Ze bleef nog heel even staan en keek de galerijen met balustrades van het Novicekwartier langs, de hogere en de vele verdiepingen on der haar, tot aan de Novicehof in de diepte. Niet dat ze Liandrin of iets ergers verwachtte, maar voorzichtigheid was de moeder van de porseleinkast.
‘Ik dacht al dat je dit bedoelde,’ zei Elayne, de deur sluitend. ‘Heb je enig idee hoe moeilijk het is eraan te denken wat ik wel of niet tegen de een of de ander kan zeggen? Soms zou ik veel liever de Wijzen gewoon alles vertellen. Hun vertellen dat we nog maar Aan vaarden zijn. Dan was dat in ieder geval gebeurd.’
‘Het zou met jou zijn gebeurd,’ zei Egwene ferm. ‘Ik ben degene die toevallig op nog geen twintig pas afstand van ze slaapt.’ Elayne huiverde. ‘Die Bair. Ze doet me aan Lini denken wanneer ik iets had gebroken dat ik niet mocht aanraken.’
‘Wacht maar tot ik je aan Sorilea voorstel.’ Elayne keek haar weifelend aan, maar ja, Egwene zou zonder het levende bewijs ook niet in Sorilea hebben geloofd. Er bestond geen gemakkelijke manier. Ze schikte haar sjaal. ‘Vertel me eens over je ontmoeting met Birgitte. Dat was toch Birgitte, niet?’
Elayne schoot omhoog alsof ze een stomp in haar buik had gekregen. Ze deed even haar blauwe ogen dicht en haalde zo diep adem dat de zuurstof haar tenen moest hebben bereikt, ik kan er niet met je over praten.’
‘Wat bedoel je met: ik kan er niet over praten? Je hebt toch een mond. Was het Birgitte?’
‘Ik kan het niet, Egwene. Je moet me geloven. Ik zou het doen als ik het kon, maar het kan niet. Misschien... ik zal het vragen...’ Als Elayne het soort vrouw was dat haar handen ineen wrong, dan zou ze dat nu hebben gedaan. Haar mond ging open en dicht, zonder dat er woorden hoorbaar werden; haar ogen schoten het kamertje rond alsof ze ideeën of hulp zocht. Ze haalde weer diep adem en richtte haar doordringende blauwe ogen op Egwene. ‘Alles wat ik vertel, schendt een persoonlijke belofte. Zelfs dit gaat al te ver. Alsjeblieft, Egwene. Je moet me vertrouwen. En je mag niemand vertellen wat je... wat je meende te zien.’
Egwene dwong zich wat minder streng te kijken, ik vertrouw je.’ Ze wist nu in ieder geval dat ze het zich niet had verbeeld.
Birgitte? Licht!
‘Ik hoop dat jij mij op een dag genoeg vertrouwt om het me te vertellen.’
‘Ik vertrouw je écht wel, maar...’ Hoofdschuddend ging Elayne op de rand van het netjes opgemaakte bed zitten. ‘We moeten te vaak geheimen bewaren, Egwene, maar soms is daar een reden voor.’ Even later knikte Egwene en kwam naast haar zitten. ‘Wanneer je het kunt,’ herhaalde ze slechts, en haar vriendin omhelsde haar op gelucht.
‘Ik had voor mezelf besloten dat ik het je niet zou vragen, Egwene. Eén keertje wilde ik niet alleen aan hem denken.’ De grijze rijkleding werd een schemerig groen gewaad en Elayne was zich amper bewust van haar lage halslijn. ‘Maar... is alles goed met Rhand?’
‘Hij leeft en is niet gewond, als je dat bedoelt. Ik vond hem in Tyr al hard, maar vandaag heb ik hem horen dreigen dat hij iedereen zal ophangen die tegen zijn bevelen in gaat. Niet dat het slecht is – hij staat niet toe dat iemand zonder te betalen voedsel pakt of zomaar mensen vermoordt – maar... Zij waren de eersten die hem toejuichten als Hij die komt met de dageraad en ze zijn hem zonder te aar zelen uit de Woestenij gevolgd. Toch sprak hij dat dreigement uit, even hard als koud staal.’
‘Geen dreigement, Egwene. Hij is een koning, wat jij of iemand anders er ook van denkt, en een koning of koningin moet zonder aan ziens des persoons, vriend of vijand, de gerechtigheid handhaven. Wie dat doet, moet hard zijn. Moeder heeft soms hetzelfde, en dan lijken, bij haar vergeleken, de stadsmuren zacht.’
‘Maar hij hoeft niet zo opschepperig te doen,’ zei Egwene op vlakke toon. ‘Nynaeve zei dat ik hem eraan moet herinneren dat hij maar een man is, maar ik weet nog niet hoe ik dat ga doen.’
‘Hij móét eraan blijven denken dat hij slechts een man is. Maar hij heeft het recht gehoorzaamheid te verwachten.’ Er klonk iets waardigs in Elaynes woorden door, tot ze naar zichzelf keek. Toen werd haar gezicht vuurrood en kreeg haar groene gewaad opeens een kanten halskraag die tot haar kin reikte. ‘Weet je zeker dat je dat niet verwart met opschepperij?’ besloot ze met geknepen stem. ‘Hij doet even verwaand als een varken in een erwtenveld.’ Egwene schoof heen en weer. In haar herinnering was het een hard bed, maar de dunne strozak voelde zachter dan haar slaapplek in de tent. Ze wilde niet over Rhand praten. ‘Weet je zeker dat dat gevecht niet nog meer problemen zal geven?’ Ruzie met Latelle zou hun reis er niet echt gemakkelijker op maken.
‘Ik denk van niet. Latelles grief tegen Nynaeve ontstond alleen door dat zij niet meer de enige vrouw was die naar hartenlust uit de vrije mannen kon kiezen. Althans, ik vermoed dat sommige vrouwen zo denken. Aludra houdt zich afzijdig, Cerandrin zou nog geen boe tegen een gans zeggen tot ik haar heb geleerd voor zichzelf op te komen, en Clarine is met Petra getrouwd. Maar Nynaeve heeft duidelijk gemaakt dat ze iedere man die er ook maar over peinst het met haar aan te leggen, de mantel uit zal vegen én ze bood Latelle haar verontschuldigingen aan, dus hoop ik dat daarmee de zaak afge handeld is.’
‘Zij bood haar verontschuldigingen aan?!’
De andere vrouw knikte en haar gezichtsuitdrukking was even ver maakt als die van Egwene. ‘Ik dacht dat ze Luca een stomp ging geven toen hij haar om een verontschuldiging vroeg – tussen twee haakjes: hij schijnt te denken dat het gebod niet op hem slaat – maar ze deed het wel, nadat ze er meer dan een uur over had lopen mopperen. Feitelijk mompelde ze voortdurend dingen over jou.’ Ze aarzel de en keek Egwene van opzij aan. ‘Heb jij haar bij de laatste ontmoeting iets gezegd? Sindsdien is ze... anders en soms loopt ze in zichzelf te praten. In zichzelf te foeteren eigenlijk. Uit het weinige dat ik heb opgevangen, kon ik opmaken dat het over jou ging.’ ik heb niets gezegd wat niet gezegd diende te worden.’ Ze wist niet precies wat er toen tussen hen had plaatsgevonden, maar het was dus blijven hangen. Dat moest het wel zijn en anders bewaarde Nynaeve haar boosheid voor hun volgende ontmoeting. Ze was niet van plan de buien van die vrouw nog langer te verdragen, nu ze besefte dat ze het niet hoefde te slikken. ‘Zeg haar maar namens mij dat ze te oud is om nog vechtend over de grond te rollen. Als ze dat nog eens doet, dan heb ik nog wel wat ergere dingen tegen haar te zeggen. Zeg het maar met die woorden. Het zal nog erger zijn.’ Daar mocht Nynaeve zich tot de volgende keer zorgen over maken. Ze zou zo mak zijn als een lammetje... Anders zou Egwene haar dreigement moeten uitvoeren. Nynaeve was misschien wel sterker met de Kracht wanneer ze kon geleiden, maar hier was Egwene sterker. Hoe dan ook, ze had schoon genoeg van Nynaeves driftbuien.
‘Ik zal het haar zeggen,’ zei Elayne. ‘Je bent veranderd. Die houding van Rhand, jij hebt ook zoiets.’
Het duurde even voor Egwene door het vermaakte lachje van Elayne besefte wat ze bedoelde. ‘Doe niet zo dwaas.’ Elayne lachte luid en omhelsde haar nogmaals. ‘O, Egwene, op een goede dag, als ik koningin van Andor ben, zul jij de Amyrlin Zetel zijn.’
‘Als de Toren dan nog bestaat,’ zei Egwene nuchter en Elaynes lach verdween.
‘Elaida kan de Witte Toren niet vernietigen, Egwene. Wat ze ook doet, de Toren zal standhouden. Misschien zal ze geen Amyrlin meer zijn. Als Nynaeve zich de naam van die stad herinnert, durf ik te wedden dat we een Toren in ballingschap zullen vinden, met zusters van elke Ajah, maar geen enkele Rode.’
‘Ik mag het hopen.’ Egwene wist dat het droevig klonk. Ze wilde dat de Aes Sedai Rhand steunden en zich zouden verzetten tegen Elaida, maar dat hield vast en zeker een verdeelde Toren in, die misschien nooit meer verenigd zou kunnen worden.