. Het was een nieuwe boodschap van Couladin. Dwars over hun pad waren mannen en vrouwen op staken gespietst. Ze waren al zeven dagen dood. Rechts van de pas, hoog op de berghelling doemden de hoge grijze muren van Selean op en daarboven was niets te zien. Moiraine had verteld dat de stad slechts een schaduw was van zijn vroegere faam, maar hij moest toch behoorlijk groot zijn geweest, veel groter dan Taien. Nu was er echter niets meer van over. Er waren ook geen overlevenden – behalve de mensen die de Shaido hadden meegevoerd – hoewel enkelen miscchien naar een hopelijk veilige plek waren gevlucht. Er hadden boer derijen op deze hellingen gestaan. Het grootste deel van de oostelijke gewesten van Cairhien was na de Aiel-oorlog verlaten, maar een stad had boerderijen nodig voor voedsel. Nu staken beroete schoor stenen uit roetzwarte stenen boerderij muren. Soms hingen er nog enkele verkoolde dakbalken boven een stenen schuur, maar meestal waren stallen en boerderij door de hitte in elkaar gestort. Het veld waar zij nu op Mist doorheen reed, was een schapenwei geweest. Bij het hek onder aan de heuvel zoemden nog vliegen rond boven de resten van een slachtpartij. Er stond geen enkel dier meer in de wei en geen enkele kip scharrelde op het boerenerf rond. De akkers toonden slechts dorre stoppels.