Bair keek helemaal niet trots, juist grimmiger toen Amys even zweeg. ‘Je boft dat Cowinde je heeft gevonden toen ze je eten kwam opruimen en bezorgd werd toen ze je niet wakker kon krijgen om onder de dekens te gaan liggen. Als ik gedacht had dat je veel langer alleen was geweest...’ De woeste blik verscherpte zich even tot een waar schuwing, waarna ze knorrig verder sprak, ik veronderstel dat we nu op Nynaeve zullen wachten, enkel om je gesmeek te voorkomen dat je niet teruggestuurd wordt. Als het moet dan moet het, maar we zullen die tijd nuttig gebruiken. Richt elke gedachte op...’
‘Nynaeve is er niet,’ zei Egwene snel. Ze wilde niet weten wat voor les Bair in deze bui zou geven. ‘Het is Elayne en...’ De woorden ver stierven toen ze zich omdraaide. Elayne ijsbeerde in een prachtig groenzijden gewaad, geschikt voor een bal in het paleis, niet ver van Callandor heen en weer. Birgitte viel nergens te bespeuren. Ik heb het me niét verbeeld.
‘Is ze er al?’ zei Amys en stapte opzij om ook te kijken.
‘Nog zo’n jonge dwaas,’ mopperde Bair. ‘Die meisjes van vandaag hebben even weinig hersens en discipline als geiten.’ Ze drong zich langs Egwene en Amys en plantte zich tegenover Elayne aan de andere kant van de glinsterende Callandor, met de vuisten op haar heup. ‘Je bent niet mijn leerlinge, Elayne van Andor, hoewel je ons wel zo veel ontfutseld hebt dat je, als je oppast, jezelf hier niet meer zult doden. Als je dat wel zou zijn, zou ik je van je tenen tot je kruin een pak slaag geven en je naar je moeder terugsturen tot je oud genoeg bent om niet meer aan haar rok te hangen. En dat, neem ik momenteel aan, zal evenveel jaren vergen als je reeds geleefd hebt. Ik weet dat jij alleen naar de Wereld der Dromen bent gekomen. Jij en Nynaeve. Jullie zijn ontzettend dwaas om zoiets te doen.’ Elayne was geschrokken toen ze opeens verscheen, maar terwijl Bairs toespraak over haar heen spoelde, rechtte ze zich, met geheven kin, koel en vastbesloten. Haar gewaad werd rood en nog glanzender en er kronkelde borduurwerk over de mouwen en het hoog gesloten lijf je in de vorm van opstaande leeuwen van witte en gouden lelies, haar eigen wapen. Een smalle gouden diadeem rustte op haar roodgouden krullen, boven haar wenkbrauwen stond een opstaande leeuw van maandruppels. Ze beheerste dit soort dingen nog niet al te best. Maar misschien droeg ze wel precies datgene wat ze op dit moment wenste, ik dank u voor uw bezorgdheid,’ zei ze koninklijk. ‘En de waarheid is dat ik inderdaad uw leerlinge niet ben, Bair van de Hai do Shaarad. Ik ben u dankbaar voor alle aanwijzingen, maar ik dien mijn eigen weg te gaan en de taken uit te voeren die mij door de Amyrlin Zetel zijn opgedragen.’
‘Een dode vrouw,’ zei Bair koud. ‘Je beroept je op gehoorzaamheid aan een dode vrouw.’ Egwene voelde hoe de haren van Bair bijna rechtop stonden van boosheid. Als ze niets deed, zou Bair kunnen besluiten Elayne een pijnlijk lesje te leren, en het laatste dat ze nu nodig hadden, was zo’n botsing.
‘Wat... waarom ben jij hier en niet Nynaeve?’ Ze had bijna gevraagd wat Elayne hier deed, maar ze zou Bair daarmee een kapstok heb ben gegeven en het zou misschien hebben geklonken alsof zij de kant van de Wijzen had gekozen. Ze had graag willen weten waar Elayne met Birgitte over had gesproken.
Ik heb het me niet verbeeld. Misschien was het iemand geweest die droomde dat ze Birgitte was. Maar alleen mensen die bewust Tel’aran’rhiod betraden, konden er langer blijven en dan zou Elayne zeker niet met hen praten. Waar wachtten Birgitte en de anderen alles af?
‘Nynaeve houdt zich slechts bezig met haar zere hoofd.’ De diadeem verdween en Elaynes kleding werd eenvoudiger, met slechts enkele gouden krullen op het lijfje.
‘Is ze ziek?’ vroeg Egwene bezorgd.
‘Alleen hoofdpijn en een paar blauwe plekken.’ Elayne giechelde en kromp tegelijk ineen. ‘O, Egwene, je zult het haast niet geloven. Alle vier de Chavana’s waren bij ons komen eten. Eigenlijk om wat naar Nynaeve te lonken. Ze probeerden de eerste dagen met mij aan te pappen, maar nadat Thom met ze had gepraat hielden ze ermee op. Hij had geen enkel recht dat te doen. Niet dat ik dat gelonk wil de, begrijp me goed. In ieder geval, daar zaten ze, alsmaar flirtend met Nynaeve – of ze probeerden dat; ze gaf hun net zoveel aandacht als bromvliegen – tot Latelle naar binnen beende en al scheldend en kijvend Nynaeve met een stok begon te bewerken.’
‘Was ze gewond?’ Egwene wist niet zeker wie ze bedoelde. Als Nynaeve écht kwaad werd...
‘Zij niet. De Chavana’s probeerden haar van Latelle weg te trekken en Taeric zal waarschijnlijk nog wel enkele dagen hinken, om over die dikke lip van Brugh maar te zwijgen. Petra moest Latelle naar haar wagen terugdragen en ze zal behoorlijk lang haar neus niet meer naar buiten steken.’ Elayne schudde haar hoofd. ‘Luca wist niet wie hij de schuld moest geven – een van zijn tuimelaars lam en zijn berenleidster grienend op haar bed – dus gaf hij iedereen de schuld. Ik dacht bijna dat Nynaeve hem ook de huid vol ging schelden. Ge lukkig geleidde ze niet. Ik meende het haar bijna twee- of driemaal te zien doen, tot ze Latelle plat op de grond had.’ Amys en Bair keken elkaar nietszeggend aan. Zoiets hadden ze van een Aes Sedai zeker niet gedacht.
Egwene voelde zich wat verward, maar dat was voornamelijk te wijten aan het herkennen van de namen die ze nog maar kortgeleden voor het eerst had gehoord. Vreemde mensen, die met leeuwen, honden en beren rondtrokken. En een Vuurwerker. Ze geloofde niet dat die Petra zo sterk kon zijn als Elayne beweerde. Maar ja, Thom trad ook op als vuurvreter en goochelaar, en wat Elayne en Juilin deden, klonk al even vreemd, ook al gebruikte zij de Kracht erbij. Als Nynaeve de Kracht bijna had gebruikt... Elayne moest de om hullende gloed hebben gezien toen ze saidar omhelsde. Of ze nu een goede reden hadden om zich schuil te houden of niet, ze zouden niet lang verborgen blijven als een van beiden geleidde en mensen dat zouden merken. De ogen-en-oren van de Toren zouden het zeker op vangen. Dat soort nieuws verspreidde zich snel, zeker als ze nog in Amadicia verbleven.
‘Je kunt namens mij tegen Nynaeve zeggen dat ze zich maar beter kan beheersen, anders zal ik haar iets vertellen wat ze niet leuk zal vinden.’ Elayne keek geschokt – Nynaeve had haar zeker niet verteld wat er tussen hen was voorgevallen – en Egwene voegde eraan toe: ‘Als ze geleidt, kan ze er zeker van zijn dat Elaida ervan zal horen zodra een postduif naar Tar Valon vliegt.’ Meer kon ze niet zeggen, maar opnieuw keken Bair en Amys elkaar aan. Ze hadden nooit laten merken wat ze echt vonden van het feit dat de Toren verdeeld was en van een Amyrlin die, voor zover zij wisten, het bevel had gegeven om twee Aes Sedai te verdoven. Als ze wilden, konden ze Moiraine afschilderen als een kwebbeltante. ‘Feitelijk had ik dat jullie beiden graag apart gezegd. Als we in de Toren in onze oude kamers waren geweest, zou ik jullie nog wel iets hebben mee te delen.’ Elayne verstijfde, even koninklijk en kil als toen ze Bair had geantwoord. ‘Je kunt het me zeggen, wanneer je maar wilt.’ Had ze het begrepen? Alleen, zonder de Wijzen. In de Toren. Egwene kon slechts hopen. Ze kon maar beter van onderwerp veranderen en bidden dat de Wijzen haar woorden niet zo nauwkeurig over dachten als ze wenste dat Elayne zou doen. ‘Zal dat gevecht met Latelle nog moeilijkheden geven?’ Wat had Nynaeve zich in haar hoofd gehaald? In Tweewater zou ze elke vrouw van haar leeftijd die het zelfde zou hebben gedaan, zo snel naar de vrouwenkring hebben gesleept dat haar ogen eruit zouden vallen. ‘Jullie zullen wel bijna in Geldan zijn.’