Toen ze de stamppot op had, strekte ze zich uit bij een prachtig bewerkte zilveren lamp met een glimmende zilveren schijf erachter om het licht te weerspiegelen en te versterken. Ze had zich ooit een tik keltje schuldig gevoeld toen het tot haar was doorgedrongen dat de meeste Aiel, afgezien van hun kampvuur ’s nachts, helemaal geen licht hadden. Behalve de Wijzen en de hoofden van de stammen en de sibben hadden er maar weinigen olie of lampen meegenomen. Maar het had geen zin om in het flauwe licht van het tentvuur te zitten wanneer ze goed licht kon hebben. Dat herinnerde haar er op eens aan: hier zouden de nachten niet zo’n schrille tegenstelling vormen met de dagen als in de Woestenij. Het werd al onbehaaglijk warm in de tent.
Ze geleidde heel even stromen Lucht om het vuur te doven en zocht in haar zadeltas naar het versleten, in leer gebonden boek dat ze van Aviendha had geleend. Het was een klein dik boekje, gemakkelijk om mee te nemen, met dicht opeengeplaatste regels van minieme lettertjes, die ze alleen bij goed licht kon lezen. De vlam, de kling en het hart was een bundel verhalen over Birgitte en Gaidal Cain, Anselan en Barashelle, Rogosh Adelaarsoog en Dunsinin, en nog een tiental anderen. Aviendha beweerde dat ze het mooi vond vanwege de avonturen en veldslagen, en misschien was dat wel zo, maar elk verhaal ging ook over de liefde tussen een man en een vrouw. Egwene wilde best toegeven dat ze van de soms stormachtige, soms te redraden van onsterfelijke liefde hield. Voor zichzelf althans. Het was amper het soort ontspanning dat een vrouw die aanspraak maak te op gezond verstand, in het openbaar kon toegeven. Eigenlijk had ze even weinig zin in lezen als in eten – ze wilde het liefst in bad gaan en slapen en dan mocht het bad vanavond nog achterwege blijven – maar zij en Amys zouden vannacht Nynaeve in Tel’aran’rhiod spreken. Nynaeve was waarschijnlijk ergens op weg naar Geldan, en omdat daar de nacht nog niet was gevallen moest ze wakker blijven.
Bij hun laatste ontmoeting had Elayne heel opgewonden over het beestenspul verteld, hoewel Egwene Galads aanwezigheid voldoen de reden vond om hard weg te hollen. Nynaeve en Elayne waren volgens haar veel te dol geworden op avonturen. Het was erg jammer van Siuan. Ze moesten rustig blijven en hadden een stevige hand nodig. Vreemd dat ze op die manier over Nynaeve dacht; vroeger was het altijd de Wijsheid geweest die alles met ferme hand aanpakte. Maar na dat voorval in de Toren van Tel’aran’rhiod was Nynaeve steeds minder iemand geworden tegen wie ze zich diende te verzet ten.
Berouwvol besefte ze bij het omslaan van een bladzijde dat ze naar haar ontmoeting met Nynaeve uitzag. Niet omdat Nynaeve een vriendin was, maar omdat ze wilde zien of haar opmerkingen nog steeds hun uitwerking hadden. Als Nynaeve aan haar vlecht trok, zou ze koeltjes een wenkbrauw hoog optrekken en... Licht, ik hoop dat het standhoudt. Als ze zich iets laat ontvallen over dat uitstap je, zullen Amys, Bair en Melaine me om beurten villen, als ze me al niet weg zullen sturen. Haar ogen wilden tijdens het lezen voortdurend dichtvallen; half dromend doezelde ze bij de verhalen weg. Ze kon even sterk zijn als elke vrouw in dit boek, even streng als Dunsinin, Nerein, Melisinde of zelfs Birgitte, even sterk als Aviendha. Zou Nynaeve écht zo ver standig zijn om haar mond te houden als ze bij Amys was vannacht? Ze had nog vaag het idee om Nynaeve bij haar nekvel vast te grijpen en haar door elkaar te schudden. Dwaas. Nynaeve was jaren ouder dan zij. Trek je wenkbrauw hoog op. Dunsinin. Birgitte. Even hard en sterk als een Speervrouwe.
Haar hoofd zakte op het boek en ze probeerde het onder haar wang te koesteren toen haar ademhaling steeds langzamer en dieper werd.
Ze schrok op toen ze opeens tussen de hoge roodstenen zuilen in het Hart van de Steen stond, in het vreemde licht van Tel’aran’rhiod. Ze schrok wederom bij het besef dat ze de cadin’sor droeg. Amys zou het niet prettig vinden haar daarin te zien, helemaal niet prettig. Haas tig veranderde ze haar kleren en zag verbaasd hoe die heen en weer flikkerden van het algoedhemd en de ruime wollen rok tot een mooi gewaad van blauwe brokaatzijde, voor het eindelijk Aielkledij werd, aangevuld met haar armband van ivoren vlammen en de gouden en ivoren halsketting. Die besluiteloosheid had ze al enige tijd niet meer gekend.
Heel even overwoog ze uit de Wereld der Dromen te stappen, maar ze vermoedde dat ze diep in slaap was in haar eigen tent. Heel waar schijnlijk zou ze alleen maar in haar eigen droom stappen en tot nog toe had ze niet altijd bewustzijn in haar dromen gehad; zonder dat kon ze niet terug naar Tel’aran’rhiod. Ze was niet van plan Amys en Nynaeve alleen te laten. Nynaeve kon er wel van alles uitflappen als Amys haar wist te prikkelen. Wanneer de Wijze kwam, zou ze alleen zeggen dat ze zelf hier ook nog maar kort was. De Wijzen waren al tijd net voor haar hier aangekomen, maar Amys zou het toch wel geloven als ze zei dat ze hier nog maar kort was en dan maakte het niet uit.
Ze was er al bijna aan gewend geraakt die onzichtbare ogen in deze enorme ruimte te voelen. In haar eentje tussen de pilaren en de scha duwen in die lege ruimte. Ze hoopte dat Amys en Nynaeve snel zouden komen. Dat zou toch wel? De tijd kon in Tel’aran’rhiod even vreemd zijn als in een droom, maar het kon wel even duren voor de afgesproken ontmoeting zou plaatsvinden. Misschien had ze nog tijd om...
Opeens drong het tot haar door dat ze stemmen hoorde, een zwak gefluister tussen de zuilen. Ze omhelsde saidar en sloop voorzichtig op het geluid af dat van de plek vandaan leek te komen waar Rhand Callandor onder de grote koepel had achtergelaten. De Wijzen beweerden dat de beheersing van Tel’aran’rhiod het kon opnemen tegen de Ene Kracht, maar ze had meer vertrouwen in haar vaardig heden met de Kracht. Goed achter de dikke stenen pilaren verborgen bleef ze staan kijken.
Het waren niet twee Zwarte zusters, zoals ze had gevreesd, en ook niet Nynaeve. Elayne stond dicht bij de glinsterende schacht van Callandor, die uit de vloerstenen omhoogstak, en ging volkomen op in een zacht gesprek met een vrouw in de vreemdste kleren die Egwene ooit had gezien. Ze droeg een korte witte jas, heel merkwaardig gesneden, en een brede gele broek die rond haar enkels was samen geplooid boven lage laarzen met hoge hakken. Een ingewikkelde vlecht goudgeel haar hing tot laag op haar rug en ze hield een boog vast die glinsterde als glanzend zilver. Ook de pijlen in de koker glommen.
Egwene kneep haar ogen dicht. Eerst die moeilijkheden met haar kleren en nu dit weer. Enkel het feit dat ze over Birgitte had gelezen die zilveren boog maakte het wel duidelijk – was geen reden om zich te verbeelden wat ze nu zag. Birgitte wachtte – ergens – op het schallen van de Hoorn van Valere, wanneer zij en de andere helden voor de Laatste Slag werden opgeroepen. Maar toen Egwene haar ogen weer opendeed, stonden Elayne en die vreemd geklede vrouw er nog steeds. Ze kon niet helemaal horen wat ze zeiden, maar ditmaal geloofde ze wat ze zag. Ze stond op het punt naar voren te stappen en zichzelf aan te kondigen toen ze achter zich een stem hoorde.
‘Heb je besloten om vroeg te gaan? In je eentje?’ Egwene tolde rond en keek Amys recht in het gezicht. Haar gebruinde gelaat was te jong voor haar witte haren. Naast haar stond Bair met haar getaande huid. Beiden hadden hun armen over elkaar. Zelfs uit hun strak getrokken sjaal bleek hun ongenoegen. ‘Ik ben in slaap gevallen,’ zei Egwene. Ze kon niets verzinnen wat haar vroege komst goedpraatte. Toen ze haastig uitlegde dat ze was weggedoezeld en waarom ze niet terug was gegaan – daarbij ver zwijgend dat ze niet wilde dat Nynaeve en Bair elkaar alleen ontmoetten – merkte ze verrast en een tikkeltje beschaamd dat ze had willen liegen en was ze opgelucht dat ze dat niet had gedaan. Niet dat de waarheid haar als vanzelfsprekend zou redden. Amys was niet zo streng als Bair, niet even streng – maar ze was heel goed in staat haar die nacht aan het werk te zetten en rotsstenen te laten opstapelen. Veel Wijzen geloofden sterk in nutteloze werkjes bij wijze van straf. Het met een klein lepeltje as in de grond begraven kon je moei lijk anders zien als straf. Ze konden natuurlijk ook weigeren haar nog langer les te geven. Dan had ze toch liever de asresten. Ze kon een zucht van opluchting niet onderdrukken toen Amys knik te en zei: ‘Dat kan gebeuren. Maar ga de volgende keer terug en droom je eigen dromen. Ik had ook in mijn eentje kunnen luisteren naar wat Nynaeve te zeggen heeft en haar kunnen vertellen wat wij weten. Als Melaine vannacht niet bij Bael en Dorindha was, zou ze hier zijn geweest. Je hebt Bair bang gemaakt. Ze is trots op je vorderingen en als jou iets zou overkomen...’