Выбрать главу

‘Nog drie dagen volgens Luca, als we geluk hebben. Het beestenspul reist niet zo snel.’

‘Dan zou je ze misschien achter moeten laten.’

‘Misschien,’ zei Elayne langzaam, ik zou heel graag een keer op het hoge koord willen dansen als er...’ Hoofdschuddend wierp ze een blik op Callandor; de halslijn van haar lijfje zakte vervaarlijk en steeg weer. ‘Ik weet het niet, Egwene. Maar we zouden niet zoveel sneller reizen dan nu en we weten nog niet precies waar we eigenlijk heen moeten.’ Dat betekende dat Nynaeve zich niet herinnerde waar de Blauwe Ajah zich verzamelde. Als Elaida’s verslag tenminste juist was. ‘En dan heb ik het maar niet over het feit dat Nynaeve zou ontploffen als we de wagen achter moesten laten en nieuwe rijpaarden of een andere wagen moesten kopen. Bovendien steken we beiden een heleboel op over de Seanchanen. Cerandin was s’reditkoopman voor het Hof van de Negen Manen, waar de Seanchaanse keizerin zetelt. Gisteren heeft ze ons dingen uit Falme laten zien die ze bij haar vlucht heeft meegenomen. Egwene, ze had een a’dam.’ Egwene deed een stap naar voren, waarbij haar rok langs Callandor streek. Rhands valstrikken waren niet lichamelijk, wat Nynaeve ook vermoedde. ‘Weet je heel zeker dat ze geen sul’dam is?’ Haar stem trilde van boosheid.

‘Ik weet het zeker,’ zei Elayne kalmerend, ik heb haar zelf de a’dam omgedaan en het had geen enkel gevolg.’

Dat was een geheim waarvan de Seanchanen zich niet eens bewust waren, of dat ze heel goed verborgen hielden. Hun damane waren vrouwen die met de vonk waren geboren, vrouwen die later zouden geleiden, zelfs als het hun niet werd geleerd. Maar de sul’dam die de damane beheersten... dat waren de vrouwen die het aangeleerd kon worden. De Seanchanen dachten dat geleidsters gevaarlijke dieren waren die beteugeld moesten worden, maar stelden zonder het te weten vele sul’dam op hoge posten aan.

‘Ik begrijp die belangstelling voor de Seanchanen niet.’ Amys sprak de naam onwennig uit; ze had hem voor het eerst gehoord van Elayne, bij hun vorige ontmoeting. ‘Wat ze doen is verschrikkelijk, maar ze zijn weg. Rhand Altor heeft hen verslagen en ze zijn weg.’ Egwene draaide zich om en staarde naar de enorme glimmende pi laren die in de hoge schaduwen verdwenen. ‘Weg wil nog niet zeggen dat ze nooit terug zullen komen.’ Ze mochten haar gezicht niet zien, zelfs Elayne niet. ‘We moeten al het mogelijke van hen te weten zien te komen voor het geval ze ooit terugkeren.’ Ze hadden haar in Falme een a’dam omgedaan en over de Arythische Oceaan naar Seanchan willen sturen om haar voor de rest van haar leven als een hond aan de lijn te leggen. Woede raasde door haar heen wanneer ze eraan dacht. En vrees. De vrees dat het hun bij terugkeer wel zou lukken haar te vangen en vast te houden. Juist die angst wilde ze niet aan de anderen laten merken. Ze mochten die felle doodsangst in haar ogen niet zien.

Elayne legde haar hand op haar arm. ‘Als ze terugkomen, zullen we er klaar voor zijn,’ zei ze warm. ‘Ze zullen ons geen tweede keer ver rassen.’ Egwene gaf Elayne een klopje op de hand, hoewel ze zich liever aan haar wilde vastklampen. De erfdochter begreep meer dan Egwene lief was, maar het troostte haar wel.

‘Laten we afmaken waarvoor we hier gekomen zijn,’ zei Bair bruusk. ‘Feitelijk moet je in bed liggen, Egwene.’

‘We hebben je door de gai’shain laten uitkleden en toedekken.’ Tot haar verrassing klonk Amys’ stem even warm als die van Elayne. ‘Wanneer je in je lichaam terugkeert, kun je de hele nacht doorslapen.’

Egwenes wangen werden rood. Als ze aan de manieren van de Aiel dacht, was de kans groot dat de gai’shain mannen waren geweest. Ze zou het met de Wijzen moeten bespreken. Heel omzichtig natuurlijk, want ze zouden het niet begrijpen en het was niet iets wat ze ongedwongen kon uitleggen.

Haar angst was verdwenen, besefte ze. Blijkbaar ben ik banger om in verlegenheid te worden gebracht dan voor de Seanchanen.

Her was niet waar, maar ze klampte zich aan die gedachte vast. Ze konden Elayne maar weinig vertellen. Dat ze eindelijk in Cairhien waren aangekomen, dat Couladin Selean had platgebrand en de omringende streek had verwoest, en dat de Shaido nog enkele dagen op hen voorlagen en naar het westen trokken. De Wijzen wisten meer dan zij. Die waren niet meteen naar hun tent gegaan. Er waren ’s avonds enkele onbelangrijke schermutselingen geweest met ruiters die snel op de vlucht sloegen. Andere mannen waren komen aanrijden en er zonder enige strijd vandoor gegaan. Er waren geen gevan genen gemaakt. Moiraine en Lan veronderstelden dat de ruiters rovers waren geweest of aanhangers van een van de Huizen die aanspraak maakten op de Zonnetroon. Ze waren allemaal in lompen gekleed. Wie het ook waren, het bericht dat er zich in Cairhien nog meer Aiel bevonden, zou zich weldra verspreiden. ‘Ze zouden het vroeg of laat toch hebben gehoord,’ merkte Elayne slechts op.

Egwene keek naar Elayne toen zij en de Wijzen vervaagden – op Egwene maakte het de indruk dat de erfdochter en het Hart van de Steen steeds kleiner werden – maar haar goudblonde vriendin gaf geen enkel teken waaruit bleek dat ze de boodschap had begrepen.

25

Dromen van Galad

Egwene keerde niet naar haar eigen lichaam terug, maar bleef in de duisternis rondzweven. Ze leek zelf duisternis, lichaamsloos. Of haar lichaam naar boven of naar onder lag gekeerd, of opzij gedraaid, wist ze niet – hier bestond geen richting – maar ze wist dat het dicht bij was, dat ze er gemakkelijk in kon stappen. Overal om haar heen was het zwart en schijnbaar vol enorme zwermen fonkelende vuur vliegjes die in onmetelijke verten vervaagden. Dat waren dromen, dromen van de Aiel in het kamp, dromen van mannen en vrouwen uit geheel Cairhien, van overal ter wereld, vonken van dromen. Ze kon nu enkele, nabije vonken herkennen en de dromer noemen. In zekere zin hadden die vonkjes op vuurvliegjes geleken – daardoor had ze aanvankelijk zoveel moeilijkheden ondervonden — maar nu waren ze even uniek als gezichten. De dromen van Rhand en van Moiraine, schijnbaar gedempt, waren vager door hun geweven ban. Die van Amys en Bair schitterden scherp en strak. Ze hadden blijk baar hun raad zelf ter harte genomen. Als ze die niet had gezien, zou ze het volgende moment naar haar lichaam zijn teruggekeerd. De twee Wijzen konden deze duisternis veel behendiger afzoeken dan zij. Ze zou niet eens weten dat ze er waren tot ze op haar zouden neervallen. Mocht ze Elaynes en Nynaeves dromen ooit op dezelfde manier herkennen, dan zou ze hen overal in die wereldwijde zwerm kunnen vinden. Maar vannacht wilde ze niemands droom bekijken. Zorgvuldig vormde ze in haar gedachten een beeld dat ze zich goed herinnerde, waarna ze zich weer in Tel’aran’rhiod bevond, in het kleine vensterloze vertrek van de Toren waar ze als Novice was onder gebracht. Aan de witgepleisterde muur was een smal bed bevestigd. Een wastafel en een kruk met drie poten stonden naast de deur. Een witte mantel, de kleren en het ondergoed van witte wol van de huidige bewoonster hingen aan haken. Er had ook niemand kunnen zijn. De Toren was al vele jaren niet meer in staat geweest de verdiepingen van de Novices te vullen. De vloer was bijna even wit als de muren en kleren. Iedere dag zou de Novice van deze kamer op handen en knieën de vloer schrobben; Egwene had het gedaan en Elayne het zelfde in de kamer ernaast. Als een koningin zich in de Toren kwam bekwamen, zou ze in net zo’n kamer beginnen en de vloer moeten schrobben.

Toen ze opnieuw naar de kleren keek, hingen die anders, maar ze negeerde het. Ze hield zich gereed om saidar te omhelzen en deed de deur net ver genoeg open om haar hoofd naar buiten te steken. En om opgelucht adem te halen toen ze Elaynes hoofd even langzaam om de deur ernaast zag steken. Egwene hoopte dat haar ogen niet zo groot en onzeker stonden. Ze wenkte haastig en Elayne snelde naar haar toe in het Novicewit, dat lichtgrijze zijden rijkleding werd toen ze naar binnen schoot. Egwene had een hekel aan grijze kleren, want damane droegen grijs.