Выбрать главу

Couladin en de Shaido waren Aiel. Maar dat was Aviendha ook, en Bair, Amys, Melaine en Rhuarc, die zei dat ze hem aan zijn dochter herinnerde. Ze hadden gewalgd van de lijkstaken, maar ook zij meenden dat de boomdoders niet beter verdienden. Misschien moest je als Aiel geboren zijn om ze echt te kunnen begrijpen. Terwijl ze een laatste blik op de verwoeste stad wierp, reed ze langzaam omlaag naar de ruwe ommuring en ging door de poort naar buiten, waarna ze uit gewoonte de reep leer weer vastbond om het hek te sluiten. De nare ironie was dat Selean volgens Moiraine miscchien best de kant van Couladin had willen kiezen in de veranderlijke stromingen van Daes Dae’mar, het Spel der Huizen, om het even wicht te behouden tussen de Aiel en een man die Tyreners naar Cairhien had gestuurd, om welke reden hij dat ook had gedaan. De beslissing had naar beide kanten kunnen uitvallen als Couladin hun de keus had gegund.

Ze reed verder over de brede straatweg tot ze Rhand had ingehaald, vandaag gekleed in zijn rode jas, en voegde zich bij Aviendha, Amys en een dertigtal Wijzen die ze amper kende, behalve de twee droom loopsters die Rhand op korte afstand volgden. Achter hem reden Mart met zijn hoed en speer met zwarte schacht, en Jasin Natael, met de harp in een leren hoes op de rug en de vuurrode banier die rimpelde in de wind. Aan beide kanten werden ze ingehaald door haastige Aiel. Rhand liep en voerde zijn appelschimmel aan de hand mee, terwijl hij met de stamhoofden sprak. Met of zonder rok zouden de Wijzen de voorbij snellende rijen met gemak hebben bijgehouden, als ze niet als hars aan Rhand zaten vastgekleefd. Ze keken Egwene amper aan; hun aandacht was volledig op hem en de zes stamhoofden gericht.

‘... en aan wie er na Timolan ook doorkomt,’ zei Rhand vastberaden, ‘moet hetzelfde worden gezegd.’ Steenhonden die bij Taien de wacht moesten houden, hadden doorgegeven dat de Miagoma een dag later de pas was in getrokken, ik ben hier om te voorkomen dat Couladin dit land verwoest, niet om het te plunderen.’

‘Dat zal hard overkomen,’ zei Bael. ‘Ook bij ons, als je bedoelt dat we niet een vijfde kunnen nemen.’ Han en de anderen, zelfs Rhuarc, knikten instemmend.

‘Vijfden geef ik jullie.’ Rhand sprak niet luider, maar opeens leken zijn woorden mokerslagen. ‘Maar niets daarvan is voedsel. We zullen eten wat we in het wild vinden, waarop we hebben gejaagd of wat we hebben gekocht – als er nog voedsel te koop is – totdat ik de Tyreners meer uit Tyr kan laten aanvoeren. Als een man ook maar een penner meer neemt dan een vijfde, of een brood zonder betaling, als hij een hut in brand steekt omdat die van een boomdoder is, of een man doodt die hem niet probeert te doden, zal ik die man hangen, wie het ook mag zijn.’

‘Duister om dit aan de stammen te vertellen,’ zei Dhearic bijna even bikkelhard, ik ben gekomen om Hij die komt met de dageraad te volgen, niet om eedbrekers in de watten te leggen.’ Bael en Jheran deden hun mond open alsof ze het wilden beamen, maar klemden na een wederzijdse blik hun tanden weer op elkaar. ‘Hoor mijn woorden, Dhearic,’ zei Rhand. ‘Ik ben gekomen om dit land te redden, niet om het dieper in de ellende te storten. Wat ik zeg, geldt voor iedere stam, ook voor de Miagoma en elke andere stam die volgt. Elke stam. Hoor mijn woorden.’ Ditmaal zei niemand iets. Hij zwaaide zich weer in Jeade’ens zadel en liet de hengst tussen de stamhoofden verder stappen. Die Aielgezichten verrieden niets. Egwene haalde diep adem. Alle stamhoofden waren oud genoeg om zijn vader te kunnen zijn, zelfs ouder, leiders van hun volk, een soort koningen, hoezeer ze het ook ontkenden, en geharde leiders in de strijd. Gisteren nog was hij in velerlei opzichten een jongen geweest, een jongeman die vroeg en hoopte; niet iemand die bevelen gaf en op gehoorzaamheid rekende. Hij veranderde sneller dan ze eigenlijk bij kon houden. Het was goed dat hij deze mannen ervan weerhield andere steden aan te doen wat Couladin met Taien en Selean had gedaan. Ze bleef het zichzelf voortdurend voorhouden. Ze wilde alleen graag dat hij dat deed zonder die hoogmoed, die met de dag groei de. Wanneer verwachtte hij dat zij hem net als Moiraine zou gehoorzamen? Of alle Aes Sedai? Ze hoopte dat het slechts opschepperij was.

Ze wilde praten, schopte een stijgbeugel los en stak een hand uit naar Aviendha, maar de Aielse schudde haar hoofd. Ze zat niet graag op een paard. Misschien kwam het ook door die grote groep Wijzen, dat ze aarzelde. Sommigen van hen zouden nog niet op een paard klimmen als ze beide benen hadden gebroken. Met een zucht stap te Egwene af, leidde Mist aan de teugels verder en verschikte wat mopperig haar rok. De zachte kniehoge Aiellaarzen zagen er aangenaam uit, en dat waren ze ook, maar niet als je lang op de harde, hobbelige straatweg liep. ‘Hij heerst,’ zei ze.

Aviendha liet amper haar ogen van Rhands rug afdwalen. ‘Ik ken hem niet. Ik kan hem niet kennen. Moet je dat ding zien dat hij draagt.’

Ze bedoelde natuurlijk het zwaard. Rhand droeg het eigenlijk niet. Het hing aan de zadelknop in een eenvoudige schede van bruin berenleer; het lange gevest, dat tot aan zijn middel reikte, was van het zelfde leer. Hij had ze tijdens hun tocht door de pas door een Taiener laten maken. Egwene vroeg zich af om welke reden, want hij kon een zwaard van vuur geleiden en andere dingen doen waarbij dat wapen wel kinderspeelgoed leek. ‘Jij hebt het hem gegeven, Aviendha.’ Haar vriendin keek boos. ‘Hij wil dat ik het gevest aanneem. Hij heeft het gebruikt. Het is van hem. Hij heeft het in mijn aanwezigheid gebruikt, alsof hij met dat zwaard in zijn handen de spot met me wilde drijven.’

‘Je bent niet boos vanwege het zwaard.’ Ze dacht niet dat Aviendha dat was, want de Aielse had er die avond in Rhands tent met geen woord over gerept. ‘Je bent nog steeds van streek over wat hij zei en dat begrijp ik. Ik weet dat het hem spijt. Hij praat soms onnadenkend, maar als je hem de kans wilt geven zijn verontschuldigingen aan te bieden...’

‘Die hoef ik niet,’ mopperde Aviendha. ‘Ik wil niet dat... Ik kan er niet meer tegen. Ik kan niet langer in zijn tent slapen.’ Opeens greep ze Egwene bij de arm en als die haar niet beter had gekend, zou ze hebben gedacht dat de Aielse op het punt stond in tranen uit te bar sten. ‘Je moet voor mij met ze gaan praten. Met Amys, Bair en Melaine. Naar jou zullen ze luisteren. Jij bent een Aes Sedai. Ze moeten me toestaan naar hun tenten terug te keren. Ze moeten het goedvinden!’

‘Wie moet wat doen?’ zei Sorilea, die zich losmaakte van de anderen om naast hen verder te lopen. De Wijze van Shendeveste had dun wit haar, een gezicht van leer dat strak over haar schedel spande en felle groene ogen die een paard op tien pas afstand dood konden doen neervallen. Op die manier keek ze meestal. Als Sorilea boos was, hielden de andere Wijzen zich stil en namen stamhoofden beleefd afscheid.

Melaine en een andere Wijze, een grijsharige Nakai van de Zwart watersibbe, wilden ook met hen meelopen, tot Sorilea beide vrouwen aankeek. ‘Als je niet voortdurend over je nieuwe man liep te dromen, Melaine, zou je weten dat Amys met je wil praten. Ook met jou, Aerin.’ Melaine kreeg een kop als vuur en voegde zich haastig weer bij de anderen, maar de oudere vrouw was haar voor. Sorilea zag het aan en richtte toen al haar aandacht op Aviendha. ‘Zo, nu kunnen we even rustig praten. Dus jij wilt iets niet doen. Iets wat jou natuurlijk is opgedragen. En jij denkt dat dit Aes Sedai-kind ervoor kan zorgen dat je eronderuit komt.’

‘Sorilea, ik...’ Aviendha kreeg geen enkele kans. ‘In mijn tijd sprongen meisjes op wanneer een Wijze zei dat ze moesten springen, en bleven ze springen tot ze hoorden dat ze mochten stoppen. Aangezien ik nog in leven ben, is het nog steeds mijn tijd. Moet ik me nader verklaren?’